Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-14
ECLI:NL:RBROT:2025:5215
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
3,444 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/690440 / JE RK 24-2591
Datum uitspraak: 14 januari 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. R.H.P. Feiner, kantoorhoudende in Rotterdam,
[naam vader]
,
hierna te noemen de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
[naam stiefvader]
,
hierna te noemen de stiefvader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 3 december 2024.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 14 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder met haar advocaat;
de stiefvader met advocaat mr. M.S. Krol (waarnemend voor mr. F. Pool);
twee vertegenwoordigers van de GI, [persoon 1] en [persoon 2] .
1.3.
De vader is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader wel juist is opgeroepen.
1.4.
Omdat het verzoek gelijktijdig wordt behandeld met (onder meer) de verzoeken van de GI ten aanzien van [naam 1] en [naam 2] , de zusjes van [minderjarige] , was de moeder van de stiefvader – die in die zaken als informant is aangemerkt – als toehoorder aanwezig.
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij de vader.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 27 februari 2024 [minderjarige] onder toezicht gesteld tot 27 februari 2025.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 19 juni 2024 een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 19 juni 2024 tot 3 juli 2024.
2.5.
Bij beschikking van 28 juni 2024 heeft de kinderrechter in deze rechtbank een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de vader, verleend met ingang van 28 juni 2024 tot 18 september 2024. De behandeling voor het overig verzochte is aangehouden en verwezen naar de meervoudige kamer van deze rechtbank.
2.6.
De meervoudige kamer heeft bij beschikking van 2 september 2024 de machtiging [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de ouder met gezag, zijnde de vader, verlengd tot 17 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, zijnde de vader, te verlengen voor de duur van een jaar.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting haar verzoek en licht het als volgt toe. Het gaat wisselend met [minderjarige] . In het algemeen gaat het goed met haar. [minderjarige] gaat naar school en begint te wennen aan de plek waar zij nu woont. Tegelijkertijd geeft [minderjarige] aan verdrietig te zijn, veel verschillende emoties te voelen en een vol hoofd te hebben. Ook heeft [minderjarige] zorgelijke dingen gedeeld met de GI over de situatie toen zij nog bij de moeder en stiefvader woonde. De GI is daarover met de moeder in gesprek gegaan. De moeder geeft echter aan dat dingen niet kloppen of dat het anders is gegaan dan wat [minderjarige] heeft verteld. De afspraken met de moeder over de omgang met [minderjarige] verlopen niet goed. Er is meerdere keren geprobeerd om een bezoek te organiseren, maar de moeder komt vervolgens niet. Dat is lastig voor [minderjarige] . Zij heeft dan het gevoel dat de moeder haar vergeet. Ook contact via een videobelverbinding komt niet van de grond. Omdat de bezoeken regelmatig niet doorgingen en dit bij [minderjarige] voor onrust zorgde, heeft de GI in september 2024 de omgang tussen [minderjarige] en de moeder stopgezet. Gezien wordt dat dit [minderjarige] rust geeft. Toch vindt de GI (na intern overleg) dat gewerkt moet worden aan herstel van het contact tussen [minderjarige] en de moeder. De GI heeft daarvoor een plan gemaakt. Dit plan moet nog worden besproken met de moeder. Omdat er al enige tijd geen omgang is tussen de moeder, de stiefvader en [minderjarige] heeft de GI geen zicht kunnen krijgen op de opvoedvaardigheden van de moeder en de stiefvader. Dat maakt dat [minderjarige] (nog) niet terug naar de moeder en de stiefvader kan.
In de thuissituatie bij de vader is intensieve hulpverlening vanuit Amarant betrokken. Voor [minderjarige] wordt nog gezocht naar een speltherapeut die op school kan langskomen.
Op vragen van de rechtbank geeft de GI aan dat er op dit moment geen contact is tussen [minderjarige] en haar zusjes.
4De standpunten
4.1.
Namens en door de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. Wel wordt gevraagd om de duur van de kinderbeschermingsmaatregelen ten aanzien van [minderjarige] gelijk te trekken met de maatregelen die gelden voor [naam 2] . Ook wil de moeder een aantal voor haar belangrijke punten naar voren brengen. Eerder was de moeder tevreden met de plaatsing van [minderjarige] bij de vader. Nu heeft de moeder daar toch wat moeite mee. De moeder heeft namelijk een maand geleden een verzoekschrift ontvangen waarin de vader verzoekt om hem eenhoofdig met het gezag over [minderjarige] te belasten. Dat frustreert de moeder.
Het is begrijpelijk dat de GI aangeeft dat zij geen omgang tussen [minderjarige] en de moeder kan vormgeven als de moeder op de geplande momenten niet komt. Het kan echter niet zo zijn dat het contact tussen [minderjarige] en de moeder geheel wordt uitgevlakt. Volgens de GI ligt er een conceptplan voor contactherstel klaar, maar het is nog niet duidelijk wat dit plan concreet inhoudt. De moeder wil graag met [minderjarige] kunnen (video)bellen, eventueel via de moeder van de stiefvader. Het gebrek aan contact met [minderjarige] zorgt voor veel onbegrip en verdriet bij de moeder. [minderjarige] wordt zelfs bij haar zusjes weggehouden.
Morgen start de moeder met een intensief behandeltraject bij Ready for Change, gericht op haar blowgedrag en depressie. Het traject zal acht weken lang duren. De moeder is bereid om alles te doen voor haar kinderen.
4.2.
Namens en door de stiefvader wordt naar voren gebracht dat hij achter het verzoek van de GI staat. Wel wordt opgemerkt dat het op de weg van de GI ligt om het gezinsplan te splitsen in een gezinsplan voor [minderjarige] en een gezinsplan voor [naam 1] en [naam 2] . De vader van [minderjarige] is namelijk geen partij in de zaken over [naam 1] en [naam 2] .
De stiefvader is heel trots op de moeder. De stiefvader is niet tevreden over de betrokken jeugdbeschermers. De stiefvader en de moeder worden niet goed geholpen door de GI.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en dat wat is besproken ter zitting is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de grond voor de ondertoezichtstelling. Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
5.2.
Op 19 juni 2024 is [minderjarige] met spoed uit huis geplaatst, vanwege forse zorgen over de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader. In de stukken wordt gesproken over vermoedens van huiselijk geweld tussen de moeder en de stiefvader. Daarnaast zijn er zorgen over het drugsgebruik van de moeder. [minderjarige] woont sinds 29 juni 2024 bij de vader en dat gaat goed. Zij gaat naar school en begint volgens de GI te wennen aan de plek waar zij woont. Er is ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI om de plaatsing van [minderjarige] bij de vader te verlengen. Alle betrokkenen vinden het in het belang van [minderjarige] dat de huidige plaatsing, bij de vader, wordt gecontinueerd.
5.3.
Ook de rechtbank is van oordeel dat [minderjarige] op dit moment niet terug kan naar de moeder. Daarvoor zijn de zorgen over de thuissituatie bij de moeder en de stiefvader nog te groot. In de beschikking van 2 september 2024 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank reeds overwogen dat het voor de moeder, en daarmee ook voor [minderjarige] , noodzakelijk is dat de moeder een detox programma gaat volgen om te werken aan haar verslavingsproblematiek. Ter zitting wordt duidelijk dat de moeder op 15 januari 2025 zal starten met een behandeltraject van acht weken bij Ready for Change. Het is positief dat de moeder deze stap zet om aan zichzelf te werken. Belangrijk is dat de moeder openheid van zaken geeft aan de GI over het verloop van haar behandeltraject.
5.4.
Ter zitting is ook naar voren gekomen dat er in de afgelopen maanden weinig tot geen contact is geweest tussen [minderjarige] en de moeder. De GI heeft dit contact stopgezet, omdat de moeder de afspraken niet nakwam, wat voor onrust zorgde bij [minderjarige] . Inmiddels heeft de GI een plan gemaakt om aan contactherstel te werken. Dit plan moet zo snel mogelijk worden besproken met de ouders. Daarbij is het van belang dat de afspraken (waar mogelijk) worden afgestemd op het intensieve behandeltraject van de moeder om de uitvoering van het plan meer kans van slagen te geven. Vanzelfsprekend dient het belang van [minderjarige] (ook) met betrekking tot het contact met de moeder voorop te staan.
5.5.
Verder blijkt uit de stukken dat [minderjarige] haar zusjes erg mist. Het is belangrijk dat de GI ook hier aandacht voor heeft en dat alle betrokkenen zich inspannen om contact tussen de zussen mogelijk te maken. Zij hebben recht op en belang bij onderling contact.
5.6.
De rechtbank verlengt de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] tot 17 januari 2026. De rechtbank wijst het overig verzochte over de ondertoezichtstelling af, zodat de duur van deze maatregel gelijk loopt met de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing.
5.7.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 17 januari 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de ouder met gezag, te weten de vader, tot 17 januari 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 14 januari 2025 door mr. A.L Pöll, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. K.T.F. Chocolaad-de Bos en mr. M.P.G. Rietbergen, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier, en op schrift gesteld op 22 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Bedoeld in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:265c, tweede lid, BW.