Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-26
ECLI:NL:RBROT:2025:3378
Civiel recht; Arbeidsrecht
Kort geding
4,071 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11414058 VV EXPL 24-579
datum uitspraak: 26 februari 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
1
[eiser 1],
woonplaats: Rotterdam,
2. [eiser 2],
woonplaats: Rotterdam,
3. [eiser 3],
woonplaats: Rotterdam,
eisers,
gemachtigde: mr. J.W. Dijke,
tegen
1
[gedaagde 1], tot 1 september 2024 vennoot van [gedaagde 5],
woonplaats: Rotterdam,
2. [gedaagde 2], tot 1 september 2024 vennoot van [gedaagde 5],
woonplaats: Rotterdam,
3. [gedaagde 3], tot 1 september 2024 vennoot van [gedaagde 5],
woonplaats: Rotterdam,
4. [gedaagde 4], vennoot van [gedaagde 5],
woonplaats: Brielle,
5. [gedaagde 5],
vestigingsplaats: Rotterdam,
gedaagden,
gemachtigde: mr. L. Nix.
De eisende partijen worden hierna gezamenlijk eisers en afzonderlijk ‘[eiser 1]’, ‘[eiser 2]’ en [eiser 3]’ genoemd. Gedaagde partijen worden hierna gezamenlijk gedaagden en afzonderlijk ‘[gedaagde 1]’, ‘[gedaagde 2]’, ‘[gedaagde 3]’, ‘[gedaagde 4]’ en ‘[gedaagde 5]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 18 december 2024, met bijlagen;
de brief van 23 december 2024 met als bijlage het originele dagvaardingsexploot van 18 december 2024 en de mededeling dat de vordering van [eiser 3] beperkt blijft tot de maanden augustus en september 2024;
het antwoord, met bijlagen;
de spreekaantekeningen van eisers.
1.2.
Op 11 februari 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. Daarbij waren aanwezig:
[eiser 1], [eiser 2], bijgestaan door de tolk [naam] (Russisch) en de gemachtigde die mede namens [eiser 3] verschijnt;
[gedaagde 4] en de gemachtigde, die ook namens de andere gedaagde partijen verschijnt.
Geschil
2.1.
Eisers hadden een arbeidsovereenkomst met gedaagden. Zij werden door gedaagden te werk gesteld op een tankstation dat werd geëxploiteerd door ROG Retail B.V. aan wie ze door gedaagden werden uitgeleend. Vanaf augustus 2024 hebben eisers hun salaris niet meer ontvangen, terwijl zij wel werkzaamheden hebben verricht. Vanaf medio september 2024 hebben eisers geen werkzaamheden meer verricht. ROG Retail B.V. heeft de samenwerking met gedaagden beëindigd. Gedaagden hebben voor eisers geen ander werk. Het feit dat ROG Retail B.V. de samenwerking met gedaagden heeft opgezegd komt voor rekening van gedaagden. De vennoten zijn de gezamenlijke werkgevers van eisers en zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de loonbetaling aan eisers. Het feit dat drie van de vier vennoten zijn uitgetreden uit de vennootschap onder firma maakt niet dat zij niet meer aansprakelijk zijn voor de vorderingen die voortkomen uit de arbeidsovereenkomst van eisers. In deze procedure vorderen eisers het salaris vanaf 1 augustus 2024 tot en met de datum waarop zij hun arbeidsovereenkomst hebben opgezegd in verband met een nieuwe baan, alsmede de wettelijke verhoging en de wettelijke rente daarover. Ook vorderen eisers afgifte van salarisspecificaties over de maanden juli tot en met oktober 2024, op straffe van een dwangsom.
2.2.
[gedaagde 5] verleent sinds haar oprichting in 2002 hoofdzakelijke facilitaire diensten voor tankstations. De bedrijfsleiding was in handen van [gedaagde 1] en [gedaagde 3] en de boekhouding werd verzorgd door [gedaagde 4]. Vanwege een incident in augustus 2024 met een medewerker van gedaagden heeft ROG Retail B.V. de samenwerking zonder opzegtermijn met gedaagden opgezegd. Gedaagden hebben daarom geen werk meer voor haar werknemers en ook geen geld meer om haar werknemers te betalen. [gedaagde 1],
[gedaagde 2] en [gedaagde 3] zijn op 1 september 2024 als vennoot uit [gedaagde 5] getreden en hebben geen invloed meer gehad in het zoeken naar nieuwe opdrachtgevers of het maken van rechtspositionele keuzes ter zake van het personeel. Zij zijn niet aansprakelijk voor schulden jegens personeel die na hun uittreden zijn ontstaan, aldus gedaagden. Gedaagden erkennen dat eisers nog een loonaanspraak hebben, maar volgens hen is dat een lager bedrag dan wat eisers nu vorderen. Gedaagden verzoeken de kantonrechter om het percentage aan wettelijke verhoging te matigen tot 10%, omdat het achterwege blijven van de loonbetalingen uitsluitend en geheel te wijten is aan het wegvallen van de enige opdrachtgever van gedaagden. Zij zijn ook bereid om de loonstroken aan eisers te verstrekken, zodat een dwangsom niet nodig is.
Beoordeling
Juridisch kader in kort geding
3.1.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure niet hoeft af te wachten. Bij die beoordeling is van belang hoe aannemelijk het is dat de eis in een gewone procedure wordt toegewezen. Verder moet het belang dat eisers hebben bij toewijzing van de eis worden meegewogen en de gevolgen hiervan voor gedaagden als deze uitspraak later wordt teruggedraaid.
Spoedeisend belang
3.2.
Gelet op de aard van de vorderingen oordeelt de kantonrechter dat eisers een spoedeisend belang hebben bij hun vordering.
Loonvordering
3.3.
Het is voldoende aannemelijk dat in een bodemprocedure (een deel van) het gevorderde wordt toegewezen. Gedaagden moeten het loon aan eisers betalen vanaf augustus 2024 tot de dag dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Hierna wordt uitgelegd hoe de kantonrechter aan dit oordeel komt.
Hoofdelijke aansprakelijkheid (oud)vennoten
3.4.
Op grond van artikel 18 Wetboek van Koophandel (WvK) zijn de vennoten van de vennootschap onder firma hoofdelijk verbonden voor de schulden van de vennootschap. De aansprakelijkheid van de vennoten strekt zich uit tot alle schulden van de vennootschap ongeacht of zij ontstaan zijn uit overeenkomst, onrechtmatige daad etc. De vennoten zijn hoofdelijk verbonden en zij zijn gehouden voor zover mogelijk dezelfde prestatie te verrichten als de vennootschap verschuldigd was. De uittredende vennoot blijft na zijn uittreden aansprakelijk voor schulden van de vennootschap die zijn ontstaan vóór het uittreden.
3.5.
Aangezien [gedaagde 1], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] pas na 1 september 2024 uit [gedaagde 5] zijn uitgetreden en de arbeidsovereenkomst met eisers vóór 1 september 2024 zijn ontstaan, blijven zij aansprakelijk voor de salarisbetalingen van eisers. Voor een uitzondering op deze regel van artikel 18 WvK op grond van redelijkheid en billijkheid is geen grond. Het verweer van gedaagden dat zij als uittredende vennoten niet aansprakelijk zijn gaat dan ook niet op.
3.6.
Hierna zullen de loonvorderingen van eisers ieder afzonderlijk worden beoordeeld.
Loonvordering van [eiser 1]
3.7.
Op de zitting zijn partijen het erover eens geworden dat [eiser 1] haar dienstverband met ingang van 27 december 2024 heeft opgezegd en dat zij nog recht heeft op loon vanaf 1 augustus 2024 tot die datum. Partijen zijn het ook eens over het loon van augustus 2024 van € 1.100,- bruto exclusief vakantietoeslag en het loon van september 2024 van € 1.248,- bruto exclusief vakantietoeslag. Partijen verschillen echter wel van mening over de arbeidsomvang en de hoogte van het loon vanaf 1 oktober 2024.
Arbeidsomvang
3.8.
[eiser 1] vordert vanaf 1 oktober 2024 een bruto maandsalaris van 173,33 uur per maand. Zij heeft de omvang van de arbeidsovereenkomst vastgesteld aan de hand van de gewerkte uren in de maanden april, mei en juni 2024. Er is voor deze periode gekozen omdat [eiser 1] in de maanden juli en augustus 2024 met vakantie is geweest en in september 2024 niet volledig heeft gewerkt. Een arbeidsomvang van 173,33 uur komt overeen met een bruto maandsalaris van € 2.383,29 exclusief vakantietoeslag. Subsidiair vordert [eiser 1] de overeengekomen contracturen van 16 uur per week.
3.9.
Gedaagden gaan uit van een arbeidsomvang van 130,66 uur, het gemiddelde van april tot en met september 2024. Uit artikel 7:610 b BW volgt dat wanneer een periode onvoldoende representatief is, er voor een langere periode wordt gekozen in plaats van het opschuiven van de driemaandsperiode naar een interval dat volgens gedaagden representatiever is.
3.10.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Op grond van artikel 7:610 b BW wordt de bedongen arbeid in enige maand, indien een arbeidsovereenkomst ten minste drie maanden heeft geduurd, vermoed een omvang te hebben die gelijk is aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden. Partijen zijn het erover eens dat [eiser 1] meer heeft gewerkt dan de overeengekomen contracturen van 16 uur per week. De kantonrechter vindt dat de arbeidsomvang daarmee structureel hoger was dan overeengekomen en dat er voor een langere periode dan de drie laatste maanden die uit artikel 7:610 b BW volgt moet worden gekozen in plaats van het opschuiven van de driemaandsperiode. [eiser 1] heeft namelijk alleen gesteld dat zij in juli en augustus 2024 vakantie heeft gehad en in september 2024 niet heeft gewerkt. Zij heeft geen andere feiten en of omstandigheden gesteld waarom de drie laatste maanden geen representatieve periode zouden zijn. De vakantie van twee maanden van [eiser 1] hoort ook terug te komen in de bepaling van de arbeidsomvang en er is geen reden om die periode op te schuiven. Omdat [eiser 1] in juli en augustus 2024 met vakantie was, ziet de kantonrechter aanleiding om voor een langere periode te kiezen, zoals gesteld door gedaagden. Voor de arbeidsomvang zal daarom het gemiddelde van april tot en met september 2024 worden genomen, te weten 130,66 uur.
3.11.
Over de maanden oktober en november 2024 heeft [eiser 1] dan ook recht op een bruto maandsalaris uitgaande van 130,66 uur per maand, te weten € 1.796,58 bruto (130,66 x € 13,75) exclusief vakantietoeslag. Van 1 tot 27 december 2024 heeft [eiser 1] recht op een bedrag van € 1.506,81 bruto exclusief vakantietoeslag.
Loonvordering van [eiser 2]
3.12.
Op de zitting zijn partijen het erover eens geworden dat [eiser 2] haar dienstverband met ingang van 29 november 2024 heeft opgezegd en dat zij nog recht heeft op loon van 1 augustus 2024 tot die datum. Het gevorderde achterstallige loon van
€ 6.647,85 bruto inclusief vakantietoeslag wordt toegewezen.
Loonvordering van [eiser 3]
3.13.
Op de zitting zijn partijen het erover eens geworden dat [eiser 3] haar dienstverband met ingang van 1 oktober 2024 heeft opgezegd en dat zij nog recht heeft op loon van 1 augustus 2024 tot die datum. Het gevorderde achterstallige loon van € 4.039,20 bruto inclusief vakantietoeslag en het bedrag voor opgebouwde maar niet genoten verlofuren van € 388,33 bruto worden toegewezen.
Wettelijke verhoging
3.14.
Op grond van artikel 7:625 BW heeft een werknemer recht op de wettelijke verhoging vanwege het niet (tijdig) betalen van het loon, indien dit niet voldoen aan de werkgever is toe te rekenen. Gedaagden hebben aangevoerd dat zij financiële problemen hebben en dat dit te wijten is aan het wegvallen van de enige opdrachtgever van gedaagden. In de gegeven omstandigheden ziet de kantonrechter aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen tot 20%.
Wettelijke rente
3.15.
De wettelijke rente wordt toegewezen, omdat eisers genoeg hebben gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en gedaagden dat niet hebben betwist.
Salarisspecificaties
3.16.
Gedaagden hebben erkend dat zij loonstroken moeten verstrekken en zij hebben zich daartoe ook bereid verklaard. De vordering tot afgifte van de loonstroken wordt toegewezen. Gezien de toezegging van gedaagden ziet de kantonrechter geen reden om de dwangsom toe te wijzen. Dit onderdeel van de vordering wordt daarom afgewezen.
Dictum
De kantonrechter:
4.1.
veroordeelt gedaagden, hoofdelijk in die zin dat indien de een betaalt de ander zal zijn bevrijd om aan [eiser 1] te betalen:
€ 1.100,- bruto exclusief 8% vakantietoeslag aan achterstallig loon over de maand augustus 2024; -
€ 1.248,- bruto exclusief 8% vakantietoeslag aan achterstallig loon over de maand september 2024;
€ 1.796,58 bruto exclusief 8% vakantietoeslag aan achterstallig loon over de maand oktober 2024;
€ 1.796,58 bruto exclusief 8% vakantietoeslag aan achterstallig loon over de maand november 2024;
€ 1.506,81 bruto exclusief 8% vakantietoeslag aan achterstallig loon van 1 tot 27 december 2024;
bovenstaande bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% ex artikel 7:625 BW en vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de verschuldigde bedragen telkens vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
4.2.
veroordeelt gedaagden, hoofdelijk in die zin dat indien de een betaalt de ander zal zijn bevrijd om aan [eiser 2] te betalen € 6.647,85 bruto inclusief 8% vakantietoeslag aan achterstallig loon vanaf 1 augustus 2024 tot 29 november 2024, vermeerderd met de wettelijke verhoging van 20% ex artikel 7:625 BW en vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over het verschuldigde bedrag telkens vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
4.3.
veroordeelt gedaagde, hoofdelijk in die zin dat indien de een betaalt de ander zal zijn bevrijd om aan [eiser 3] te betalen:
- € 4.039,20 bruto inclusief 8% vakantietoeslag aan achterstallig loon vanaf 1 augustus 2024 tot en met 30 september 2024;
- € 388,33 bruto inclusief 8% vakantietoeslag aan opgebouwde maar niet genoten verlofuren;
bovenstaande bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 20% ex artikel 7:625 BW en vermeerderd met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de verschuldigde bedragen telkens vanaf de dag van opeisbaarheid tot de dag dat volledig is betaald;
4.4.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk om aan eisers de loonspecificaties vanaf de maand juli 2024 tot en met de maand dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd te verstrekken;
4.5.
veroordeelt gedaagden hoofdelijk in de proceskosten, die aan de kant van eisers worden begroot op € 901,72 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag vanaf de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag dat volledig is betaald;
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.7.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. K.J. Bezuijen en in het openbaar uitgesproken.
821
Tekst & Commentaar bij artikel 18 Wetboek van Koophandel