Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-24
ECLI:NL:RBROT:2025:4847
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
858 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1424
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 april 2025 als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak tussen
[eiseres] , uit [plaats] , eiseres,
gemachtigde: mr. N. Kose-Albayrak,
en
Dienst Toeslagen, verweerder.
Procesverloop
Eiseres heeft beroep ingesteld wegens het uitblijven van een besluit op het verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade.
Verweerder heeft op 18 februari 2025 een verweerschrift ingediend.
Overwegingen
De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat zich in deze zaak een van de gevallen voordoet zoals genoemd in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en een zitting daarom niet nodig is.
Verweerder geeft in zijn verweerschrift het volgende aan: “Ouder heeft geen gelijk. Ouder stelt weliswaar in haar beroepschrift dat het voorlopig bezwaarschrift van 06-11-2023 tegen de definitieve compensatiebeschikking van 27-09-2023 dient te worden aangemerkt als een verzoek om aanvullende schadevergoeding, omdat zij daarin heeft verzocht om de kwestie voor te leggen aan de Commissie Werkelijke Schade. Daarmee heeft Ouder echter niet aannemelijk gemaakt dat zij zich op 06-11-2023 daadwerkelijk zelf heeft gemeld bij de Commissie Werkelijke Schade. Aanmelding geschiedt immers door een Verzoekformulier in te vullen en te verzenden naar het juiste adres. Volledigheidshalve verwijs ik naar de website: [URL]. Gemachtigde is hiervan meermaals op de hoogte gesteld. Navraag bij de commissie Werkelijke Schade heeft tot het antwoord geleid dat Ouder bij hen niet bekend is.”
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat er bij de Commissie Werkelijke Schade een verzoek is gedaan tot vergoeding van de werkelijke schade. De rechtbank neemt in haar oordeel mee dat eiseres in haar beroepschrift uiteen heeft gezet dat het voorlopig bezwaarschrift tegen de definitieve compensatiebeschikking aangemerkt dient te worden als een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade. De rechtbank leidt hieruit af dat eiseres zich niet bij de Commissie Werkelijke Schade heeft aangemeld, het voorlopige bezwaarschrift kan niet worden aangemerkt als een verzoek tot vergoeding van de werkelijke schade.
Uit het voorgaande volgt dat het beroep niet voldoet aan de vereisten van artikel 6:12, tweede lid, van de Awb. Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.
Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick, rechter, in aanwezigheid van
A.R. de Groot, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 24 april 2025.
griffier rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan verzet worden gedaan bij de rechtbank. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.