Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-07
ECLI:NL:RBROT:2025:4163
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,383 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11479725 CV EXPL 25-489
datum uitspraak: 7 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting WOONBRON,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: [persoon A] ,
tegen
[gedaagde]
, die handelt onder de naam [handelsnaam],
woonplaats: [woonplaats] ,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Woonbron’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 23 december 2024, met bijlagen;
het mondelinge antwoord.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt vanaf 1 juli 2023 de bedrijfsruimte aan de [adres] in Rotterdam van Woonbron. De huur bedraagt momenteel € 107,84 per maand. Volgens Woonbron is er een huurachterstand van € 216,23. Woonbron eist dat [gedaagde] die huurachterstand betaalt, samen met de wettelijke handelsrente en een vergoeding voor de buitengerechtelijke incassokosten. Daarnaast eist Woonbron dat [gedaagde] € 600,00 aan contractuele boetes aan haar betaalt, omdat [gedaagde] twee keer de huur niet op tijd heeft betaald.
2.2.
De kantonrechter wijst de eis van Woonbron grotendeels toe. Hieronder wordt toegelicht hoe de kantonrechter tot dit oordeel is gekomen.
[gedaagde] moet € 216,23 aan huurachterstand betalen
2.3.
De kantonrechter wijst de gevorderde huurachterstand toe. Hoewel [gedaagde] stelt dat hij alle huurpenningen heeft betaald, heeft hij geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij betalingen aan Woonbron heeft verricht die niet in het overzicht in de dagvaarding zijn meegenomen. De kantonrechter gaat er daarom vanuit dat dit overzicht klopt en dat de huurachterstand tot en met december 2024 € 216,23 bedraagt. [gedaagde] moet dit bedrag aan Woonbron betalen.
[gedaagde] moet € 600,00 aan contractuele boetes betalen
2.4.
In artikel 23.2 van de toepasselijke algemene voorwaarden is een boetebeding opgenomen. Daarin staat dat als de huur niet op tijd wordt betaald, [gedaagde] een direct opeisbare boete van minimaal € 300,00 per maand aan Woonbron verschuldigd is. Woonbron stelt dat [gedaagde] in de periode van augustus 2023 tot en met december 2024 twee keer de huur niet op tijd heeft betaald en heeft in de dagvaarding een overzicht van de data van de betalingen opgenomen. Dit wordt door [gedaagde] niet betwist; [gedaagde] heeft bij antwoord aangegeven dat het kan kloppen dat hij de huur wel eens te laat heeft betaald. De gevorderde contractuele boetes van in totaal € 600,00 (2 x € 300,00) worden daarom toegewezen.
[gedaagde] moet € 48,40 aan buitengerechtelijke incassokosten betalen
2.5.
De gevorderde incassokosten van € 48,40 worden toegewezen, omdat aan alle voorwaarden is voldaan om deze kosten vergoed te krijgen (artikel 6:96 BW).
[gedaagde] hoeft geen rente te betalen
2.6.
De gevorderde rente over de huurachterstand wordt afgewezen. De onder 2.4. besproken contractuele boete heeft het karakter van een (gefixeerde) schadevergoeding. Artikel 6:92 lid 2 BW bepaalt dat de boete in de plaats treedt van een schadevergoeding op grond van de wet. Partijen kunnen afspreken dat boete en schadevergoeding naast elkaar verschuldigd zijn, maar daarvan is niet gebleken. Woonbron kan daarom alleen aanspraak maken op de boete en niet op de rente over de huurachterstand.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.7.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Woonbron moet betalen op € 139,41 aan dagvaardingskosten, € 340,00 aan griffierecht, € 135,00 aan salaris voor de gemachtigde (één punt) en € 67,50 aan nakosten. Dat is in totaal € 681,91. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad
2.8.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Woonbron dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Woonbron te betalen € 864,63;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Woonbron worden begroot op € 681,91;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. van Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
62828