Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-16
ECLI:NL:RBROT:2025:5202
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,792 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: toewijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] - [nummer 2]
uitspraakdatum: 16 april 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 5 maart 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 5 maart 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 26 maart 2025.
Ter zitting van 26 maart 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker;
mevrouw [persoon A] , werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
mevrouw [persoon B] , werkzaam bij Stichting Woonstad Rotterdam, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster).
Verzoeker heeft ter zitting aanvullende stukken overgelegd.
Namens verzoeker zijn na de zitting, op 1 april 2025, aanvullende stukken overgelegd.
De rechtbank heeft op 3 april 2025 de zaak aangehouden tot 16 april 2025. De rechtbank heeft in dat kader op 3 april 2025 een brief gestuurd naar verzoeker, diens schuldhulpverlener en naar verweerster.
De rechtbank heeft vervolgens namens verzoeker, op 11 april 2025 en op 14 april 2025, aanvullende stukken ontvangen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Verzoeker wenst een oplossing voor zijn schuldenproblematiek. Hij heeft zich daarom gemeld bij schuldhulpverlening. Verzoeker had tot halverwege maart 2025 inkomsten uit loon. Hij werkte bij Randstad en kreeg daar per week betaald. Daarom betaalde hij de huur
soms te laat. Verzoeker is nu op zoek naar een nieuwe baan en ontvangt inmiddels een PW-uitkering. Verzoeker heeft bovendien de huur van de maanden januari 2025 tot en met april 2025 voldaan. Ook zal budgetbeheer worden opgestart. Daarmee wordt gewaarborgd dat de vaste lasten, waaronder de huur, tijdig en volledig worden voldaan.
3Het verweer
Verweerster heeft ter zitting verklaard geen bezwaar te hebben tegen een toewijzing van de voorlopige voorziening, zolang de lopende huurtermijnen worden voldaan. Ook hecht verweerster er belang bij dat verzoeker hulp accepteert. Verzoeker kwam namelijk eerder afspraken niet na en betaalt weliswaar de huur, maar deze wordt door hem vaak te laat betaald.
Beoordeling
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 26 april 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker en een kopie van het exploot van 7 februari 2025 heeft overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 11 maart 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 26 april 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoeker betaalt sinds januari 2025 maandelijks de huur. Verzoeker ontvangt bovendien inmiddels een PW-uitkering. Daarmee heeft hij voldoende inkomsten om de lopende verplichtingen te voldoen. Daarnaast zal budgetbeheer worden opgestart, waardoor ook voldoende aannemelijk is dat de lopende huurtermijnen voortaan tijdig en volledig zullen worden voldaan. Tegen deze achtergrond dient het belang van verzoeker zwaarder te wegen dan het belang van verweerster.
De rechtbank acht termen aanwezig om ter zekerheid van de belangen van verweerster in het dictum een voorwaarde op te nemen. De verzochte voorziening zal onder de in het dictum genoemde voorwaarde worden toegewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- schort de tenuitvoerlegging op van het op 26 april 2023 op verzoek van verweerster uitgesproken vonnis van deze rechtbank tot ontruiming van de huurwoning van verzoeker gelegen aan de [adres] te [woonplaats] ( [postcode] ), voor de duur van deze voorziening en verlengt de huurovereenkomst zoals deze tussen partijen bestaat of bestond voor de duur van deze voorziening;
- bepaalt dat de genoemde voorziening geldt voor de duur van zes maanden vanaf 5 maart 2025;
- bepaalt dat deze voorziening slechts geldt zolang de lopende termijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat schuldhulpverlening die namens verzoeker de buitengerechtelijke schuldregeling gaat uitvoeren, uiterlijk twee weken voor het aflopen van de getroffen voorziening verslag uitbrengt als bedoeld in artikel 287b, zesde lid, Fw;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. Snel-van den Hout, rechter, en in aanwezigheid van mr. T.M.M. de Laat, griffier, in het openbaar uitgesproken op 16 april 2025.