Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-14
ECLI:NL:RBROT:2025:3384
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
992 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
zaaknummer: 11296414 CV EXPL 24-22561
datum uitspraak: 14 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
ASR BASIS ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V., die handelt onder de naam Ik kies zelf van a.s.r.,
vestigingsplaats: Amersfoort,
eiseres,
gemachtigde: mr. H.T.M. Blikman,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Rotterdam,
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘ASR’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 29 augustus 2024, met bijlagen;
het antwoord,
de repliek, met bijlagen;
de dupliek.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
2.1.
[gedaagde] heeft een zorgverzekering bij ASR. Op grond van deze zorgverzekering is hij maandelijks bij vooruitbetaling een premie verschuldigd van € 172,20. [gedaagde] heeft de premie van de maand januari 2024 niet tijdig betaald. Wel heeft [gedaagde] op 2 mei 2024 een bedrag van € 172,20 overgemaakt naar ASR, zonder daarbij te vermelden voor welke maand premie dit bedrag was bedoeld. Dit bedrag heeft ASR aangemerkt als betaling voor de maand april 2024, waarvan de premie ook nog onbetaald was. ASR wil dat [gedaagde] de premie van de maand januari 2024, met kosten en rente betaalt. [gedaagde] heeft na de dagvaarding, op 16 september 2024, een bedrag van € 172,20 aan ASR betaald. ASR heeft daarom haar vordering met dit bedrag verminderd. [gedaagde] is het niet eens met de eis en stelt dat hij met de betaling op 2 mei 2024 de factuur van de maand januari 2024 heeft betaald.
2.2.
De eis van ASR wordt afgewezen. Hieronder wordt toegelicht hoe dit oordeel tot stand is gekomen.
[gedaagde] heeft de premie van de maand januari 2024 betaald
2.2.
[gedaagde] heeft bij de betaling van € 172,20 op 2 mei 2024 niet vermeld voor welke maandpremie deze betaling was bedoeld. Bij gebreke van feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel leiden, wordt deze betaling op grond van artikel 6:43 lid 2 BW toegerekend op de oudste opeisbare verbintenis, dus de premie van de maand januari 2024. ASR voert aan dat zij de betaling van 2 mei 2024 heeft aangemerkt als betaling voor de maand april 2024 omdat zij op het moment van de betaling op 2 mei 2024 de vordering voor de maand januari 2024 al ter incasso had overgedragen. Dit maakt echter niet dat zij van artikel 6:43 BW kan afwijken. Hiermee is vast komen te staan dat [gedaagde] met de betaling van 2 mei 2024 de premie van de maand januari 2024 heeft betaald. Aangezien ASR pas daarna specifiek deze maandpremie heeft gevorderd is [gedaagde] ten onrechte gedagvaard.
Dit betekent dat de door ASR gehandhaafde nevenvorderingen worden afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.3.
ASR wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen (artikel 237 Rv). De kantonrechter stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde] tot vandaag vast op € 50,- aan reis-, verblijf- en verletkosten, omdat [gedaagde] op de rolzittingen van 18 september 2024 en 11 december 2024 is verschenen.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt ASR in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] tot vandaag worden vastgesteld op € 50,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom en in het openbaar uitgesproken.
64039