Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-28
ECLI:NL:RBROT:2025:5330
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,439 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 28 maart 2025
[verzoekster]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekster.
Procesverloop
Verzoekster heeft op 7 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 7 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 maart 2025.
Ter zitting van 26 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
- mevrouw [persoon A] en de heer [persoon B] , beiden werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening).
Verzoekster is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.
Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster ten uitvoer te leggen.
De huurachterstand is ontstaan doordat verzoekster gedurende de corona periode geen, althans minder werk had. Daardoor kon zij haar vaste lasten, waaronder de huur, niet meer betalen. Schuldhulpverlening heeft ter zitting desgevraagd aangegeven dat het contact met verzoekster moeizaam verloopt.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekster een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 28 januari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekster en een kopie van het exploot van 12 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekster, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekster enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekster bestaat erin dat zij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekster kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 28 januari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Niet is gebleken, dat de huurtermijnen de afgelopen maanden zijn voldaan. Verzoekster heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij de komende maanden voldoende inkomsten heeft om de lopende huurtermijnen wel te betalen. Uit het dossier volgt namelijk dat verzoekster op dit moment – behoudens huurtoeslag en zorgtoeslag – geen inkomen heeft. Haar aanvraag voor een bijstandsuitkering is recentelijk buiten behandeling gesteld, omdat zij – ook daar – niet is verschenen. Van een stabiele inkomenssituatie met voldoende waarborgen is dan ook geen sprake. Ondanks dat verzoekster behoorlijk is opgeroepen, is zij bovendien niet ter zitting verschenen om het verzoek nader toe te lichten. Volgens schuldhulpverlening verblijft verzoekster op dit moment op Curaçao. De rechtbank is dan ook van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekster. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoekster gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoekster te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekster niet-ontvankelijk in haar verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 maart 2025.