Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-28
ECLI:NL:RBROT:2025:3978
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,609 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 10965791 CV EXPL 24-6076
datum uitspraak: 28 maart 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
Stichting Havensteder,
vestigingsplaats: Rotterdam,
eiseres,
gemachtigde: Gerechtsdeurwaarderskantoor H.J. Jansen B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Capelle aan den IJssel,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘Havensteder’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 16 februari 2024, met bijlagen;
het antwoord;
de akte van Havensteder van 12 september 2024;
de akte van Havensteder van 16 december 2024.
1.2.
Op 5 maart 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij was aanwezig [persoon A] namens de gemachtigde van Havensteder. [gedaagde] is, hoewel zij daarvoor op de juiste wijze is opgeroepen, zonder bericht, niet verschenen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
[gedaagde] huurt sinds 19 april 2011 de woning aan de [adres] in Capelle aan den IJssel van Havensteder. De huur is nu € 600,19 per maand. Op dit moment is er een huurachterstand. Een groot deel daarvan heeft [gedaagde] na het uitbrengen van de dagvaarding ingelopen. Havensteder heeft om die reden ter zitting te kennen gegeven dat zij de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning intrekt. Zij eist nog wel dat [gedaagde] het restant van de huurachterstand met bijkomende kosten en de lopende huur aan haar betaalt.
Huurachterstand
2.2.
Havensteder heeft ter zitting een recent overzicht van de huurachterstand overgelegd. Uit dat overzicht volgt dat de huurachterstand tot en met maart 2025 € 491,36 is. [gedaagde] heeft de huurachterstand niet weersproken zodat de kantonrechter ervan uitgaat dat deze klopt. [gedaagde] wordt daarom veroordeeld om € 491,36 aan Havensteder te betalen. Zij moet ook vanaf 1 april 2025 de lopende huur van € 600,19 per maand (blijven) betalen aan Havensteder met de verhoging die is toegestaan.
Geen incassokosten
2.3.
De kantonrechter wijst de gevorderde incassokosten af. In de huurvoorwaarden van staan hierover namelijk oneerlijke bepalingen. De bepalingen wijken in het nadeel van de huurder af van de wettelijke regeling (artikel 6:96 BW) of wekken die indruk. Een bepaling die de verhuurder recht geeft op buitengerechtelijke kosten is op zich toegestaan, maar dan moet wel zijn voldaan aan de volgende voorwaarden. De bepaling mag de verhuurder geen recht geven op een hoger bedrag dan is toegestaan op grond van de wet. Wel is toegestaan dat in de bepaling geen bedragen worden genoemd of als voor de hoogte van de vergoeding wordt verwezen naar de wet. De bepaling moet ook niet de indruk wekken dat de verhuurder eerder dan op grond van de wet recht krijgt op een vergoeding. Als er iets staat over het moment waarop de kosten verschuldigd worden, dan moet uit de bepaling dus blijken dat de huurder die vergoeding pas verschuldigd wordt nadat hij nog een kans heeft gekregen om binnen veertien dagen alsnog te betalen. Aan deze voorwaarden is hier niet voldaan. De bepalingen zijn daarom oneerlijk zodat de vergoeding voor incassokosten wordt afgewezen.
Rente
2.4.
De rente wordt toegewezen, omdat Havensteder genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. Daarom zit in het totale bedrag dat [gedaagde] aan Havensteder moet betalen de rente van € 124,04 die Havensteder heeft berekend tot 16 februari 2024.
Ambtshalve toetsing
2.5.
De kantonrechter heeft onderzocht of er nog oneerlijke bepalingen zijn in de huurvoorwaarden, maar die zijn er niet. Daarbij is alleen gekeken naar bepalingen die voor deze zaak van belang zouden kunnen zijn. Bepalingen die voor beoordeling van de eis niet relevant zijn, heeft de kantonrechter dus niet getoetst. Ook is onderzocht of een deel van de eis moet worden afgewezen omdat [gedaagde] onvoldoende of onjuiste informatie heeft gekregen. Dat is niet het geval.
Proceskosten
2.6.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde] , omdat zij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan Havensteder moet betalen op € 135,97 aan dagvaardingskosten, € 496,- aan griffierecht, € 542,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 271,-) en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 1.308,97. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.7.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat Havensteder dat eist en [gedaagde] daar geen bezwaar tegen heeft gemaakt (artikel 233 Rv). Dat betekent dat het vonnis meteen mag worden uitgevoerd, ook als één van de partijen aan een hogere rechter vraagt om de zaak opnieuw te beoordelen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Havensteder te betalen € 615,40 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over € 491,36 vanaf 16 februari 2024 tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] om vanaf 1 april 2025 aan Havensteder € 600,19 per maand te betalen met de verhoging die is toegestaan;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van Havensteder worden begroot op € 1.308,97;
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het anders of meer gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Lablans en in het openbaar uitgesproken.
53954