Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-13
ECLI:NL:RBROT:2025:3788
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
1,450 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer / rekestnummer: C/10/679402 / FA RK 24-3834
Beschikking van 13 maart 2025 over opname van het ouderschapsplan
in de zaak van:
[naam vrouw]
, hierna: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1] ,
advocaat mr. N. Aydogan-Kütük te Rotterdam,
t e g e n
[naam man]
, hierna: de man,
wonende te [woonplaats 2] .
Procesverloop
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 21 mei 2024;
de berichten van de man van 27 en 29 januari 2025 en 11 februari 2025;
het bericht van de vrouw van 4 februari 2025.
1.2.
Beide partijen zien af van een mondelinge behandeling. Gelet op de overeenstemming tussen partijen doet de rechtbank de zaak af op de stukken.
1.3.
De minderjarige is, gelet op haar leeftijd, in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. De minderjarige heeft hier gebruik van gemaakt. Zij heeft op 20 februari 2025 telefonisch met de kinderrechter gesproken.
2De vaststaande feiten
2.1.
Partijen zijn de ouders van de minderjarige:
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2009 te [geboorteplaats] .
2.2.
De minderjarige heeft haar hoofdverblijfplaats bij de vrouw.
2.3.
De vrouw oefent alleen het ouderlijk gezag uit over de minderjarige.
2.4.
Partijen hebben een ouderschapsplan opgesteld, door de man ondertekend op
3 mei 2024 en door de vrouw ondertekend op 14 mei 2024.
Beoordeling
3.1.
Opname van het ouderschapsplan
3.1.1.
De vrouw verzoekt het ouderschapsplan in de beschikking op te nemen.
3.1.2.
De man stemt in met het verzoek.
3.1.3.
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de vrouw alleen het ouderlijk gezag uitoefent over de minderjarige, bestaat er geen wettelijke verplichting tot het opstellen van een ouderschapsplan. De rechtbank ziet desondanks aanleiding de in het ouderschapsplan opgenomen afspraken tussen partijen, analoog aan de wettelijke regeling van artikel 819 Rv, op te nemen in deze beschikking. De wetgever hecht er immers belang aan dat ouders vroegtijdig nadenken over de invulling van het ouderschap na het uiteengaan en dat zij hierover goede afspraken maken, zodat onnodige conflicten nadien worden voorkomen. Partijen hebben er bovendien belang bij dat het door hen opgestelde ouderschapsplan wordt opgenomen in een beschikking, omdat zij daarmee een executoriale titel voor (een deel van) de in het ouderschapsplan neergelegde afspraken verkrijgen. De rechtbank zal het verzoek daarom toewijzen.
3.1.4.
Ten overvloede geeft de rechtbank aan partijen mee dat het niet wenselijk is dat de communicatie tussen partijen via de minderjarige verloopt, met name over financiële zaken. De minderjarige behoort daar niet mee te worden belast, omdat zij dan klem raakt tussen haar ouders en dat acht de rechtbank niet in haar belang. Het is aan partijen om daarover zelf met elkaar te communiceren.
3.2.
Proceskosten
3.2.1.
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
Dictum
De rechtbank:
4.1.
neemt op in deze beschikking de tussen partijen getroffen regelingen als neergelegd in het op door de man op 3 mei 2024 en door de vrouw op 14 mei 2024 ondertekende ouderschapsplan, dat door de griffier is gewaarmerkt en aan deze beschikking gehecht;
4.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
4.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.A. van Egmond, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. E.M. Brito, griffier, op 13 maart 2025.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.