Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-19
ECLI:NL:RBROT:2025:4336
Civiel recht; Personen- en familierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
7,992 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/693977 / JE RK 25-257
Datum uitspraak: 19 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. J. Oversluizen, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] en [de vader],
hierna te noemen: de moeder en de vader of gezamenlijk de ouders, wonende in [plaats] ;
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 7 februari 2025;
het nagezonden raadsrapport van 26 februari 2025;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 18 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met haar advocaat, voornoemd;
de ouders;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft voorafgaand aan de zitting [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover in het bijzijn van haar advocaat een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan [persoon A] , de meerderjarige zus van [minderjarige] .
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een gesloten groep bij [zorginstelling] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 2 januari 2025 voorlopig onder toezicht gesteld tot 2 april 2025. Ook heeft de kinderrechter bij die beschikking een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 2 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
3.2.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het is goed om te horen dat [minderjarige] aangeeft open te staan voor de hulpverlening en behandeling. Gezien wordt dat de ouders bereid zijn de hulp te accepteren en hiervoor open staan, maar dat de situatie van [minderjarige] ingewikkeld is. Dit maakt dat een ondertoezichtstelling nodig is om het traject verder vorm te kunnen geven. Ook een machtiging gesloten jeugdhulp is nodig om (verder) te onderzoeken waar het perspectief van [minderjarige] ligt en waar [minderjarige] belang bij heeft. De Raad heeft verzocht om een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden, maar deze termijn staat niet vast. De Raad is bereid om hierin mee te bewegen en staat open voor het voorstel van [minderjarige] om de machtiging voor de duur van drie maanden te verlenen en het restant aan te houden.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De GI ziet dat [minderjarige] heel graag wil maar dat dit tegelijkertijd moeilijk voor haar is. Het is onduidelijk wat [minderjarige] precies aankan op het gebied van verantwoordelijkheid en hierbij is begeleiding nodig. [minderjarige] heeft twee keer een intake gehad bij de Fjord. De Fjord kan voor de diagnostiek van [minderjarige] zorg dragen en behandeling hierop aansluiten. [minderjarige] staat op de eerste plek van de wachtlijst. Daarnaast is er onderzoek nodig om te bezien of [minderjarige] een open setting aankan en waar haar perspectief ligt. Daarom is [minderjarige] aangemeld bij het Centrum voor Consultatie en Expertise (hierna CCE). Op voorwaarde dat aan alle administratieve voorwaarden is voldaan, kan dit onderzoek op korte termijn starten. Er is de afgelopen periode veel gebeurd en de focus heeft daarbij voortdurend op het verantwoordelijkheidsgevoel van [minderjarige] gelegen. De GI vraagt zich af of [minderjarige] hierdoor overvraagd is. De GI denkt dat [minderjarige] lang begeleiding behoeft en dat haar perspectief, mede gezien haar leeftijd, zodoende niet meer bij de ouders thuis ligt maar bij begeleid wonen. De GI kan zich ook vinden in het voorstel van [minderjarige] om de machtiging voor drie maanden af te geven en de overige drie maanden aan te houden. Bezien kan dan ook worden of het restant nog noodzakelijk is of dat [minderjarige] mogelijk meer baat heeft bij een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp.
4.2.
De ouders hebben zich ter zitting bij het standpunt van de GI aangesloten. In de afgelopen drie maanden is [minderjarige] helaas betrokken geweest bij verschillende incidenten. Zo is zij twee keer weggelopen en heeft zij gestolen. Dit wijst er volgens de ouders op dat [minderjarige] nog niet helemaal gesetteld is op de groep. Op dit moment mist er diagnostiek en daardoor ook passende behandeling. Herhaaldelijk is de ouders verteld dat de problematiek van [minderjarige] gelegen is in haar gedrag, terwijl de ouders steeds hebben aangegeven dat [minderjarige] vanaf haar geboorte al met impulsiviteit kampt. Het is goed om te horen dat [minderjarige] aangeeft mee te willen werken aan de hulpverlening. Er moet goed gekeken worden naar wat [minderjarige] aankan en of er op dit moment niet te veel van haar gevraagd wordt. De ouders staan achter de begeleiding door De Fjord.
5De mening van [minderjarige]
Door en namens [minderjarige] is ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het gaat, naar omstandigheden, goed met [minderjarige] . Ze moet erg wennen aan de groep en is nog niet op haar plek. [minderjarige] zou graag weer thuis willen wonen maar ziet dit, gezien de situatie, niet (meer) gebeuren. [minderjarige] wil na de zomervakantie graag naar de Vavo om haar diploma te halen en zou op den duur graag zelfstandig met begeleiding willen wonen. Het is voor [minderjarige] belangrijk om te weten waar zij kan gaan verblijven. Temeer nu zij in [datum] 2025 zeventien jaar oud wordt. [minderjarige] vindt het goed dat het CCE is aangevraagd en zij begrijpt dat er tijd nodig is om dit op te starten. [minderjarige] heeft een goed gevoel bij de Fjord en het is daarom fijn dat er gekeken wordt naar de mogelijkheden voor individuele en systemische behandeling daar. [minderjarige] is gemotiveerd om mee te werken en wil graag de kans krijgen om dit te laten zien. Daarnaast wil [minderjarige] leren hoe zij haar impulsiviteit kan controleren en hoe zij weerbaarder kan worden tegen invloeden van buitenaf. De Raad heeft een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden verzocht maar dit vindt [minderjarige] te lang. Daarom verzoekt [minderjarige] om de machtiging uit te spreken voor de duur van drie maanden en het restant aan te houden. Er kan dan na drie maanden bekeken worden of het restant nog nodig is of dat een voorwaardelijke machtiging, mogelijk in samenwerking met de Fjord, volstaat.
Beoordeling
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
6.2.
Er zijn nog steeds ernstige zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . De ziekte van de vader drukt zwaar op het gezin. [minderjarige] kampt met sombere gedachtes, impulsiviteit, middelengebruik en automutilatie en vindt het lastig om haar emoties te uiten. Zij heeft zelfmoordpogingen gedaan. Gezien wordt dat de moeder en de oudere zus van [minderjarige] overbelast zijn nu zij al enkele jaren de zorg voor [minderjarige] en de zorg voor de vader dragen. De complexe problematiek van [minderjarige] in combinatie met het ziektebeeld van de vader maakt dat de grote zorgen al lange tijd de mogelijkheden van de ouders, om zelfstandig de ontwikkelingsbedreigingen voor [minderjarige] weg te nemen, overstijgen. Alles overziend is de kinderrechter het met de betrokkenen eens dat de inzet van een jeugdbeschermer noodzakelijk is om de ontwikkeling van [minderjarige] te volgen, ondersteuning te bieden en om de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] verder in- en voort te kunnen zetten. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar. Hiertegen is door de belanghebbenden ook geen verweer gevoerd.
6.3.
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de machtiging gesloten jeugdhulp
6.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
6.5.
Als gevolg van ernstige zorgen heeft de kinderrechter op 2 januari jl. met spoed een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend. Sindsdien verblijft [minderjarige] op [zorginstelling] en is zij daar enigszins tot rust gekomen. [minderjarige] is gemotiveerd om aan haar problematiek te werken, staat open voor de hulpverlening en heeft meer inzicht gekregen. Zij is haar schoolgang weer aan het opbouwen en heeft ideeën over haar toekomst. De gedragswetenschapper heeft kenbaar gemaakt dat de huidige setting bij [zorginstelling] meer tegemoet komt aan de begeleidings- en begrenzingsbehoefte van [minderjarige] , waardoor haar veiligheid en gezondheid beter gewaarborgd kunnen worden dan binnen open settingen. De komende periode dient te worden gebruikt om te onderzoeken wat de achterliggende en in stand houdende factoren zijn en wat [minderjarige] nodig heeft om toe te werken naar een perspectief. Zij moet leren omgaan met leeftijdsadequate verantwoordelijkheden en vrijheden.
6.6.
Er dient ook diagnostiek plaats te vinden, omdat er geen recente diagnostische gegevens zijn en deze informatie helpend zal zijn voor het vinden van passende hulpverlening en een passende woonplek voor [minderjarige] . [minderjarige] is aangemeld bij het CCE en er wordt gekeken naar behandeling en samenwerking met de Fjord.
6.7.
Gelet op het voorgaande, op de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper en op het feit dat alle betrokkenen het er ter zitting erover eens zijn dat het in het belang van [minderjarige] is om haar verblijf bij [zorginstelling] voor de duur van drie maanden voort te zetten verleent de kinderrechter een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor genoemde duur. Het restant van het verzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen datum.
6.8.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de hierna te noemen zittingsdatum te rapporteren over de laatste stand van zaken, met afschrift aan de belanghebbenden.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, met ingang van 19 maart 2025 tot 19 maart 2026;
7.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 2 april 2025 tot 2 juli 2025;
en alvorens verder te beslissen
7.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de ouders en [minderjarige] en haar advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 23 juni 2025 om 16:00 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;
7.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs;
7.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de ouders, [minderjarige] en haar advocaat.
7.7.
verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de Raad, de ouders en [minderjarige] en haar advocaat) de verzochte stukken te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/693977 / JE RK 25-257
Datum uitspraak: 19 maart 2025
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
gevestigd te Rotterdam, hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [minderjarige] ,
advocaat mr. J. Oversluizen, kantoorhoudende te Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] en [de vader],
hierna te noemen: de moeder en de vader of gezamenlijk de ouders, wonende in [plaats] ;
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam,
hierna te noemen: de GI.
1Het verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen van de Raad van 7 februari 2025;
het nagezonden raadsrapport van 26 februari 2025;
- de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper van 18 maart 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 maart 2025. Daarbij waren aanwezig:
[minderjarige] met haar advocaat, voornoemd;
de ouders;
- een vertegenwoordiger van de Raad, [vertegenwoordiger 1] ;
- een vertegenwoordiger van GI, [vertegenwoordiger 2] .
1.3.
De kinderrechter heeft voorafgaand aan de zitting [minderjarige] naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover in het bijzijn van haar advocaat een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
1.4.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang tot de zitting verleend aan [persoon A] , de meerderjarige zus van [minderjarige] .
Feiten
2.1.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] verblijft op een gesloten groep bij [zorginstelling] .
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [minderjarige] bij beschikking van 2 januari 2025 voorlopig onder toezicht gesteld tot 2 april 2025. Ook heeft de kinderrechter bij die beschikking een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot 2 april 2025.
3Het verzoek
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ook verzoekt de Raad een machtiging te verlenen om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden.
3.2.
De Raad heeft het verzoek ter zitting gehandhaafd en als volgt toegelicht. Het is goed om te horen dat [minderjarige] aangeeft open te staan voor de hulpverlening en behandeling. Gezien wordt dat de ouders bereid zijn de hulp te accepteren en hiervoor open staan, maar dat de situatie van [minderjarige] ingewikkeld is. Dit maakt dat een ondertoezichtstelling nodig is om het traject verder vorm te kunnen geven. Ook een machtiging gesloten jeugdhulp is nodig om (verder) te onderzoeken waar het perspectief van [minderjarige] ligt en waar [minderjarige] belang bij heeft. De Raad heeft verzocht om een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden, maar deze termijn staat niet vast. De Raad is bereid om hierin mee te bewegen en staat open voor het voorstel van [minderjarige] om de machtiging voor de duur van drie maanden te verlenen en het restant aan te houden.
4De standpunten
4.1.
De GI heeft ter zitting het volgende naar voren gebracht. De GI ziet dat [minderjarige] heel graag wil maar dat dit tegelijkertijd moeilijk voor haar is. Het is onduidelijk wat [minderjarige] precies aankan op het gebied van verantwoordelijkheid en hierbij is begeleiding nodig. [minderjarige] heeft twee keer een intake gehad bij de Fjord. De Fjord kan voor de diagnostiek van [minderjarige] zorg dragen en behandeling hierop aansluiten. [minderjarige] staat op de eerste plek van de wachtlijst. Daarnaast is er onderzoek nodig om te bezien of [minderjarige] een open setting aankan en waar haar perspectief ligt. Daarom is [minderjarige] aangemeld bij het Centrum voor Consultatie en Expertise (hierna CCE). Op voorwaarde dat aan alle administratieve voorwaarden is voldaan, kan dit onderzoek op korte termijn starten. Er is de afgelopen periode veel gebeurd en de focus heeft daarbij voortdurend op het verantwoordelijkheidsgevoel van [minderjarige] gelegen. De GI vraagt zich af of [minderjarige] hierdoor overvraagd is. De GI denkt dat [minderjarige] lang begeleiding behoeft en dat haar perspectief, mede gezien haar leeftijd, zodoende niet meer bij de ouders thuis ligt maar bij begeleid wonen. De GI kan zich ook vinden in het voorstel van [minderjarige] om de machtiging voor drie maanden af te geven en de overige drie maanden aan te houden. Bezien kan dan ook worden of het restant nog noodzakelijk is of dat [minderjarige] mogelijk meer baat heeft bij een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp.
4.2.
De ouders hebben zich ter zitting bij het standpunt van de GI aangesloten. In de afgelopen drie maanden is [minderjarige] helaas betrokken geweest bij verschillende incidenten. Zo is zij twee keer weggelopen en heeft zij gestolen. Dit wijst er volgens de ouders op dat [minderjarige] nog niet helemaal gesetteld is op de groep. Op dit moment mist er diagnostiek en daardoor ook passende behandeling. Herhaaldelijk is de ouders verteld dat de problematiek van [minderjarige] gelegen is in haar gedrag, terwijl de ouders steeds hebben aangegeven dat [minderjarige] vanaf haar geboorte al met impulsiviteit kampt. Het is goed om te horen dat [minderjarige] aangeeft mee te willen werken aan de hulpverlening. Er moet goed gekeken worden naar wat [minderjarige] aankan en of er op dit moment niet te veel van haar gevraagd wordt. De ouders staan achter de begeleiding door De Fjord.
5De mening van [minderjarige]
Door en namens [minderjarige] is ter zitting het volgende naar voren gebracht. Het gaat, naar omstandigheden, goed met [minderjarige] . Ze moet erg wennen aan de groep en is nog niet op haar plek. [minderjarige] zou graag weer thuis willen wonen maar ziet dit, gezien de situatie, niet (meer) gebeuren. [minderjarige] wil na de zomervakantie graag naar de Vavo om haar diploma te halen en zou op den duur graag zelfstandig met begeleiding willen wonen. Het is voor [minderjarige] belangrijk om te weten waar zij kan gaan verblijven. Temeer nu zij in [datum] 2025 zeventien jaar oud wordt. [minderjarige] vindt het goed dat het CCE is aangevraagd en zij begrijpt dat er tijd nodig is om dit op te starten. [minderjarige] heeft een goed gevoel bij de Fjord en het is daarom fijn dat er gekeken wordt naar de mogelijkheden voor individuele en systemische behandeling daar. [minderjarige] is gemotiveerd om mee te werken en wil graag de kans krijgen om dit te laten zien. Daarnaast wil [minderjarige] leren hoe zij haar impulsiviteit kan controleren en hoe zij weerbaarder kan worden tegen invloeden van buitenaf. De Raad heeft een machtiging gesloten jeugdhulp voor de duur van zes maanden verzocht maar dit vindt [minderjarige] te lang. Daarom verzoekt [minderjarige] om de machtiging uit te spreken voor de duur van drie maanden en het restant aan te houden. Er kan dan na drie maanden bekeken worden of het restant nog nodig is of dat een voorwaardelijke machtiging, mogelijk in samenwerking met de Fjord, volstaat.
Beoordeling
Ten aanzien van de ondertoezichtstelling
6.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
6.2.
Er zijn nog steeds ernstige zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] . De ziekte van de vader drukt zwaar op het gezin. [minderjarige] kampt met sombere gedachtes, impulsiviteit, middelengebruik en automutilatie en vindt het lastig om haar emoties te uiten. Zij heeft zelfmoordpogingen gedaan. Gezien wordt dat de moeder en de oudere zus van [minderjarige] overbelast zijn nu zij al enkele jaren de zorg voor [minderjarige] en de zorg voor de vader dragen. De complexe problematiek van [minderjarige] in combinatie met het ziektebeeld van de vader maakt dat de grote zorgen al lange tijd de mogelijkheden van de ouders, om zelfstandig de ontwikkelingsbedreigingen voor [minderjarige] weg te nemen, overstijgen. Alles overziend is de kinderrechter het met de betrokkenen eens dat de inzet van een jeugdbeschermer noodzakelijk is om de ontwikkeling van [minderjarige] te volgen, ondersteuning te bieden en om de noodzakelijke hulpverlening voor [minderjarige] verder in- en voort te kunnen zetten. De kinderrechter stelt [minderjarige] daarom onder toezicht voor de duur van een jaar. Hiertegen is door de belanghebbenden ook geen verweer gevoerd.
6.3.
De kinderrechter verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Ten aanzien van de machtiging gesloten jeugdhulp
6.4.
De kinderrechter is ook van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die zij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen.
6.5.
Als gevolg van ernstige zorgen heeft de kinderrechter op 2 januari jl. met spoed een machtiging gesloten jeugdhulp voor [minderjarige] verleend. Sindsdien verblijft [minderjarige] op [zorginstelling] en is zij daar enigszins tot rust gekomen. [minderjarige] is gemotiveerd om aan haar problematiek te werken, staat open voor de hulpverlening en heeft meer inzicht gekregen. Zij is haar schoolgang weer aan het opbouwen en heeft ideeën over haar toekomst. De gedragswetenschapper heeft kenbaar gemaakt dat de huidige setting bij [zorginstelling] meer tegemoet komt aan de begeleidings- en begrenzingsbehoefte van [minderjarige] , waardoor haar veiligheid en gezondheid beter gewaarborgd kunnen worden dan binnen open settingen. De komende periode dient te worden gebruikt om te onderzoeken wat de achterliggende en in stand houdende factoren zijn en wat [minderjarige] nodig heeft om toe te werken naar een perspectief. Zij moet leren omgaan met leeftijdsadequate verantwoordelijkheden en vrijheden.
6.6.
Er dient ook diagnostiek plaats te vinden, omdat er geen recente diagnostische gegevens zijn en deze informatie helpend zal zijn voor het vinden van passende hulpverlening en een passende woonplek voor [minderjarige] . [minderjarige] is aangemeld bij het CCE en er wordt gekeken naar behandeling en samenwerking met de Fjord.
6.7.
Gelet op het voorgaande, op de instemmende verklaring van de gedragswetenschapper en op het feit dat alle betrokkenen het er ter zitting erover eens zijn dat het in het belang van [minderjarige] is om haar verblijf bij [zorginstelling] voor de duur van drie maanden voort te zetten verleent de kinderrechter een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor genoemde duur. Het restant van het verzoek zal worden aangehouden tot de hierna te noemen datum.
6.8.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de hierna te noemen zittingsdatum te rapporteren over de laatste stand van zaken, met afschrift aan de belanghebbenden.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
stelt [minderjarige] onder toezicht van gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd in Rotterdam, met ingang van 19 maart 2025 tot 19 maart 2026;
7.2.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
7.3.
verleent een machtiging om [minderjarige] te doen opnemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van drie maanden, met ingang van 2 april 2025 tot 2 juli 2025;
en alvorens verder te beslissen
7.4.
houdt de behandeling van het verzoek voor het overige aan en roept de Raad, de GI, de ouders en [minderjarige] en haar advocaat op te verschijnen tijdens de zitting van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 23 juni 2025 om 16:00 uur, om nader op het verzoek te worden gehoord;
7.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. A.A.J. de Nijs;
7.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de Raad, de GI, de ouders, [minderjarige] en haar advocaat.
7.7.
verzoekt de GI om uiterlijk een week voor de genoemde datum de kinderrechter (met afschrift aan de Raad, de ouders en [minderjarige] en haar advocaat) de verzochte stukken te doen toekomen.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2025 door mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van S.L. Bulte als griffier, en op schrift gesteld op 2 april 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).