Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-07
ECLI:NL:RBROT:2025:4267
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,126 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 7 januari 2025
[verzoeker 1]
en
[verzoeker 2]
wonende te [woonplaats 1],
verzoekers.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 6 januari 2025 een verzoekschrift ex artikel 287, vierde lid Faillissementswet (hierna: Fw) ingediend waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe Stichting Maasdelta Groep (MDG), gevestigd te Spijkenisse, vertegenwoordigd door GGN Mastering Credit B.V. (hierna: verweerster), te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 9 januari 2020 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen, totdat op het door verzoekers ingediende verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal zijn beslist.
Beoordeling
Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoekers is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoekers een kopie van het exploot van 25 november 2024 hebben overgelegd, waarin wordt aangekondigd dat verweerster op
14 januari 2025 uit kracht van het vonnis van de kantonrechter van 9 januari 2020 zal overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoekers enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat eruit dat zij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het door hen ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw in hun huurwoning kunnen blijven wonen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 9 januari 2020 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Verzoekers staan onder beschermingsbewind en hun vaste lasten worden door hun beschermingsbewindvoerder voldaan. Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling zal bovendien op 19 februari 2025 om 10:50 uur worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of de toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming conform artikel 305 lid 2 Fw.
Naar het oordeel van de rechtbank dient het belang van verzoekers daarom zwaarder te wegen dan het belang van verweerster. De verzochte voorziening zal worden toegewezen totdat op het op 6 januari 2025 ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling is beslist, waarbij in het belang van verweerster zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen gedurende deze periode tijdig worden voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verbiedt verweerster, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, gelegen aan de:
[adres]
[postcode] [woonplaats 2];
- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig worden voldaan;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat in eerste aanleg is beslist op het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling dan wel dat dit verzoek wordt ingetrokken;
- bepaalt dat het op 6 januari 2025 door verzoekers ingediende verzoekschrift tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt behandeld op 19 februari 2025 om 10:50 uur.
Deze beschikking is op 7 januari 2025 gegeven door mr. C.G.E. Prenger, rechter, in aanwezigheid van mr. C. Hulsegge, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende drie maanden na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.