Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-04-04
ECLI:NL:RBROT:2025:4186
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
1,321 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1923
uitspraak van de voorzieningenrechter van 4 april 2025 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit Barendrecht, verzoekster
(gemachtigde: mr. M.S. van Dijk),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen een aan haar opgelegde loonsanctie.
1.1.
Met het primaire besluit van 10 april 2024 heeft het UWV aan verzoekster een loonsanctie opgelegd. Met het bestreden besluit van 12 december 2024 heeft het UWV het bezwaar van verzoekster ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft verzoekster beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening.
1.2.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek als kennelijk ongegrond afwijst, doet zij uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Beoordeling
Spoedeisend belang
2. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Deze procedure kan alleen worden gevoerd als er een spoedeisend belang is, waardoor de beslissing op bewaar of de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter dient eerst te kijken of er sprake is van een spoedeisend belang, voordat de zaak inhoudelijk kan worden behandeld. Concreet betekent dit dat van verzoekster niet kan worden gevergd dat zij de uitspraak op het beroepschrift afwacht.
3. Verzoekster heeft daarover aangevoerd dat de opgelegde loonsanctie een zware en onredelijke financiële last is. Mocht later blijken dat de loonsanctie onrechtmatig was, is het volgens verzoekster lastig om deze kosten terug te vorderen omdat er geen directe verhaalmogelijkheid is tegen het UWV of de werknemer. Een aparte schadeprocedure tegen het UWV zorgt voor vertraging in de bedrijfsvoering door financiële en organisatorische beperkingen. Dit zorgt voor onomkeerbare gevolgen, zowel financieel en organisatorisch als in de verhouding tussen verzoekster en haar werknemer. Daarnaast wordt de WIA-procedure geblokkeerd waardoor de werknemer wordt beperkt in zijn re-integratiemogelijkheden en aanspraak op een WIA-uitkering, en het arbeidsproces stagneert.
4. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het spoedeisend belang onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Op grond van vaste rechtspraak vormt een financieel belang in de regel op zichzelf onvoldoende reden om een voorlopige voorziening te treffen. Dit kan anders zijn, indien aannemelijk is dat verzoekster zal komen te verkeren in een financiële noodsituatie. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster niet aannemelijk gemaakt dat daarvan sprake zal zijn. Een eventueel onrechtmatig opgelegde loonsanctie betekent niet zonder meer dat niet alle schade kan worden vergoed. Verzoekster heeft verder niet met stukken aannemelijk gemaakt dat met de opgelegde loonsanctie sprake zal zijn van een dusdanige onomkeerbare en/of financiële noodsituatie dat de uitspraak in beroep niet kan worden afgewacht. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd verder geen grond voor het oordeel dat een mogelijk stagnerend arbeidsproces zorgt voor een spoedeisend belang.
5. Nu verzoekster geen spoedeisend belang heeft, kan de gevraagde voorziening alleen nog worden getroffen als het besluit van het UWV evident onrechtmatig is. Het UWV heeft in het bestreden besluit een gemotiveerd standpunt ingenomen waarom verzoekster onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De voorzieningenrechter ziet in wat verzoekster heeft aangevoerd geen grond voor het oordeel dat het standpunt van het UWV evident onrechtmatig is.
Conclusie
6. Gelet op wat is aangevoerd ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om nu een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek als kennelijk ongegrond af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter-Rijksen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 april 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zaaknummer ROT 25/690
De wet spreekt ook wel van onverwijlde spoed, artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2021:713.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:4875.
Zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2025:233.