Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-15
ECLI:NL:RBROT:2025:4391
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
3,747 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 23/7622
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats] , eiser,
(gemachtigde: mr. K. de Bie),
en
[naam verweerder] , verweerder,
(gemachtigde: mr. drs. C.A. de Weerdt).
Samenvatting
Deze uitspraak gaat over de interpretatie en toepassing van artikel 6 van de BWNU 2013. De rechtbank komt tot de conclusie dat er geen recht op aanvulling op de ZW-uitkering bestond op grond van artikel 6, aanhef en onder a, BWNU.
Procesverloop
Met het besluit van 24 februari 2023 heeft verweerder geweigerd eiser in aanmerking te brengen voor een aanvullende (bovenwettelijke) uitkering op grond van de Bovenwettelijke Werkloosheidsregeling Nederlandse Universiteiten (BWNU) voor de periode vanaf
22 augustus 2018 tot 18 augustus 2020.
Wegens niet tijdig beslissen op het bezwaar heeft eiser beroep ingesteld.
Op 22 november 2023 heeft het verweerder alsnog het besluit op bezwaar genomen. Met het besluit van 22 november 2023 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Gelet op de aanvullende beroepsgronden die eiser tegen het alsnog genomen besluit heeft ingediend, is hiervan geen sprake. Het beroep van eiser heeft mede betrekking op dit alsnog genomen besluit.
Verweerder heeft zowel op het beroep wegens het niet tijdig beslissen als op de aanvullende beroepsgronden gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 27 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.
Totstandkoming van het besluit
1. Eiser is van 1 oktober 2011 tot 1 oktober 2013 voor bepaalde tijd in dienst geweest bij verweerder. Per 10 september 2013 is hij ziek geworden en daarna is hij ziek uit dienst gegaan. Daarop aansluitend is aan eiser op 1 oktober 2013 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) vanuit het UWV toegekend. Eiser ontving daarnaast ook van verweerder de aanvullende BWNU-uitkering.
1.1.
Vervolgens is aan eiser vanaf 24 februari 2015 (tot en met 23 november 2016) door het UWV een uitkering op grond van de Werkloosheidwet (WW) toegekend. Eiser ontving daarbij eveneens de aanvullende BWNU-uitkering van verweerder.
1.2.
Eiser heeft zich vanuit de WW-uitkering opnieuw ziekgemeld. Aan hem is door het UWV een ZW-uitkering toegekend voor de periode van 28 augustus 2015 tot en met
26 mei 2017. Hierna ontving eiser wederom een WW-uitkering vanaf 26 mei 2017. Indien er niets in de situatie van eiser zou veranderen, had hij recht op de WW-uitkering tot en met 22 augustus 2018. Bij besluit van 27 juni 2017 is door verweerder de aanvullende BWNU-uitkering van 26 mei 2017 tot en met 22 augustus 2018 toegekend.
1.3.
Eiser heeft zich bij het UWV ziekgemeld en per 23 augustus 2018 ontving hij een ZW-uitkering. Met het primaire besluit heeft verweerder een aanvullende BWNU-uitkering geweigerd, omdat er vanaf 22 augustus 2018 geen recht meer bestaat op een WW-uitkering en daarom op grond van artikel 6, onder a, BWNU er ook geen recht meer bestaat op een aanvullende uitkering.
1.4.
Met het bestreden besluit heeft verweerder zijn standpunt gehandhaafd en het advies van de Adviescommissie voor Klachten en Bezwaarschriften (AKB) van 6 november 2023 aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd.
Beoordeling
Beroep niet tijdig beslissen
2. Omdat verweerder alsnog heeft beslist op 23 november 2023 op het bezwaar is het procesbelang bij het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit komen te vervallen. De rechtbank zal daarom het beroep, voor zover het ziet op het niet-tijdig beslissen, niet-ontvankelijk verklaren.
2.1.
Verweerder heeft op 15 januari 2024 een dwangsombeslissing genomen, waarin aan eiser een dwangsom van € 1.442,- is toegekend. Gelet hierop hoeft de rechtbank de hoogte van de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet vast te stellen.
2.2.
Uit artikel 6:20, derde lid, van de Awb volgt dat het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking heeft op het (alsnog) genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Nu het bezwaar ongegrond is verklaard, zal de rechtbank het beroep van eiser tegen de beslissing op bezwaar beoordelen.
Het toepasselijk recht - overgangsrecht
3. Uit artikel 23c van de BWNU 2013 volgt dat de BWNU-2013 van toepassing blijft op de betrokkene wiens dienstverband is beëindigd voor 1 januari 2014, of de betrokkene wiens dienstverband is beëindigd wegens een reorganisatie, waarvan het reorganisatieplan is vastgesteld voor 1 januari 2014.
3.1.
Uit artikel 23c, eerste lid, van de BWNU 2014 volgt dat de BWNU-2014 van toepassing is de betrokkene met een eerste werkloosheidsdag na 31 december 2013.
3.2.
Nu eisers dienstverband op 1 oktober 2013 is geëindigd, en daarmee is beëindigd voor 1 januari 2014, blijft de BWNU-2013 van toepassing.
De relevante artikelen
4. Uit artikel 4, eerste lid, BWNU volgt dat de betrokkene die recht heeft op een uitkering op grond van de WW, recht heeft op een aanvulling op de WW-uitkering.
4.1.
Uit artikel 6 BWNU (het recht op aanvulling op de ZW-uitkering)
volgt dat de betrokkene die recht op uitkering op grond van de ZW heeft,
a. en die recht op aanvulling op de WW-uitkering of op aansluitende uitkering zou hebben gehad als hij niet ziek was geweest, of;
b. onder toepassing van artikel 46 ZW, terwijl hij laatstelijk voor de ZW verzekerd was op grond van een WW-uitkering waaraan een recht op bovenwettelijke uitkering was verbonden,
recht heeft op aanvulling op de ZW-uitkering.
4.2.
Uit artikel 7, eerste lid, van de BWNU volgt dat de duur van de aanvulling op de ZW-uitkering gelijk is aan de duur van de ZW-uitkering.
Inhoudelijk geschil
5. Partijen zijn verdeeld over de interpretatie en daarmee de toepassing van
artikel 6, onder a, BWNU.
5.1.
Eiser voert in beroep aan dat hij op 22 augustus 2018 zowel recht op WW als recht op ZW had en ingevolge artikel 7, eerste lid, van de BWNU dan ook recht had op een aanvullende uitkering. Eiser had op 22 augustus 2018 recht op een WW-uitkering, waarvan de duur op 23 augustus 2018 is verstreken. Door het UWV is bepaald dat hij vanaf
22 augustus 2018 ziek is, waarmee op grond van artikel 19 ZW het recht op ziekengeld is ontstaan, die op 23 augustus 2018 tot uitbetaling is gekomen. Eiser meent dat het bestreden besluit op bezwaar niet zorgvuldig is voorbereid, niet gedragen wordt door een kenbare en deugdelijke motivering, noch gebaseerd is op een op zijn situatie toegespitste evenredige belangenafweging. Subsidiair beroept eiser zich op de hardheidsclausule. Eiser stelt in dat verband dat als hij zich na het einde van de werkloosheidsuitkering ziek had gemeld op grond van artikel 6, onder b, BWNU, hij wel voor de aanvulling in aanmerking zou zijn gekomen. Dit verschil levert volgens eiser een onbillijkheid van overwegende aard op.
5.2.
Verweerder blijft van oordeel dat de AKB op goede gronden heeft geconcludeerd dat eiser over de periode van 22 augustus 2018 tot 18 augustus 2020 geen aanspraak maakt op een bovenwettelijke aanvulling op zijn ZW-uitkering. De uitkeringsduur van de WW was per 23 augustus 2018 verstreken, hetgeen er toe leidt dat er geen recht op aanvulling op de ZW-uitkering bestond nu het WW-recht was uitgeput. Volgens artikel 6, onder a, BWNU is er vanaf 23 augustus 2018 namelijk geen recht op WW-uitkering die zou worden aangevuld. Het recht op ZW-uitkering vanaf 23 augustus 2018 is op artikel 29, tweede lid, ZW juncto in verbinding met artikel 20, onder b, WW gebaseerd en eveneens niet op artikel 46 ZW. Het bepaalde in artikel 6, onder b, BWNU kan om deze reden volgens verweerder ook geen grond zijn voor aanvulling.
6. De rechtbank stelt vast dat het recht op een BWNU-uitkering afhankelijk is van een recht op een WW-uitkering, in die zin dat er zonder aanspraak op een WW-uitkering geen aanspraak bestaat op een BWNU-uitkering (artikel 4, eerste lid, BWNU). Deze koppeling met een actueel WW-recht is er ook in het hier toepasselijke artikel 6, onder a, BWNU. De rechtbank leidt uit de toelichting bij artikel 6 BWNU af dat een aanvulling op de ZW-uitkering mogelijk is als het WW-recht is geëindigd door de ziekmelding. Nu het recht van eiser op een WW-uitkering per 23 augustus 2018 op grond van artikel 20, eerste lid onder b, WW is verstreken, kan geen sprake meer zijn van een uitkering op grond van de WW aangevuld door de BWNU. Eisers ZW-uitkering is tot stand gekomen op grond van artikel 29, tweede lid, onder d, ZW nu de uitkeringsduur van de WW immers was verstreken. De WW-uitkering is niet geëindigd door de ziekmelding, maar door het bereiken van de maximale duur. Dat betekent dat er geen onderliggende koppeling meer met een WW-recht ligt, waardoor ook de BWNU niet van toepassing is. Het voorgaande leidt ertoe dat op
23 augustus 2018 geen recht op aanvulling bestond. Volgens artikel 6, onder a, BWNU is er op deze datum namelijk geen recht op WW-uitkering die zou worden aangevuld. Dat ten tijde van de eerste ziektedag op 22 augustus 2018 nog wel WW-recht bestond, betekent dus niet dat daarmee (nogmaals) recht ontstond op een aanvulling op de ZW-uitkering voor de duur van 2 jaar.
6.1.
Ten aanzien van het beroep op de hardheidsclausule overweegt de rechtbank het volgende. De hardheidsclausule is neergelegd in artikel 22, vierde lid, van de BWNU en luidt als volgt:
“Indien de toepassing van dit besluit voor de betrokkene tot een onbillijkheid van
overwegende aard leidt, die zich niet zou hebben voorgedaan als dit besluit niet in werking
zou zijn getreden, kan de werkgever besluiten het door deze onbillijkheid voor de
betrokkene ontstane nadeel geheel of gedeeltelijk te compenseren.”
6.2.
In de toelichting op deze bepaling is het volgende vermeld:
“In lid 4 is een hardheidsclausule opgenomen. Hierop kan in principe een beroep worden gedaan door iedere betrokkene die van mening is dat de overgang van WNU naar WW, ZW en dit besluit voor hem tot een onbillijkheid van overwegende aard leidt.
Zo'n onbillijkheid kan bijvoorbeeld zijn het niet verkrijgen van een recht op WW en bovenwettelijke uitkering, terwijl er wel een WNU-recht zou zijn blijven bestaan als de WNU niet was ingetrokken. Door niet precies op elkaar aansluitende regelgeving kan dit zich voordoen bij bepaalde betrokkenen die in het buitenland verblijven.
Voorts kan de hardheidsclausule een oplossing bieden als doorwerking van WW-bepalingen in een bepaald geval een onevenredige uitwerking zou hebben.
Wil een beroep op de hardheidsclausule slagen, dan moet de betrokkene aantonen dat hij benadeeld is en dat er sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard, hetgeen impliceert dat het moet gaan om een aanzienlijke benadeling.
Conclusie
7. Gelet op het voren overwogene dient het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk te worden verklaard. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 22 november 2023 is ongegrond. Dat betekent dat er geen aanleiding is voor vergoeding van griffierecht.
8. Eiser heeft wel recht op vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt voor het instellen van het beroep tegen het uitblijven van een beslissing op bezwaar. Verweerder heeft niet tijdig op het bezwaar beslist. De rechtbank stelt de proceskosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 453,50,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift vanwege het niet tijdig beslissen met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 0,5). De rechtbank past de wegingsfactor ‘licht’ toe, omdat de proceskostenvergoeding alleen wordt toegekend voor het beroepschrift niet-tijdig beslissen waarin het enkel gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen op bezwaar niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Dingemanse, rechter, in aanwezigheid van
mr. M. Damen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 15 april 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie ter vergelijking de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep terzake de BWNU 2014 van
3 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3056.