Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-18
ECLI:NL:RBROT:2025:4599
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
4,521 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11130239 CV EXPL 24-13731
datum uitspraak: 18 april 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
de rechtspersoon naar buitenlands recht
KLAUS BÖCKER GmbH,
gevestigd te Buxtehude, Duitsland,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het internationale-bevoegdheidsincident,
advocaten mrs. M.R. Ruygvoorn en Q. Schier te Utrecht,
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
COLIMA PROCESSORS S. DE R.L. DE C.V.,
gevestigd te Tecomán, Colima, Mexico,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het internationale-bevoegdheidsincident,
advocaat mr. F.D.P. Nobel te Rotterdam.
Partijen zullen hierna Klaus en Colima genoemd worden.
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het tussenvonnis in het internationale-bevoegdheidsincident van 24 januari 2025 (hierna: het tussenvonnis van 24 januari 2025) alsmede de daaraan ten grondslag liggende processtukken;
de akte uitlaten en overlegging producties van Colima, met producties;
de antwoordakte uitlaten bewijsopdracht van Klaus.
1.2.
Tenslotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling in het internationale-bevoegdheidsincident
Bevoegdheid op grond van artikel 767 Rv (forum arresti)
2.1.
In het tussenvonnis van 24 januari 2025 is de zaak naar de rol verwezen voor uitlating bij akte door Colima als vermeld in r.o. 4.33 van dat vonnis.
2.2.
In r.o. 4.33 van het tussenvonnis van 24 januari 2025, die betrekking heeft op de internationale bevoegdheid van een Duitse rechter op grond van § 23 ZPO (Zivilprozessordnung), heeft de kantonrechter het volgende overwogen:
De kantonrechter kan nog niet geheel uitsluiten (i) dat Colima ook zélf heeft gecontracteerd met Hipp GmbH & Co. Produktion KG en Rabeler Fruchtchips GmbH en, zo ja, (ii) dat er voor Colima uit die contractuele relatie(s) op geld waardeerbare vorderingen op deze Duitse klanten zijn ontstaan en, zo ja, (iii) dat deze vorderingen nog niet (geheel) zijn voldaan. De zaak zal dan ook naar de rol worden verwezen om Colima de gelegenheid te geven zich hierover bij akte nader uit te laten. Van Colima wordt daarbij ook verwacht dat zij het momenteel nog bestaan van deze vorderingen met in het geding te brengen stukken nader onderbouwt.
2.3.
Paragraaf 1 van de hiervoor in 1.1 genoemde akte van Colima heeft als titel “Tussenvonnis”. Deze paragraaf bestaat uit één randnummer, namelijk 1.1. Dit randnummer luidt als volgt:
“Colima heeft kennis genomen van het tussenvonnis van 24 januari 2025. Colima heeft
geen stukken toegestuurd waaruit blijkt dat er in Duitsland vorderingen zijn van Colima op
afnemers gevestigd in Duitsland.”
Klaus heeft hier niets tegenin gebracht, zo volgt uit haar hiervoor in 1.1 genoemde antwoordakte.
2.4.
Het is dus niet komen vast te staan dat Colima vermogen heeft in Duitsland in de zin van § 23 ZPO. Zou Klaus haar vorderingen tegen Colima in Duitsland instellen, dan kan de Duitse rechter dus ook geen bevoegdheid aan § 23 ZPO ontlenen.
2.5.
Dat betekent dat geen van de door Colima aangemerkte wijzen van executie die vermeld staan in r.o. 4.8 van het tussenvonnis van 24 januari 2025 in de weg staan aan bevoegdheid van (de kantonrechter van) deze rechtbank op grond van artikel 767 Rv.
2.6.
Op grond van artikel 767 Rv is (de kantonrechter van) deze rechtbank dus (in beginsel) bevoegd om kennis te nemen van de vorderingen van Klaus.
Het litispendentieverweer van Colima
2.7.
Daarmee komt de kantonrechter toe aan de beoordeling van het subsidiair gevoerde litispendentieverweer van Colima.
2.8.
Colima beroept zich op een aantal nader aangeduide rechterlijke procedures in Mexico. Zij concludeert tot aanhouding van de onderhavige zaak totdat in die Mexicaanse procedures is beslist.
2.9.
Dit litispendentieverweer moet beoordeeld worden aan de hand van artikel 12 Rv, dat deel uitmaakt van het in deze zaak toepasselijke Nederlandse commune internationale bevoegdheidsrecht (zie r.o. 4.2 van het tussenvonnis van 24 januari 2025):
Artikel 12 Rv
Indien een zaak voor een rechter van een vreemde staat aanhangig is gemaakt en daarin een beslissing kan worden gegeven die voor erkenning en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is, kan de Nederlandse rechter bij wie nadien een zaak tussen dezelfde partijen over hetzelfde onderwerp is aangebracht, de behandeling aanhouden totdat daarin door eerstbedoelde rechter is beslist. Indien die beslissing voor erkenning, en, in voorkomend geval, voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar blijkt te zijn, verklaart de Nederlandse rechter zich onbevoegd. Indien het een zaak betreft die bij dagvaarding moet worden ingeleid, is artikel 11 van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12 Rv is in belangrijke mate ontleend aan de litispendentieregeling van artikel 21 EEX-Verdrag (nu artikel 29 Brussel I bis) (MvT Parl. Gesch. Herz. Rv , p. 19). Dit betekent dat de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie over deze bepalingen van belang kan zijn voor de uitleg van artikel 12 Rv.
2.10.
Bij gebreke van een internationale executieregeling, zoals in het geval van rechterlijke beslissingen uit Mexico, is het volgens de Hoge Raad voor de toepasselijkheid van artikel 12 Rv voldoende dat een veroordelende beslissing van de buitenlandse rechter in Nederland voor erkenning vatbaar is (HR 29 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1266). Of die beslissing in Nederland voor erkenning vatbaar is, moet worden beoordeeld aan de hand van de criteria uit het Gazprombank/Bensadon-arrest van de Hoge Raad van 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838. Een beroep op litispendentie in de zin van artikel 12 Rv is dus ook mogelijk bij het ontbreken van een executieregeling.
2.11.
Bij de beantwoording van de vraag of zich een geval van litispendentie voordoet in de zin van artikel 29 Brussel I bis dient de rechter volgens het Hof van Justitie uitsluitend uit te gaan van de aanspraken van de eisende respectievelijk verzoekende partijen in beide procedures en geen rekening te houden met verweermiddelen — van welke aard ook — waarop de verwerende partijen zich kunnen beroepen (HvJ EG 8 mei 2003, C-111/01, ECLI:EU:C:2003:257 (Gantner/Basch)). In het kader van artikel 12 Rv past dezelfde benadering.
2.12.
Colima baseert haar litispendentieverweer (uiteindelijk) op drie rechterlijke procedures in Mexico. De kantonrechter duidt deze procedures op deze plaats - samengevat en/of zakelijk weergegeven - als volgt aan:
Procesverloop
2.13.
Met de litispendentieregeling van artikel 29 Brussel I bis is, evenals met de litispendentieregeling van artikel 12 Rv, beoogd te voorkomen (onder meer) dat er (gelijktijdig) in verschillende landen met elkaar tegenstrijdige uitspraken worden gedaan.
2.14.
Artikel 29 Brussel I bis hanteert als vereiste voor litispendentie niet alleen dat sprake moet zijn van ‘dezelfde partijen’ en van ‘hetzelfde onderwerp’ maar ook van ‘dezelfde oorzaak’. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat deze begrippen autonoom moeten worden uitgelegd. Zie onder andere HvJ 8 december 1987, NJ 1989/420 (Gubisch/Palumbo).
2.15.
Aan het vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ is voldaan indien de vorderingen gegrond zijn op hetzelfde feitencomplex en op dezelfde rechtsregels. Aan het vereiste van ‘hetzelfde onderwerp’ is voldaan indien de vorderingen hetzelfde doel hebben. Zie HvJ 6 december 1994. NJ 1995/659 (Tatry/Maciej Rataj) en HvJ 19 oktober 2017, ECLI:EU:C:2017:771 (Merck/Merck).
2.16.
Anders dan artikel 29 Brussel I bis kent artikel 12 Rv niet bovengenoemd vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ maar uitsluitend de vereisten van ‘dezelfde partijen’ en ‘hetzelfde onderwerp’. De wetgever heeft niet gemotiveerd waarom artikel 12 Rv op dit punt anders luidt dan artikel 21 EEX-verdrag (nu art. 29 Brussel I bis) en evenmin aangegeven of artikel 12 Rv om deze reden anders moet worden toegepast dan die verordenings-/verdrags-bepaling, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie. In het geval voor gerechten van verschillende landen vorderingen zijn ingesteld die ‘hetzelfde onderwerp’ hebben maar gebaseerd zijn op verschillende feitencomplexen en/of rechtsregels, derhalve niet ‘dezelfde oorzaak’ hebben, kunnen deze vorderingen niet leiden tot tegenstrijdige uitspraken. In dat geval bestaat dan ook geen behoefte aan een litispendentieregeling zoals die van artikel 12 Rv. Er mag dan ook van uit worden gegaan dat bovengenoemd vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ ook deel uitmaakt van artikel 12 Rv. Aangezien artikel 12 Rv in belangrijke mate is ontleend aan de litispendentieregeling van artikel 21 EEX-verdrag (nu art. 29 Brussel I bis), mag er bovendien van uit worden gegaan dat dit vereiste van ‘dezelfde oorzaak’ niet is opgegaan in het vereiste ‘hetzelfde onderwerp’ in artikel 12 Rv maar, net zoals in artikel 21 EEX-verdrag (nu art. 29 Brussel I bis), een geheel zelfstandig vereiste is. Zie in dit verband ook het Gazprombank/Bensadon-arrest. In dat arrest zijn de huidige vereisten geformuleerd voor erkenning van een buitenlandse beslissing in de zin van artikel 431 lid 2 Rv. Een van die vereisten luidt: ‘dat de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak [curs.; Kantonrechter] berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.’ Uit artikel 12 Rv volgt, zo is, als gezegd, door de Hoge Raad geoordeeld op 29 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1266), dat ook in het geval van een buitenlandse procedure die leidt tot een beslissing die niet voor tenuitvoerlegging in Nederland vatbaar is toch sprake kan zijn van litispendentie met als gevolg onbevoegdheid van de aangezochte Nederlandse rechter, indien die uitspraak in Nederland erkend kan worden in de zin van artikel 431 lid 2 Rv. Daarom hecht de rechtbank in dit verband belang aan het gegeven dat de Hoge Raad in het Gazprobank/Bensadon-arrest bij de behandeling van de vereisten voor erkenning van een buitenlandse beslissing in de zin van artikel 431 lid 2 Rv de vereisten van ‘hetzelfde onderwerp’ en ‘dezelfde oorzaak’ als verschillende vereisten beschouwt.
2.17.
Hieronder zal de kantonrechter met betrekking tot ieder van de hierboven in r.o. 2.12 bedoelde rechterlijke procedures in Mexico beoordelen of het op die procedure gebaseerde litispendentieverweer slaagt.
(1) Ten aanzien van de Mexicaanse procedure van FPP en Klaus tegen Colima over (onder meer) de terugbetaling van een lening
2.18.
Het gaat hier om een Mexicaanse procedure die aanhangig is gemaakt in 2022, derhalve voorafgaande aan de onderhavige zaak. In deze procedure, met nummer 203/22, is Klaus één van de eisende partijen en Colima de gedaagde partij. Net als de onderhavige zaak speelt deze procedure zich dus af tussen (onder andere) Klaus enerzijds en Colima anderzijds. Aan het ‘dezelfde partijen’-vereiste van artikel 12 Rv is dus voldaan.
2.19.
Tussen partijen is niet in geschil dat Klaus, net zoals FPP, in deze Mexicaanse procedure in ieder geval terugbetaling van Colima vordert van bedragen die aan Colima als lening zijn verstrekt op basis van de Loan Framework Agreement, bij welke overeenkomst deze drie bedrijven alle partij zijn (zie prod. 15 Klaus). In zoverre kan dus niet gezegd worden dat deze Mexicaanse procedure ‘hetzelfde onderwerp’ heeft in de zin van artikel 12 Rv als de onderhavige zaak. In de onderhavige zaak zijn de vorderingen van Klaus immers uitsluitend gebaseerd op de Cooperation Agreement, een andere overeenkomst dan de Loan Framework Agreement.
2.20.
Colima gaat er echter ook nog van uit dat Klaus in de dagvaarding in de Mexicaanse procedure “een oordeel” vraagt “over de Cooperation Agreement”. Zie randnummer 3.18 van de spreekaantekeningen van Colima. De kantonrechter legt dit standpunt van Colima aldus uit dat volgens Colima Klaus haar vordering(en) in de Mexicaanse procedure niet alleen baseert op de Loan Framework Agreement maar ook op de Cooperation Agreement. Het is de kantonrechter voldoende gebleken dat Klaus dit standpunt van Colima betwist.
2.21.
Colima, Klaus en FPP zijn alle ook partij bij de Quadripartite Agreement. In deze overeenkomst zijn zij het volgende overeengekomen:
2.22.
Artikel 5 van de Quadripartite Agreement voorziet in een bepaald verrekeningssyteem. Gezegd zou kunnen worden dat dit verrekeningssysteem leidt tot een bepaalde koppeling van de Cooperation Agreement aan de Financing Agreements, waaronder de Loan Framework Agreement. Het gedeelte van door Klaus gerealiseerde verkoopopbrengsten dat zij op grond van de Cooperation Agreement niet zelf mag behouden maar verschuldigd is aan Colima moet namelijk in mindering worden gebracht op door Colima geleende bedragen die zij op grond van de Loan Framework Agreement gehouden is terug te betalen aan Klaus of FPP.
2.23.
Deze koppeling van de Cooperation Agreement aan de Loan Framework Agreement leidt echter op zichzelf genomen nog niet tot litispendentie in de zin van artikel 12 Rv. Vorderingen die zijn gebaseerd op de Cooperation Agreement, zoals de vorderingen in de onderhavige zaak, hebben namelijk niet hetzelfde onderwerp in de zin van artikel 12 Rv als vorderingen die zijn gebaseerd op de Loan Framework Agreement, zoals de vorderingen in de Mexicaanse procedure.
2.24.
Wat betreft de vorderingen die zij heeft ingesteld in de Mexicaanse procedure verwijst Klaus in haar incidentele conclusie van antwoord naar een e-mailbericht van 11 oktober 2023 van haar Mexicaanse advocaat aan haar advocaat in de onderhavige zaak (prod. 19 Klaus). In dit e-mailbericht worden deze vorderingen van Klaus in de Mexicaanse procedure als volgt omschreven:
Uit dit e-mailbericht volgt op geen enkele wijze dat Klaus aan haar vorderingen in de Mexicaanse procedure de Cooperation Agreement ten grondslag heeft gelegd, zoals wél het geval is in de onderhavige zaak. Colima heeft dit onvoldoende gemotiveerd weersproken.
Conclusie
2.30.
Het gehele litispendentieverweer van Colima faalt dus. Voor het aanhouden van de onderhavige zaak dan wel voor de onbevoegdverklaring van (de kantonrechter van) deze rechtbank bestaat in zoverre dus geen basis.
Conclusie
2.31.
Deze rechtbank, meer concreet: de kantonrechter van deze rechtbank, is dus bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Klaus in het art. 223 Rv-incident en in de hoofdzaak.
2.32.
Daar maakt de kantonrechter echter nog wél de volgende kanttekening bij.
In een voorkomend geval kan de Nederlandse rechter uit proceseconomische overwegingen de zaak aanhouden in verband met een elders lopende procedure. Zo is niet geheel ondenkbaar dat vanwege het hierboven in r.o. 2.22 uiteengezette verrekeningssysteem van artikel 5 van de Quadripartite Agreement het op enig moment de voorkeur verdient om de procesgang in de onderhavige zaak nader af te stemmen op de procesgang in bovengenoemde Mexicaanse procedure betreffende de terugbetaling door Colima van geleende bedragen. Wat hiervan ook verder zij, het gaat hier niet om een verplichting van de Nederlandse rechter maar slechts om een discretionaire bevoegdheid.
Proceskosten in het internationale-bevoegdheidsincident
2.33.
De kantonrechter houdt de beslissing over de proceskosten in het internationale-bevoegdheidsincident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak.
Tot slot
2.34.
De zaak zal naar de rol worden verwezen voor conclusie van antwoord in de door Klaus bij incident ex artikel 223 Rv opgeworpen gebods- en verbodsvordering.
2.35.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verklaart zich bevoegd kennis te nemen van de vorderingen van Klaus in het art. 223 Rv-incident en in de hoofdzaak;
3.2.
houdt de beslissing over de proceskosten in het internationale-bevoegdheidsincident aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak;
3.3.
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 15 mei 2025 11.30 uur voor conclusie van antwoord in het art. 223 Rv-incident;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
463/38671