Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-24
ECLI:NL:RBROT:2025:5310
Bestuursrecht; Belastingrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
951 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1930
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2025 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft bij verweerder op 16 september 2024 een bezwaarschrift ingediend.
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op bezwaar.
Verweerder heeft op 10 maart 2025 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Eiseres geeft in haar beroep aan bezwaar te hebben gemaakt tegen de afwijzing van de ingebrekestellingen van 15 januari 2024 en 18 januari 2024. Eiseres geeft aan dat verweerder uiterlijk op 20 januari 2025 een beslissing op haar bezwaar had moeten nemen. Eiseres verwijst naar de ingebrekestelling van 4 februari 2025 voor het uitblijven van een beslissing op het bezwaar.
De rechtbank stelt vast dat de ingebrekestelling van 4 februari 2025 verwijst naar de beschikking van 13 maart 2024, [kenmerk 1] . In die beschikking geeft verweerder aan dat de ingebrekestelling, door verweerder ontvangen op 15 januari 2024 en gericht tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen de beschikking van 27 april 2022 met kenmerk [kenmerk 2] , onterecht is omdat verweerder tot 16 januari 2024 de tijd had om op het bezwaar te reageren. Daarover heeft de rechtbank op 23 januari 2025, ROT 24/3989, uitspraak gedaan. Van een ingebrekestelling van 18 januari 2024, zoals eiseres stelt, is de rechtbank niet gebleken en ook eiseres heeft een ingebrekestelling met die datum niet overgelegd, noch een ontvangstbevestiging door verweerder van die ingebrekestelling.
De rechtbank stelt vast dat dit beroep wegens het niet tijdig beslissen op haar bezwaar ziet op de afgewezen dwangsombeschikking waarbij eiseres de rechtbank verzoekt aan verweerder de opdracht te geven een beslissing op dat bezwaar bekend te maken onder verbeurte van een dwangsom.
Volgens vaste jurisprudentie (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2014:1290) kan een (afgewezen) dwangsombesluit of een bezwaar tegen een (afgewezen) dwangsombesluit geen voorwerp zijn van het verbeuren van een dwangsom. Dat betekent dat verweerder niet krachtens artikel 4:17, eerste lid, van de Awb een dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een beslissing op het bezwaar tegen een (afgewezen) dwangsombesluit.
Naar het oordeel van de rechtbank voldoet eiseres daarmee niet aan de vereisten van artikel 4:17 in samenhang gezien met artikel 6:12 van de Awb, zodat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van
A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 april 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.