Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-16
ECLI:NL:RBROT:2025:476
Bestuursrecht; Bestuursprocesrecht
Voorlopige voorziening
2,845 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/11355
uitspraak van de voorzieningenrechter van 16 januari 2025 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
(gemachtigde: mr. G.H. Amstelveen),
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
(gemachtigde: mr. M.H. Kazem).
Inleiding
1. Met het bestreden besluit van 5 december 2024 heeft de staatssecretaris verzoekers aanvraag om een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) afgewezen. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft hij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 9 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling
Wat is een VOG?
3. Een VOG is een verklaring waaruit blijkt dat iemands gedrag in het verleden geen bezwaar vormt voor het vervullen van een specifieke taak of functie. Bij de beoordeling van een VOG-aanvraag kijkt de staatssecretaris of iemand strafbare feiten op zijn naam heeft staan die een risico vormen voor die specifieke taak of functie. Het kan dus gebeuren dat iemand die strafbare feiten heeft gepleegd, wel een VOG krijgt voor de ene functie maar niet voor de andere functie.
Waar gaat het in deze zaak om?
4. Verzoeker heeft een VOG aangevraagd voor de functie van leerkracht in opleiding bij de Stichting Islamitisch College in Schiedam.
5. De staatssecretaris heeft het Justitieel Documentatie Systeem (JDS) geraadpleegd. In dit systeem worden alle misdrijven en een groot aantal overtredingen van natuurlijke personen en rechtspersonen geregistreerd. Voor de functie van leerkracht in opleiding geldt in het JDS een terugkijktermijn van vier jaar. Als verzoeker binnen de terugkijktermijn in detentie zat of onder toezicht stond van justitie, dan wordt de terugkijktermijn verlengd met de periode waarin verzoeker in detentie zat of onder toezicht stond.
6. De staatssecretaris heeft geconstateerd dat verzoeker binnen de terugkijktermijn in het JDS voorkomt met een veroordeling voor een geweldsdelict. De staatssecretaris vindt dit delict niet verenigbaar met de functie van leerkracht in opleiding. Vandaar dat de VOG is geweigerd. Verzoeker is het hier niet mee eens. Hij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat er aan hem een VOG wordt verstrekt.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe
7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
8. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een beslissing op zijn bezwaar- of beroepschrift. De voorzieningenrechter moet eerst bepalen of er voldoende spoedeisend belang is voordat de zaak inhoudelijk kan worden beoordeeld.
9. Verzoeker zit in de afrondende fase van zijn studie. Hij heeft een lopende stage bij een basisschool in Schiedam. Die stage mag hij sinds januari 2025 niet voortzetten, omdat hij geen VOG heeft. Daarnaast kan verzoeker zonder VOG in februari 2025 niet starten met zijn afstudeerstage. Hierdoor zou hij niet kunnen afstuderen. De voorzieningenrechter ziet hierin een voldoende spoedeisend belang voor een inhoudelijke beoordeling van de zaak.
Beleidsregels
10. De minister beoordeelt een VOG-aanvraag aan de hand van beleidsregels, de ‘Beleidsregels VOG-NP-RP 2024’. Kort gezegd komen deze regels op het volgende neer:
- als iemand niet voorkomt in het JDS, dan wordt een VOG afgegeven;
- als iemand wel voorkomt in het JDS, dan wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief criterium en een subjectief criterium.
Verzoeker komt voor in het JDS, zodat bij hem moet worden gekeken naar het objectieve en naar het subjectieve criterium.
Objectief criterium
11. Bij het objectieve criterium wordt gekeken naar de volgende vraag:
- is er een risico voor de samenleving
- wanneer dit (of een soortgelijk) strafbaar feit zou worden gepleegd
- door een willekeurig persoon
- in de uitoefening van de activiteit waarvoor de VOG wordt aangevraagd?
Bij het objectieve criterium wordt niet gekeken naar de persoon van verzoeker zelf. Er wordt alleen gekeken of de delicten waarvoor verzoeker is veroordeeld, een risico vormen bij het vervullen van de functie als leerkracht.
De staatssecretaris heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat het strafbare feit waarmee verzoeker voorkomt in het JDS, indien herhaald, een belemmering vormt voor de behoorlijke uitoefening van de functie van leerkracht. Dit betekent dat de afgifte van de VOG in principe wordt geweigerd, tenzij er wordt voldaan aan het subjectieve criterium.
Subjectief criterium
12. Bij het subjectieve criterium wordt gekeken of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving. Hierbij spelen de persoonlijke omstandigheden van verzoeker dus wel een rol. Bij de beoordeling van het subjectieve criterium wordt in ieder geval gekeken naar de afdoening van de strafzaak (lichte of zware straf), het tijdsverloop, de hoeveelheid strafbare feiten en de persoonlijke belangen van verzoeker.
De hoeveelheid strafbare feiten
13. Verzoeker is één keer in aanraking gekomen met politie en justitie, namelijk met het geweldsdelict. De staatssecretaris heeft dit in het voordeel van verzoeker meegewogen.
De afdoening van de strafzaak
14. De rechtbank Rotterdam heeft verzoeker voor dit geweldsdelict veroordeeld tot 383 dagen gevangenisstraf waarvan 300 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, 240 uren taakstraf subsidiair 120 dagen hechtenis en € 4.871,86 schadevergoeding. De 83 dagen onvoorwaardelijke gevangenisstraf staan gelijk aan het aantal dagen dat verzoeker al in voorlopige hechtenis had gezeten.
15. De staatssecretaris stelt zich op het standpunt dat dit geen lichte straf is. Tijdens de zitting heeft de staatssecretaris aangevoerd dat het opleggen van een lage geldboete wordt gezien als een lichte straf. Het opleggen van een gevangenisstraf en taakstraf is volgens de staatssecretaris geen lichte straf. Daarnaast wijst de staatssecretaris erop dat de straf lager is uitgevallen, omdat de strafzaak na meer dan twee jaar is afgedaan (overschrijding van de redelijke termijn).
16. Gelet op de gegeven toelichting ter zitting kan de voorzieningenrechter het standpunt van de staatssecretaris volgen dat er geen sprake is van een lichte straf. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er echter ook geen sprake van een zware straf, mede gezien de aard van het delict en de daarbij volgens de geldende richtlijnen passende straf.
Het tijdsverloop
17. Verzoeker heeft het geweldsdelict gepleegd op 12 juni 2021. De rechtbank Rotterdam heeft hem op 31 oktober 2024 veroordeeld. Voor de terugkijktermijn wordt de datum van de rechterlijke uitspraak als uitgangspunt genomen, tenzij er meer dan twee jaar is verstreken sinds de pleegdatum. In dit geval zit er meer dan twee jaar tussen de pleegdatum en de uitspraak van de rechtbank. Daarom wordt in dit geval de pleegdatum als uitgangspunt genomen.
18. De staatssecretaris gaat uit van een terugkijktermijn van vier jaar en 81 dagen (het aantal dagen dat verzoeker in voorlopige hechtenis heeft gezeten). Dit betekent dat het geweldsdelict vanaf begin september 2025 buiten de terugkijktermijn valt. Verzoeker zou onder de huidige omstandigheden dan wel in aanmerking komen voor een VOG. Er is dus sprake van tijdsverloop en de staatssecretaris heeft dit meegenomen in zijn beoordeling.
Belangenafweging
19. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker één keer voorkomt in het JDS met een (ernstig) geweldsdelict, dat hij daarvoor geen lichte (maar ook geen zware) straf heeft gekregen en dat er sprake is van tijdsverloop. De staatssecretaris heeft tijdens de zitting verklaard dat in de bezwaarprocedure zal worden gekeken naar de terugkijktermijn die op dat moment geldt. Dit betekent dat het tijdsverloop bij het nemen van de beslissing op bezwaar nog verder zal zijn toegenomen.
20.
Conclusie
23. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe, schorst het bestreden besluit en bepaalt dat verzoeker dient te worden behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor de functie van leerkracht in opleiding bij de Stichting Islamitisch College in Schiedam. Deze voorlopige voorziening vervalt twee weken na de bekendmaking van de beslissing op het bezwaar.
24. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, moet de staatssecretaris het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten.
De staatssecretaris moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgen verzoekers een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.
Dictum
De voorzieningenrechter:
- schorst het bestreden besluit;
- bepaalt dat verzoeker wordt behandeld alsof hij in het bezit is van een VOG voor de functie van leerkracht in opleiding bij de Stichting Islamitisch College in Schiedam;
- bepaalt dat deze voorlopige voorziening vervalt twee weken na bekendmaking van de beslissing op het bezwaar;
- bepaalt dat de staatssecretaris het griffierecht van € 187,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt de staatssecretaris tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.M. Goossens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 16 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Verzoeker heeft 83 dagen in voorlopige hechtenis gezeten, maar de staatssecretaris is in het bestreden besluit uitgegaan van 81 dagen.