Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-05
ECLI:NL:RBROT:2025:5629
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,957 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/681825 / JE RK 24-1364 en C/10/670613 / JE RK 23-2884
Datum uitspraak: 5 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en een zorgregeling
in de zaken van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.M. Berkhout, kantoorhoudende te Vlaardingen,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. J.M. Wigman, kantoorhoudende te ’s-Gravenhage,
mr. J.A. SMITS,
hierna te noemen: de bijzondere curator, gevestigd te Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de beschikking van de kinderrechter in deze rechtbank van 4 februari 2025 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de brief met bijlagen van mr. A.M. Berkhout van 19 februari 2025, ontvangen op diezelfde datum;
de brief met bijlagen van mr. J.M. Wigman van 3 maart 2025, ontvangen op diezelfde datum;
de pleitnota van mr. J.M. Wigman, overhandigd ter zitting op 5 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
de moeder met haar advocaat;
de vader met zijn advocaat;
de bijzondere curator;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
Feiten
2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij haar moeder.
2.3.
Bij beschikking van 15 januari 2024 heeft de kinderrechter bepaald dat [voornaam minderjarige] met ingang van 20 januari 2024 bij de vader zal zijn:
een keer per week op zaterdag van 12:00 uur tot 20:00 uur;
bepaalt voorts dat de overdracht door Needed People of een andere door de GI in te schakelen organisatie zal plaatsvinden.
2.4.
Bij beschikking van 4 februari 2025 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 7 april 2025. Het overig verzochte is aangehouden.
2.5.
Bij beschikking van 4 maart 2025 is mr. J.A. Smits tot 7 april 2025 herbenoemd als bijzondere curator teneinde [voornaam minderjarige] te vertegenwoordigen.
3De aangehouden verzoeken
Ten aanzien van zaaknummer C/10/681825 / JE RK 24-1364
3.1.
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Nu dient een beslissing genomen te worden over het resterende deel van het verzoek, te weten tot 7 augustus 2025.
Ten aanzien van zaaknummer C/10/670613 / JE RK 23-2884
3.2.
De GI verzoekt op grond van artikel 1:265g lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) de verdeling van de zorg- en opvoedtaken als volgt te wijzigen en verzoekt een minimale zorgregeling op te leggen van:
één keer per twee weken een weekendregeling van zaterdag 09:00 tot 18:30 en van zondag 09:00 tot 16:00 uur;
in de andere week van vrijdag 15:00 tot 18:30 uur;
met als opdracht aan de GI om de tijdstippen, duur, aantal, frequentie en inhoud van de contacten te bepalen, na overleg met de ouders;
de vader zal [voornaam minderjarige] telkens ophalen en terugbrengen bij de grootmoeder moederszijde;
subsidiair een zorgregeling vast te stellen die de rechtbank in goede justitie juist acht.
3.3.
In ditzelfde zaaknummer heeft de moeder bij zelfstandig verzoek primair verzocht de verzochte verdeling van de zorg- en opvoedtaken te schorsen in afwachting van het advies over de opbouw hiervan door een voor [voornaam minderjarige] te benoemen kindercoach. Hierbij heeft zij subsidiair verzocht de door de GI verzochte regeling te volgen, waarbij de omgang op zaterdag aanvangt na het kickboksen van [voornaam minderjarige] , aldus om 13.00 uur in plaats van om 09.00 uur en te bepalen dat de omgang in de andere week op vrijdag komt te vervallen, alsmede te bepalen dat gemiste omgang in verband met vakanties niet wordt ingehaald.
3.4.
Tevens in ditzelfde zaaknummer heeft de vader bij zelfstandig verzoek verzocht te bepalen dat de moeder medewerking dient te verlenen aan de uitvoering van de zorgregeling op straffe van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere dag dat zij in gebreke blijft, uitvoerbaar bij voorraad.
3.5.
Het primaire verzoek van de moeder en het zelfstandige verzoek van de vader zijn bij beschikking van 15 januari 2024 afgewezen. De behandeling van de overige verzoeken is bij diezelfde beschikking en bij beschikking van 4 februari 2025 aangehouden en hierop dient nog een beslissing te worden genomen.
4De standpunten
4.1.
De GI wijzigt het verzoek tijdens de mondelinge behandeling, in die zin dat wordt verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen tot 7 augustus 2025 en een zorgregeling vast te stellen zoals deze in het adviesrapport van Kinderpraktijk Bimbi (hierna: Bimbi) is opgenomen, te weten:
Omgang met vader van 10.00 tot 18.00. De ene week op zaterdag en de andere week op zondag;
Uitbreiding in aantal uren zonder logeren is mogelijk zodra de door Bimbi geadviseerde hulpverlening (te weten: Theraplay voor [voornaam minderjarige] en de vader, verwerking van vervelende ervaringen tussen de ouders, Ouderschap Na Scheiding (hierna: ONS) en traumabehandeling voor [voornaam minderjarige] ) voldoende en succesvol op gang is gebracht;
Logeren is mogelijk wanneer de band tussen vader en [voornaam minderjarige] hersteld is en de overgang van ouders minder gespannen verloopt.
Vanuit het adviesrapport van Bimbi ligt nog een behoorlijke taak voor de ouders open. Er lijkt een mogelijkheid te zijn om het logeren van [voornaam minderjarige] bij de vader op te starten, maar hiervoor is tijd nodig. [voornaam minderjarige] zou hieraan moeten wennen, omdat zij – volgens het adviesrapport van Bimbi – geïnternaliseerd lijkt te hebben dat de vader geen vaderrol in haar leven heeft. Theraplay kan voor [voornaam minderjarige] worden ingezet vanuit de organisatie Youth Care. Hoewel deze organisatie hier nog geen erkende organisatie voor is, mogen zij de therapie onder supervisie wel aanbieden. De GI begrijpt dat het belangrijk is om als ouder kritische vragen te stellen over de inzet van hulpverlening. Echter, voor de inzet van Theraplay vanuit Youth Care zijn twee welwillende ouders nodig. Ten aanzien van het verzoek van de moeder om de omgangsmomenten tussen de vader en [voornaam minderjarige] om de week in het weekend te laten plaatsvinden, in plaats van elke week één dag in het weekend, geeft de GI aan dat dat een optie zou kunnen zijn.
4.2.
Door en namens de moeder wordt tijdens de mondelinge behandeling verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI om de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen. Hoewel de moeder begrijpt dat voor [voornaam minderjarige] hulp nodig is, heeft de moeder de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] hierin niet als helpend ervaren. Er zijn veel wisselingen van jeugdbeschermers geweest, waardoor de moeder telkens opnieuw haar verhaal moest doen en gemaakte afspraken niet duidelijk waren. Daarbij wordt niet geluisterd naar de zorgen van de moeder over [voornaam minderjarige] . Er wordt gezegd dat de moeder niet voldoende meewerkt aan de inzet van hulpverlening, maar zij heeft hieraan altijd meegewerkt. Zij heeft zelf de betrokkenheid van Needed People (voor de overdracht van [voornaam minderjarige] tussen de moeder en de vader) en Bimbi (gericht op het herstellen van de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader) aangedragen. De moeder is het eens met het advies vanuit Bimbi, inhoudende dat moet worden gewerkt aan contactherstel tussen de vader en [voornaam minderjarige] en dat hiertoe voor [voornaam minderjarige] Theraplay en traumabehandeling moet worden ingezet. Echter, het lijkt de moeder logischer als [voornaam minderjarige] eerst de traumabehandeling afrondt, voordat de behandeling bij Theraplay start. Daarnaast is de moeder het niet eens met de inzet van Theraplay door Youth Care, omdat dit geen erkende aanbieder is. De hulpverlener vanuit Youth Care zal hiervoor pas in april een opleiding starten. De moeder kan zich vinden in het gewijzigde verzoek van de GI om de zorgregeling zoals deze is vastgesteld in het advies van Bimbi te volgen. Totdat voor [voornaam minderjarige] de juiste behandeling - vanuit de juiste organisatie - is ingezet, dient het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader echter niet verder te worden opgebouwd naar overnachtingen. Daarbij verzoekt zij de omgang met vader om de week in het weekend te laten plaatsvinden, in plaats van elke week één dag in het weekend.
Beoordeling
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
5.1.
Uit de overgelegde stukken en de mondelinge behandeling blijkt dat [voornaam minderjarige] nog steeds ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. Het lukt de ouders niet om op een constructieve wijze met elkaar te communiceren en afspraken te maken. Dit heeft een negatieve invloed op de ontwikkeling en het gedrag van [voornaam minderjarige] . Om te zorgen dat in het belang van [voornaam minderjarige] positieve stappen gezet kunnen worden, is het van belang dat de ouders elkaar leren te vertrouwen en dat [voornaam minderjarige] de ruimte krijgt om met allebei de ouders een band op te bouwen. Volgens het adviesrapport van Bimbi is hiertoe is de inzet van hulpverlening nodig, zoals de inzet van Theraplay voor [voornaam minderjarige] en de vader, het traject Ouderschap Na Scheiding voor de ouders en traumabehandeling voor [voornaam minderjarige] . De organisatie Youth Care mag Theraplay onder supervisie aanbieden. De kinderrechter gaat ervanuit dat de ouders de aankomende periode hieraan zullen meewerken. In de tussentijd is het van belang dat de GI betrokken blijft. [voornaam minderjarige] heeft recht op een onbelaste jeugd, waarin zij zich kan ontwikkelen tot een gelukkige, stabiele volwassene. De GI dient de regie te blijven voeren vanuit het belang van [voornaam minderjarige] .
5.2.
Gelet op het voorgaande is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter zal de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] daarom verlengen tot 7 augustus 2025. Deze termijn is gelet op de aanwezige zorgen naar verwachting noodzakelijk.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de zorgregeling
5.4.
Op grond van artikel 1:265g lid 1 van het BW kan de kinderrechter voor de duur van de ondertoezichtstelling op verzoek van de GI een verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een regeling inzake de uitoefening van het recht op omgang vaststellen of wijzigen voor zover dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk is. Op grond van artikel 1:265g lid 2 van het BW kan de kinderrechter op het verzoek van een met het gezag belaste ouder, een omgangsgerechtigde, de minderjarige van twaalf jaar of ouder en de GI de in het eerste lid genoemde beslissing wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
5.5.
Naar het oordeel van de kinderrechter is sprake van een wijziging in de omstandigheden in die zin dat de ouders niet in staat zijn gebleken om de door het gerechtshof bepaalde zorgregeling op een veilige en voor [voornaam minderjarige] onbelaste manier uit te voeren. Eerder is daarom al een (tijdelijke) zorgregeling vastgesteld. Inmiddels heeft Bimbi in haar adviesrapport een (voorlopige) zorgregeling geadviseerd, te weten:
Omgang met vader van 10.00 tot 18.00. De ene week op zaterdag en de andere week op zondag;
Uitbreiding in aantal uren zonder logeren is mogelijk zodra de door Bimbi geadviseerde hulpverlening (te weten: Theraplay voor [voornaam minderjarige] en de vader, verwerking van vervelende ervaringen tussen de ouders, Ouderschap Na Scheiding (hierna: ONS) en traumabehandeling voor [voornaam minderjarige] ) voldoende en succesvol op gang is gebracht;
Logeren is mogelijk wanneer de band tussen vader en [voornaam minderjarige] hersteld is en de overgang van ouders minder gespannen verloopt.
5.6.
In lijn met het adviesrapport van Bimbi is de kinderrechter van oordeel dat de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader op een rustige en adequate manier moet worden opgebouwd. De door Bimbi geadviseerde zorgregeling lijkt hiertoe passend te zijn, mits de in het adviesrapport geadviseerde hulpverlening van de grond komt en ouders hieraan meewerken. Tot die tijd is het belangrijk om te waarborgen dat [voornaam minderjarige] en de vader elkaar frequent blijven zien. De kinderrechter acht het in dit kader voor nu nog nodig dat de omgangsmomenten tussen de vader en [voornaam minderjarige] wekelijks blijven plaatsvinden.
5.7.
Gelet op het voorgaande, zal de kinderrechter de zorgregeling vaststellen zoals deze in het adviesrapport van Bimbi is opgenomen en het subsidiaire verzoek van de moeder afwijzen. Om een vinger aan de pols te houden, zal de kinderrechter de genoemde zorgregeling vaststellen voor een kortere periode dan is verzocht, namelijk tot 5 juni 2025, en het overig verzochte aanhouden tot de hierna te noemen zittingsdatum.
5.8.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
5.9.
De GI wordt verzocht om uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen zittingsdatum, de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden, mr. A.M. Berkhout, mr. J.M. Wigman en de bijzondere curator) te rapporteren over de laatste ontwikkelingen en daarbij aan te geven of het resterende gedeelte van het verzoek al dan niet wordt gehandhaafd.
Dictum
De kinderrechter:
Ten aanzien van zaaknummer C/10/681825 / JE RK 24-1364
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 7 augustus 2025;
Ten aanzien van zaaknummer C/10/670613 / JE RK 23-2884
6.2.
bepaalt dat voor [voornaam minderjarige] met ingang van 5 maart 2025 de volgende zorgregeling geldt:
Omgang met de vader van 10.00 tot 18.00. De ene week op zaterdag en de andere week op zondag;
Uitbreiding in aantal uren zonder logeren is mogelijk zodra de door Bimbi geadviseerde hulpverlening (te weten: Theraplay voor [voornaam minderjarige] en de vader, verwerking van vervelende ervaringen tussen de ouders, Ouderschap Na Scheiding (hierna: ONS) en traumabehandeling voor [voornaam minderjarige] ) voldoende en succesvol op gang is gebracht;
Logeren is mogelijk wanneer de band tussen vader en [voornaam minderjarige] hersteld is en de overgang van ouders minder gespannen verloopt;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het subsidiaire verzoek van de moeder af;
en alvorens verder te beslissen:
6.5.
houdt de behandeling voor het overig verzochte aan en bepaalt dat het verhoor van de GI, de belanghebbenden, mr. A.M. Berkhout, mr. J.M. Wigman en de bijzondere curator zal plaatsvinden op 3 juni 2025 te 16:00 uur, in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100-125;
6.6.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. M.P.G. Rietbergen;
6.7.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, de belanghebbenden, mr. A.M. Berkhout, mr. J.M. Wigman en de bijzondere curator;
6.8.
verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de genoemde zittingsdatum de kinderrechter (met afschrift aan de belanghebbenden, mr. A.M. Berkhout, mr. J.M. Wigman en de bijzondere curator) de in sub 5.9. verzochte briefrapportage te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025 door mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. L.L.N. Snijder als griffier, en op schrift gesteld op 12 maart 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:260, eerste lid, BW.