Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-29
ECLI:NL:RBROT:2025:5641
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,051 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
weigering schone lei
insolventienummer: [nummer]
uitspraakdatum: 29 januari 2025
Bij vonnis van deze rechtbank van 31 januari 2022 is de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken ten aanzien van:
[schuldenaar]
,
[adres]
[woonplaats],
schuldenaar,
bewindvoerder: M. Zomerdijk.
Procesverloop
De bewindvoerder heeft op 1 november 2024 schriftelijk verslag uitgebracht over de beëindiging van de toepassing van de schuldsaneringsregeling.
Op 15 januari 2025 heeft de bewindvoerder de rechtbank bericht omtrent de laatste stand van zaken.
De beëindiging is behandeld ter terechtzitting van 23 januari 2025. Ter terechtzitting zijn verschenen en gehoord:
schuldenaar;
[naam], partner van schuldenaar;
de heer mr. J. van der Linden, advocaat van schuldenaar;
mevrouw M. Zomerdijk, bewindvoerder.
De uitspraak is bepaald op heden.
2De standpunten
Standpunt bewindvoerder
De bewindvoerder heeft de rechtbank op 15 januari 2025 bericht omtrent de stand van zaken. De bewindvoerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat de schone lei moet worden geweigerd. In het dossier ontbreken namelijk nog een aantal stukken. Het gaat dan om de recente inkomensspecificaties van de partner van schuldenaar en de gewijzigde beschikking toeslagen in verband met het verlaagde inkomen van de partner van schuldenaar. Bovendien is sprake van een nieuwe schuld bij Menzis ter hoogte van
€ 676,00, in verband met achterstallige premies. Ook is aan de afdrachtverplichting niet voldaan. Er is een geschatte achterstand van € 4.540,99. Daarnaast heeft schuldenaar weliswaar beschermingsbewind aangevraagd, maar is dit niet doorgegaan. Er was namelijk sprake van een negatief budgetplan.
Ter zitting heeft de bewindvoerder verklaard dat de nieuwe schuld bij Menzis inmniddels is voldaan. Alleen de boedelachterstand resteert nog. In reactie op hetgeen schuldenaar en zijn advocaat ter zitting naar voren hebben gebracht, heeft de bewindvoerder desgevraagd verklaard dat schuldenaar per mail van 20 maart 2024 heeft toegezegd dat hij vanaf die datum elke drie weken € 101,00 zou overmaken. Hij heeft toen ook aangegeven dat hij begreep wat er verwacht werd. Dat sprake zou zijn van onvermogen aan de kant van schuldenaar, volgt in ieder geval niet uit die mail. Bovendien is er sinds augustus 2023 contact met schuldenaar geweest over het VTLB. Hij moet in ieder geval vanaf die datum op de hoogte zijn geweest van een boedelachterstand. De bewindvoerder heeft ter zitting haar standpunt gehandhaafd.
Standpunt schuldenaar
Schuldenaar heeft ter zitting verklaard dat hij het een periode financieel niet kon redden. Hij heeft lang moeten wachten op de totstandkoming van zijn WMO-arrangement. Sinds november heeft hij hulp vanuit een persoonlijke begeleidster. Zij helpt hem met de post en betalingen. Hij heeft inderdaad toegezegd dat hij € 101,00 zou betalen, maar dat ging uiteindelijk financieel niet.
De advocaat van schuldenaar heeft ter zitting primair aangevoerd dat aan schuldenaar wel de schone lei moet worden verleend. De boedelachterstand die is ontstaan valt namelijk niet aan schuldenaar toe te rekenen. Aan de kant van schuldenaar is sprake van onvermogen. Hij heeft ondersteuning nodig en had eerder geholpen moeten worden. Schuldenaar heeft geen waarschuwingen dan wel hulp gekregen ten aanzien van de afdrachtverplichting, waardoor de schade onnodig is opgelopen. Het had op de weg van de bewindvoerder en de rechter-commissaris gelegen om schuldenaar te waarschuwen en eerder aan de bel te trekken. De bewindvoerder moet er alles aan doen om de boedelachterstand te laten verdwijnen. Verwezen wordt naar een uitspraak van het hof Den Haag van 6 juli 2020 (ECLI:NL:GHDHA:2020:1592). Voorts liep de communicatie met de (voormalige) bewindvoerder in zijn geheel niet goed. Schuldenaar was niet op de hoogte van het VTLB, hij ontving geen tussentijdse verslagen van de bewindvoerder en wist niet van een boedelachterstand. Hij vernam pas in augustus 2023 van een boedelachterstand. De (voormalige) bewindvoerder heeft weliswaar aangegeven dat hij wel stukken opstuurde, maar het ligt dan op de weg van de (voormalige) bewindvoerder om aan te tonen dat die stukken zijn ontvangen door schuldenaar. Verder heeft er in dat kader een onstlagzitting plaatsgevonden. Uiteindelijk heeft de (voormalige) bewindvoerder zelf ontslag genomen. Ook heeft schuldenaar inmiddels wel degelijk actie ondernomen. Hij is bezig met de aanvraag van bescherminsgbewind. Dit verzoek ligt nog bij de rechtbank.
De advocaat van schuldenaar heeft ter zitting subdsidiair gesteld dat schuldenaar doormiddel van een verlenging de boedelachterstand kan inlopen. Aangezien de boedelachterstand niet geheel aan schuldenaar is toe te rekenen, dient gezien het verloop van het dossier, ongeveer de helft van de boedelachterstand van de huidige boedelachterstand af te worden gehaald. De boedelachterstand zou maximaal € 2.000,00 moeten zijn. De situatie van schuldenaar veranderd enigszins. Zo wordt de auto op naam van zijn vriendin gezet. Er onstaat wat financiele ruimte. Schuldenaar kan ongeveer € 100,00 per maand afdragen, om in te lopen op de boedelachterstand. Desgevraagd heeft hij verklaard dat voor een reguliere afdracht geen pek is.
Beoordeling
De schuldsaneringsregeling biedt een schuldenaar in een problematische schuldensituatie de mogelijkheid om aan het einde van de regeling een schone lei te verkrijgen. Dit betekent in de voorliggende regeling dat een groot deel van de schuld van € 36.388,97 niet langer opeisbaar is. Tegenover dit perspectief staat een aantal niet lichtvaardig op te vatten verplichtingen. Zo dient de schuldenaar gedurende de toepassing van de regeling onder meer de bewindvoerder gevraagd en ongevraagd te informeren, zijn inkomen boven het vrij te laten bedrag af te dragen aan de boedelrekening en zich aantoonbaar tot het uiterste in te spannen om een fulltime dienstbetrekking te verkrijgen. Hiernaast mogen tijdens de toepassing van de schuldsaneringsregeling geen nieuwe schulden ontstaan. Van de schuldenaar wordt een actieve houding verwacht bij het naleven van voornoemde verplichtingen.
De rechtbank oordeelt dat schuldenaar toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van de verplichtingen en overweegt daartoe als volgt.
Ter zitting is besproken dat sprake is van een boedelachterstand. Deze bedraagt volgens het bericht van 15 januari 2025 € 4.540,99. Daarmee staat vast dat schuldenaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn afdrachtverplichting. Deze tekortkoming staat in de weg aan de beëindiging van de schuldsaneringsregeling met een schone lei.
Dat bovengenoemde tekortkoming schuldenaar niet te verwijten is, is onvoldoende aannemelijk geworden. Schuldenaar heeft namelijk geen blijk gegeven van een saneringsgezinde houding. Hij heeft immers een eigen verantwoordelijkheid om aan de verplichtingen te voldoen. Tijdens de toelatingszitting is met schuldenaar gesproken over de verplichtingen in de schuldsaneringsregeling. Toen is ook gesproken over de afdrachtverplichting en over het feit dat er een VTLB wordt vastgesteld. Ook is toen aan hem medegedeeld dat hij beschermingsbewind kan aanvragen, indien hij ondersteuning nodig heeft. Schuldenaar heeft gedurende de schuldsaneringsregeling, op één betaling na, geen enkele afdracht verricht. Verder was schuldenaar in ieder geval vanaf augustus 2023 bekend met het bestaan van een boedelachterstand. Hij heeft evenwel ook sinds augustus 2023 niks afgedragen. De boedelachterstand is hierdoor verder opgelopen. Deze gedraging past niet binnen de wettelijke schuldsaneringsregeling, waarin van een schuldenaar een actieve houding wordt verwacht bij de nakoming van de op hem rustende verplichtingen uit de wettelijke schuldsaneringsregeling. Verder is met schuldenaar ook tijdens het verhoor van 27 mei 2024 gesproken over de boedelachterstand. Met schuldenaar is besproken dat de boedelachterstand dient te worden opgelost. Met hem is toen besproken dat er geen schone lei kan worden verleend, als de boedelachterstand niet wordt ingelopen. Ook toen is besproken dat hij (financiële) hulp kan zoeken door beschermingsbewind aan te vragen. Schuldenaar is nu, schijnbaar, bezig met de aanvraag van beschermingsbewind, maar is nog in afwachting van een beslissing van de rechtbank. Het had evenwel op de weg van schuldenaar gelegen om tijdig actie te ondernemen in de vorm van het zoeken van hulp, het voldoen aan de (afdracht)verplichting(en) dan wel anderszins. Dit heeft hij niet gedaan.
De rechtbank ziet gelet op het voorgaande ook geen aanleiding om schuldenaar via een verlenging de kans te geven om de tekortkoming te compenseren. Ook volgt de rechtbank de stelling niet dat een deel van de boedelachterstand (ongeveer de helft daarvan) dient te worden verminderd, omdat de boedelachterstand schuldenaar niet geheel valt toe te rekenen. Dit zou naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doen aan de ernst van de tekortkoming. Schuldenaar heeft bovendien niet concreet aangetoond dat hij de boedelachterstand doormiddel van een verlenging kan en zal inlossen. Namens schuldenaar is ter zitting slechts aangevoerd dat er financieel enige ruimte ontstaat en dat hij maandelijks ongeveer € 100,00 kan inlossen op de boedelachterstand. Dit is verder niet onderbouwd. Dat de auto op naam van de vriendin van schuldenaar wordt gezet doet daarbij niet ter zake. Aan schuldenaar is namelijk medegedeeld dat de auto slechts mocht worden behouden onder de voorwaarde dat de kosten met betrekking tot de auto uit het vrij te laten bedrag werden voldaan. Dit kan dan ook niet ten koste van de afdrachtverplichting gaan, dan wel zijn gegaan. Schuldenaar heeft bovendien op één enkele betaling na, geen enkele afdracht verricht. Ook na het verhoor van 27 mei 2024 en na de gedane toezegging aan de bewindvoerder is geen afdracht verricht, terwijl uit het boedeloverzicht volgt dat ook na die periodes sprake was van een afdrachtverplichting. Schuldenaar heeft gedurende de schuldsaneringsregeling geen, althans onvoldoende, verantwoordelijkheid genomen als het gaat om de afdrachtverplichting. Schuldenaar heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoende kan én zal afdragen om de boedelachterstand tijdig in te lopen.
De schone lei zal daarom worden geweigerd.
De rechtbank zal het salaris van de bewindvoerder en de door deze gemaakte kosten vaststellen.
Dictum
De rechtbank:
- stelt vast dat de schuldenaar toerekenbaar in de nakoming van een of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen is tekortgeschoten;
- bepaalt dat de toepassing van de schuldsaneringsregeling eindigt op het moment dat de slotuitdelingslijst verbindend is geworden, doch dat de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen van schuldenaar eindigen op 31 januari 2025;
- stelt het salaris voor de bewindvoerder, één en ander inclusief onkosten en omzetbelasting, vast op het aanwezig actief tot een bedrag van maximaal € 3.795,00;
Dit vonnis is gewezen door mr. C. de Jong, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2025.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende acht dagen na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.