Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-05-07
ECLI:NL:RBROT:2025:5589
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,511 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1977
uitspraak van de voorzieningenrechter van 7 mei 2025 in de zaak tussen
[verzoeker], uit [plaatsnaam], verzoeker
(gemachtigde: mr. M. Kaplan),
en
het college van burgemeester en wethouders van Goeree-Overflakkee, het college
(gemachtigde: [naam 1]).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoeker voor een bijstandsuitkering. Het college heeft hiervoor als reden gegeven dat verzoeker alleen een aanvraag heeft ingediend, maar die samen met zijn partner moet indienen omdat hij met haar een gezamenlijke huishouding vormt. Verzoeker is het hier niet mee eens.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Verzoeker heeft op 30 december 2024 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Op 7 februari 2025 heeft verzoeker een aanvraag ingediend voor algemene bijstand. Het college heeft deze aanvragen met het bestreden besluit van 14 februari 2025 afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.1.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 april 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door [naam 2] als tolk, verzoekers gemachtigde en de gemachtigde van het college.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
3. Verzoeker stelt dat hij is gescheiden van [naam 3]. Op 30 december 2024 heeft verzoeker een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend en daarvoor als reden gegeven dat hij sinds maart 2024 zonder inkomen zit, gescheiden is en bijna € 6000,- aan schulden heeft. Naar aanleiding van een telefoongesprek met verzoeker heeft het college deze aanvraag opgevat als een melding voor algemene bijstand. Op 7 februari 2025 heeft verzoeker een aanvraag voor algemene bijstand ingediend. In het bestreden besluit heeft het college verzoekers aanvragen afgewezen. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat verzoeker met [naam 3] een gezamenlijke huishouding vormt. Zij woonden ten tijde van de aanvragen en het bestreden besluit op hetzelfde adres ([adres]). Verzoeker moet daarom samen met zijn partner een aanvraag voor een bijstandsuitkering indienen. Verzoeker is het hier niet mee eens en heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit en verzocht om een voorlopige voorziening.
4. Ter zitting hebben partijen verklaard dat op 17 april 2025 een besluit is genomen waarin aan verzoeker op basis van een nieuwe aanvraag van 6 maart 2025 een bijstandsuitkering is toegekend vanaf 12 maart 2025. Verzoeker heeft op zitting verklaard het niet eens te zijn met de ingangsdatum en wil met het verzoek bereiken dat hij per eerdere datum een voorschot op de bijstandsuitkering ontvangt naar de norm van een alleenstaande.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
5. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter dient eerst te bepalen of er voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
6. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker niet aannemelijk heeft gemaakt dat er een financiële noodsituatie is, waardoor de beslissing op bezwaar niet kan worden afgewacht. De te beoordelen periode loopt van 30 december 2024 (datum eerste aanvraag) tot 14 februari 2025 (datum bestreden besluit). Verzoeker en zijn (voormalige) echtgenote zijn per 12 maart 2025 gescheiden gaan wonen. Verzoeker ontvangt per die datum een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Weliswaar woont verzoeker thans alleen, maar daarvan is pas sprake met ingang van een datum die is gelegen na de te beoordelen periode en het bestreden besluit. Tijdens de te beoordelen periode woonden verzoeker en [naam 3] op hetzelfde adres en had [naam 3] inkomsten boven de bijstandsnorm. Verzoeker heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat toen geen sprake is geweest van wederzijdse zorg als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Participatiewet. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verzoeker en zijn (voormalige) echtgenote toen in de noodzakelijke bestaanskosten konden voorzien door middel van haar inkomen. Gelet hierop is ook niet aan de voorzieningenrechter gebleken dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is.
Conclusie
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af vanwege het ontbreken van een spoedeisend belang. Dat betekent dat er geen voorlopige voorziening wordt getroffen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 7 mei 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.