Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-14
ECLI:NL:RBROT:2025:4642
Bestuursrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,062 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/9331
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 april 2025 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
en
het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. A.J.J. van der Vlist).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor nadeelcompensatie omdat hij vanwege werkzaamheden een aantal maanden twee uur per dag extra heeft moeten werken. Het college heeft de aanvraag van eiser afgewezen omdat niet objectief vast is komen te staan dat eiser schade heeft geleden. Ook als zou komen vast te staan dat eiser wel schade heeft geleden, komt dit niet uit boven het normaal maatschappelijk risico. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiser voor nadeelcompensatie mocht afwijzen. Eiser krijgt dus geen gelijk.
Procesverloop
2. Het college heeft met het besluit van 21 mei 2024 de aanvraag van eiser voor nadeelcompensatie afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 september 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Ook heeft eiser nadere stukken ingebracht.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 7 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van het college en [persoon A] (deskundige, als senior-adviseur werkzaam bij de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (SAOZ)).
Beoordeling
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft een [eenmanszaak] , met een pand aan [adres] [adres] te [plaats] . De eenmanszaak houdt zich onder andere bezig met (internationale) handel in goederen, waarvoor laden en lossen met een vrachtwagen nabij het pand van de eenmanszaak noodzakelijk is.
3.1.
Tijdens de periode van 16 mei 2023 tot ongeveer 30 oktober 2023 heeft er een herinrichting van de [straat 1] plaatsgevonden, waarbij onder andere de weg is opengebroken en de riolering is vernieuwd. Door de werkzaamheden was de [straat 2] , waar eiser gewoonlijk zijn vrachtwagen parkeert om te laden en lossen, niet bereikbaar. Hierdoor moest eiser een langere afstand lopen van de vrachtwagen naar het pand, waardoor eiser naar eigen zeggen in de periode van de werkzaamheden twee uur per dag langer moest werken. Eiser wil hiervoor gecompenseerd worden.
3.2.
Het college heeft naar aanleiding van het verzoek van eiser om gecompenseerd te worden, aan de SAOZ gevraagd om een advies uit te brengen. De SAOZ is een onafhankelijk adviesbureau op het gebied van het bestuursrechtelijk schadevergoedingsrecht. Op 16 april 2024 heeft de SAOZ een definitief advies uitgebracht aan het college. De SAOZ adviseert daarin het college om geen nadeelcompensatie aan eiser toe te kennen omdat objectiveerbare en aan de werkzaamheden toerekenbare onevenredige schade ontbreekt. Met andere woorden: het kan niet objectief worden vastgesteld of eiser door de werkzaamheden (te veel) schade heeft geleden. Eiser zegt (uiteindelijk) dat zijn schade een bedrag van € 39.600,- is. Hij heeft financiële gegevens opgestuurd naar de SAOZ. Uit die gegevens blijkt alleen niet voldoende dat eiser die schade heeft geleden. Ook heeft eiser volgens de SAOZ onvoldoende met bewijsstukken kunnen aantonen dat hij tijdens de werkzaamheden in de periode van 25 mei 2023 tot 30 september 2023 gedurende zeven dagen per week dagelijks twee uur extra heeft gewerkt. Naar aanleiding van het advies van de SAOZ is het verzoek van eiser afgewezen.
3.3.
In het bestreden besluit blijft het college bij de afwijzing van het verzoek van eiser. Ook nadat eiser bezwaar heeft gemaakt, is niet aantoonbaar vast komen te staan dat eiser tijdens de werkzaamheden twee uur extra per dag heeft gewerkt. De deskundige heeft op de hoorzitting in bezwaar op grond van de aanvullende stukken die eiser in bezwaar heeft ingediend, opnieuw beoordeeld of eiser voor een vergoeding in aanmerking komt. Eiser heeft gezegd dat zijn uurloon € 43,30 is. De deskundige heeft met dit uurloon een berekening gemaakt en het college volgt die berekening. De deskundige gaat er bij die berekening van uit dat eiser 110 dagen heeft gewerkt in de 128 dagen durende periode van de werkzaamheden. Als eiser tijdens deze 110 dagen twee uur extra zou hebben gewerkt, zou hij € 9.526,- aan schade hebben geleden. De omzet van het bedrijf van eiser over 2022 (voorgaande boekjaar) is volgens de jaarrekening € 329.984,-. Het college zegt dat een omzetverlies van minder dan 8% van de gemiddelde jaaromzet niet in aanmerking komt voor vergoeding vanwege het normaal maatschappelijk risico. De schade die eiser mogelijk heeft geleden, komt niet uit boven dit normaal maatschappelijk risico (8% van € 329.984,- is € 26.399,-).
Standpunt eiser
4. Eiser vindt dat het college zijn verzoek om nadeelcompensatie niet mocht afwijzen. Het college mag hem niet aanrekenen dat hij geen urenregistratie heeft bijgehouden. Eiser heeft wel bewijs geleverd, maar dit is niet geaccepteerd. Het college zou moeten uitgaan van een uurloon van € 43,30. Het college maakt alleen een beoordeling op basis van papierwerk achter een bureau en heeft de situatie in de praktijk onvoldoende meegenomen. Eiser begrijpt daarnaast niet waarom het college een berekening van het normaal maatschappelijk risico maakt op basis van winst. Een vergelijking met het vorige jaar heeft namelijk niets te maken met het leed en de pijn die eiser tijdens de periode van de werkzaamheden heeft ervaren door de extra uren werk. Het college mocht daarbij niet alleen kijken naar de cijfers van (alleen) boekjaar 2022. Verder zegt eiser dat het college misbruik maakt van zijn macht. Het college zoekt naar fouten in het rapport en misverstanden om eiser niet in het gelijk te hoeven stellen. Eiser betaalt veel belasting en hij heeft door de werkzaamheden veel leed ervaren. Het college had hem een tijdelijke plek om te laden en lossen kunnen aanbieden.
Mocht het college het verzoek van eiser om nadeelcompensatie afwijzen?
5. De rechtbank vindt dat het college het verzoek om nadeelcompensatie mocht afwijzen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Vaststelling van de schade
6.1.
Het college kan een vergoeding toekennen als het college een bevoegdheid of taak voor het algemeen belang uitoefent in overeenstemming met het recht en daarbij schade veroorzaakt. De schade die iemand lijdt moet dan wel boven het normaal maatschappelijk risico uitgaan en de schade moet iemand in vergelijking met anderen onevenredig zwaar treffen. Bij de beoordeling of een vergoeding wordt betaald, moet het college onder andere vaststellen wat de schade is, welke omvang die schade heeft en of de schade is veroorzaakt door (een besluit van) het college. Volgens de hoogste bestuursrechter in dit soort zaken moet de aanvrager van de nadeelcompensatie de schade en de omvang daarvan bewijzen.
6.2.
Het college heeft de SAOZ gevraagd om advies te geven over het verzoek van eiser. De SAOZ is een onafhankelijke deskundige op het gebied van (plan)schade. Voor zover eiser vindt dat het college het rapport van de SAOZ niet mocht gebruiken, is de rechtbank het niet met eiser eens. Het college mag in beginsel uitgaan van een advies dat door de SAOZ is uitgebracht. De rechtbank ziet geen reden voor het oordeel dat het rapport onzorgvuldig is opgesteld, of bijvoorbeeld fouten bevat. Zoals zal blijken uit wat hierna wordt overwogen, is in het rapport uitgegaan van de informatie die eiser heeft aangeleverd. De redenering in het rapport is begrijpelijk en de conclusie volgt uit wat in het rapport is vermeld. Het college heeft daarom mogen verwijzen naar het rapport van de SAOZ.
6.3.
De rechtbank vindt dat het college mocht oordelen dat niet in voldoende mate is aangetoond dat eiser gedurende de periode van de werkzaamheden iedere dag twee uur extra heeft gewerkt. Eiser heeft namelijk geen overzicht van het aantal door hem gewerkte uren gestuurd. De rechtbank realiseert zich dat het niet onlogisch is dat eiser zijn gewerkte uren niet heeft bijgehouden, aangezien eiser een eenmanszaak heeft. Toch moet eiser de schade die hij heeft geleden aannemelijk maken op basis van objectieve(re) gegevens. Als eiser zijn gewerkte uren over meerdere jaren had bijgehouden, had hij bijvoorbeeld kunnen aantonen dat hij gewoonlijk acht uur per dag gedurende zeven dagen per week werkt en dat hij in de periode van de werkzaamheden per dag twee uur langer heeft gewerkt. Eiser heeft aan de SAOZ wel onder andere aangiftes inkomstenbelasting van meerdere jaren gestuurd. Daaruit blijkt alleen onvoldoende wat de door eiser geleden schade is. De deskundige van de SAOZ komt in zijn advies tot de conclusie dat het uurloon op basis van de brutowinst van 2022 € 28,50 zou bedragen. Op basis van die berekening zou eiser € 7.296,- schade hebben geleden (€ 28,50 x 2 uur x 128 dagen). Dit komt niet overeen met de door eiser bij zijn aanvraag en in latere e-mailcorrespondentie genoemde uurlonen (€ 75,- en € 165,-) en de door hem genoemde schadebedragen van € 39.600,- en € 18.000,-. De rechtbank vindt dat het college daarom heeft mogen oordelen dat onvoldoende is vast komen te staan wat de schade van eiser gedurende de periode van de werkzaamheden precies is geweest.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het college geen nadeelcompensatie hoeft te betalen aan eiser. Omdat eiser geen gelijk krijgt, krijgt hij het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Dictum
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.D.F. Oskam, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Eiser gaat daarbij uit van 2 uur extra werktijd per dag tegen een uurloon van € 165,- gedurende 30 dagen per maand en een periode van 4 maanden.
Dit staat in artikel 4:126, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3414.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 16 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3302.
Ervan uitgaande dat eiser, zoals hij stelt, 365 dagen per jaar werkt en werkdagen maakt van 8 uur per dag.
Eiser gaat hierbij uit van 2 uur extra werk per dag tegen een uurloon van € 75,- gedurende 30 dagen per maand en een periode van 4 maanden.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2476.
Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 15 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1650.