Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-10
ECLI:NL:RBROT:2025:410
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
867 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11150195 CV EXPL 24-14654
datum uitspraak: 10 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiser]
,
woonplaats: [woonplaats 1],
eiser,
die tot 19 september 2024 is bijgestaan door mr. M. Leung en daarna zelf procedeert,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats 2],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘[eiser]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het tussenvonnis van 1 november 2024 en de daarin genoemde stukken.
1.2.
[eiser] heeft, hoewel hij daartoe op de juiste wijze in de gelegenheid is gesteld, niet meer gereageerd op het tussenvonnis en heeft ook geen uitstel gevraagd.
2De verdere beoordeling
2.1.
Centraal staat de vraag of [gedaagde] een bedrag van € 3.860,- met rente en buitengerechtelijke kosten aan [eiser] moet betalen. Volgens [eiser] moet [gedaagde] dat bedrag betalen omdat zij hebben afgesproken dat [gedaagde] de helft van de uitgekeerde waarde van de door [gedaagde] afgesloten kapitaalverzekering aan [eiser] zou betalen. [gedaagde] heeft het bestaan van die afspraak betwist.
2.2.
In het tussenvonnis van 1 november 2024 is geoordeeld dat de afspraak, waar [eiser] zijn eis op baseert, vooralsnog niet vast staat en dat de bewijslast van het bestaan van die afspraak op [eiser] rust. De kantonrechter heeft [eiser] in de gelegenheid gesteld bewijs te leveren.
[eiser] heeft geen bewijs geleverd
2.3.
[eiser] heeft niet meer op het tussenvonnis gereageerd. Dat betekent dat hij geen bewijs heeft geleverd van het bestaan van de door hem gestelde afspraak. Dat leidt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat [eiser] en [gedaagde] met elkaar hebben afgesproken dat [gedaagde] de helft van de uitgekeerde waarde van de kapitaalverzekering aan [eiser] zou betalen.
De eisen van [eiser] worden afgewezen
2.4.
Omdat de afspraak, waarop [eiser] zijn eis baseert, niet is komen vast te staan, bestaat er geen aanleiding [gedaagde] te veroordelen een bedrag van € 3.860,- te betalen. Daarom wordt die eis van [eiser] afgewezen. Dat geldt ook voor de daaraan gekoppelde eis van [eiser] om [gedaagde] te veroordelen om rente en buitengerechtelijke kosten te betalen.
[eiser] moet de proceskosten betalen
2.5.
De proceskosten komen voor rekening van [eiser], omdat hij ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die Doelahkasa aan [gedaagde] moet betalen op € 50,- aan onkosten (artikel 238 lid 1 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de eis van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.C. van der Kolk en in het openbaar uitgesproken.
44487