Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-23
ECLI:NL:RBROT:2025:5682
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,001 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/677701 / FA RK 24-3019
Beschikking van 23 april 2025 over vaststelling ouderschap
in de zaak van:
[verzoekster]
, hierna: verzoekster,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. L.A. Alderlieste te Rotterdam.
In deze zaak is belanghebbende:
[belanghebbende]
, hierna: de moeder,
wonende te [woonplaats 2] ,
in persoon verschenen.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen, ingekomen op 19 april 2024.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 31 maart 2025. Daarbij zijn verschenen:
verzoekster, bijgestaan door haar advocaat;
de moeder.
2De vaststaande feiten
2.1.
Verzoekster is op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats 1] geboren uit de relatie van de moeder en [persoon A] (hierna: de man).
2.2.
De moeder was tijdens de geboorte van verzoekster nog gehuwd met [persoon B] (hierna: [persoon B] ). Daarom is [persoon B] ten tijde van de geboorte van verzoekster als juridisch vader op haar geboorteakte vermeld.
2.3.
Het vaderschap van [persoon B] is ontkend. De ontkenning van het vaderschap is op
8 december 1978 aangetekend op de geboorteakte van verzoekster.
2.4.
Uit het uittreksel van een overlijdensakte blijkt dat de man op [overlijdensdatum] in Zwolle is overleden.
2.5.
Verzoekster en de moeder hebben de Nederlandse nationaliteit.
De man, van wie verzocht wordt het ouderschap gerechtelijke vast te stellen, had eveneens de Nederlandse nationaliteit.
Beoordeling
3.1.
Vaststelling ouderschap
3.1.1.
Verzoekster verzoekt ten aanzien van haar, verzoekster, het ouderschap van de (overleden) man vast te stellen.
3.1.2.
Zij legt aan dit verzoek ten grondslag dat de man haar verwekker is.
3.1.3.
Op grond van artikel 1:207 lid 1 aanhef en sub b van het Burgerlijk Wetboek kan het ouderschap van een persoon, ook indien deze is overleden, onder meer op de grond dat deze de verwekker is van het kind, door de rechtbank worden vastgesteld op verzoek van het kind.
3.1.4.
Aan de mogelijkheid voor het kind om door middel van gerechtelijke vaststelling het ouderschap te vestigen is geen termijn vastgesteld. Dit betekent dat het kind een in tijd onbeperkte mogelijkheid tot gerechtelijke vaststelling van het ouderschap krijgt. Gezien het vorenstaande is verzoekster ontvankelijk in haar verzoek.
3.1.5.
De rechtbank overweegt dat het ouderschap van de man alleen kan worden vastgesteld indien duidelijk is dat de man de verwekker is van verzoekster. Het biologisch vaderschap kan komen vast te staan door het uitvoeren van een DNA-onderzoek, maar dit is geen vereiste voor de rechter om te komen tot de conclusie dat een man de verwekker is van een kind (vgl. HR 11 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1318).
3.1.6.
Gelet op het verzoek, de door verzoekster overgelegde stukken en dat wat tijdens de mondelinge behandeling is besproken, is voor de rechtbank vast komen te staan dat de man de verwekker is van verzoekster en dat hij gedurende zijn leven de vaderrol voor verzoekster heeft vervuld. Zij is geboren uit de relatie van de moeder en de man en hij heeft vanaf de geboorte van verzoekster een rol in haar leven gespeeld. De moeder, de man, verzoekster en haar broer hebben tot 1988 in gezinsverband samengewoond. De man is bij beschikking van de kantonrechter van 17 januari 1984 benoemd tot voogd en toeziend voogd over verzoekster. Nadat de relatie tussen de moeder en de man is beëindigd, is er altijd nog (wekelijks) contact geweest tussen verzoekster en de man en later ook tussen de man en de kinderen van verzoekster. Er is even sprake van geweest dat de man verzoekster zou erkennen, maar hiervan is het uiteindelijk niet (meer) gekomen. De man heeft in zijn agenda opgenomen dat hij een dochter in Rotterdam heeft en daarbij de naam van verzoekster vermeld. Ook zijn er foto’s van verzoekster met de man en met de familie als geheel. Verzoekster als dochter, haar broer en de moeder hebben alles rondom de begrafenis van de man geregeld. De moeder, opgeroepen als belanghebbende in deze zaak, heeft het vorenstaande tijdens de mondelinge behandeling bevestigd. Gelet op deze feiten en omstandigheden bestaat bij de rechtbank geen twijfel dat de man de biologische vader is van verzoekster en ziet de rechtbank geen noodzaak om het vaderschap vast te stellen met behulp van een DNA-verwantschapsonderzoek. De rechtbank zal het verzoek toewijzen, zoals hierna in de beslissing is vermeld.
3.1.7.
Gesteld noch gebleken is dat verzoekster haar geslachtsnaam wil wijzigen in die van de man. De geslachtsnaam van verzoekster blijft dus [naam] .
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure bepaalt de rechtbank dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
stelt vast dat [persoon A] , geboren op [geboortedatum 2] 1953 te [geboorteplaats 2]
( [geboorteland] ) en overleden op [overlijdensdatum] te Zwolle, de ouder is van
[verzoekster] , geboren op [geboortedatum 1] 1978 te [geboorteplaats 1] ;
4.2.
draagt de griffier op om niet eerder dan drie maanden na de dag van de uitspraak van deze beschikking – en als daartegen geen hoger beroep is ingesteld – een afschrift van deze beschikking te zenden aan de ambtenaar van de burgerlijke stand van de gemeente Zwolle zoals bepaald in artikel 1:20e lid 1 BW;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. L. Berghuis-Knijff, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E. van Alebeek-Baars, griffier, op 23 april 2025.
Voor zover in deze beschikking een of meer eindbeslissingen zijn opgenomen, staat tegen deze beschikking hoger beroep open bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.