Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-06
ECLI:NL:RBROT:2025:3002
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Kort geding
2,213 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Dordrecht
zaaknummer: 11440949 VV EXPL 24-97
datum uitspraak: 6 februari 2025
Vonnis in kort geding van de kantonrechter
in de zaak van
Gemeente Dordrecht,
vestigingsplaats: Dordrecht,
eiseres,
gemachtigde: mr. E.A. van der Lugt, Dordrecht,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: Dordrecht,
gedaagde,
gemachtigde: mr. E. de Jong, Rotterdam.
De partijen worden hierna ‘de Gemeente’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 18 december 2024, met bijlagen;
de conclusie van antwoord, met bijlagen;
de aanvullende bijlage van de zijde van de Gemeente;
de pleitnota van mr. E.A. van der Lugt.
1.2.
Op 22 januari 2025 is de zaak tijdens een zitting met partijen besproken. Daarbij waren aanwezig [persoon A] namens de Gemeente, bijgestaan door mr. Van der Lugt, en [gedaagde] , bijgestaan door mr. De Jong. Ook aanwezig waren de moeder en een vriendin van [gedaagde] . Partijen hebben hun standpunten nader toegelicht, mr. Van der Lugt aan de hand van spreekaantekeningen.
Beoordeling
Waar gaat de zaak over?
2.1.
Tussen partijen bestaat een huurrelatie met betrekking tot de standplaats en de woonwagen aan de [adres] te Dordrecht (hierna: het gehuurde). De eis van de Gemeente om [gedaagde] in kort geding te bevelen het gehuurde te verlaten en te ontruimen, wordt afgewezen. Kort gezegd gebeurt dit omdat er geen spoedeisend belang is.
Feiten
2.2.
[gedaagde] huurt, via Woonbron (die voor de Gemeente het beheer van het woonwagenkamp verzorgt) sinds 1 juli 2006 het gehuurde. De Algemene Huurvoorwaarden zijn van toepassing. In artikel 9.3 van de Algemene Huurwaarden staat dat de huurovereenkomst wordt opgezegd en de woning wordt ontruimd als huurder iets doet wat verboden is in de Opiumwet en te maken heeft met drugs.
2.3.
In de BRP staan op het adres van gehuurde vier personen ingeschreven: [gedaagde] , haar partner [naam partner] , zoon [naam zoon 1] (19 jaar) en zoon [naam zoon 2] (15 jaar).
2.4.
In een bestuurlijke rapportage van 27 mei 2024, gericht aan de burgemeester van de Gemeente, bericht de politie dat zij op 24 mei 2024 in het gehuurde onder meer een grote hoeveelheid harddrugs, softdrugs en vuurwapens (alle met scherpe munitie) heeft aangetroffen.
2.5.
Bij beschikking van 6 juni 2024 heeft de burgemeester het gehuurde op grond van artikel 13b Opiumwet en zijn handhavingsbeleid voor de duur van drie maanden gesloten omdat er sprake was van drugshandel in en vanuit de woonwagen waardoor de openbare orde ernstig is verstoord en het woon- en leefklimaat zeer ernstig is aangetast.
De sluiting duurde van 17 juni 2024 tot 17 september 2024. Tegen het besluit van de burgemeester is geen bezwaar gemaakt.
2.6.
Bij brief van 20 augustus 2024 heeft Woonbron de huurovereenkomst met [gedaagde] op grond van artikel 7:231 lid 2 BW buitengerechtelijk ontbonden.
2.7.
Bij e-mailbericht van 30 augustus 2024 heeft de advocaat van [gedaagde] laten weten dat [gedaagde] zich verzet tegen de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
2.8.
Bij e-mailbericht van 23 september 2024 laat de advocaat van de Gemeente weten dat de Gemeente aan [gedaagde] geen laatste kans wil geven. [gedaagde] krijgt nog twee weken om het gehuurde te ontruimen. Daarop laat haar advocaat weten dat [gedaagde] niet berust in de buitengerechtelijke ontbinding van de huurovereenkomst.
De vordering en het verweer
2.9.
De Gemeente eist in kort geding dat [gedaagde] wordt bevolen het gehuurde uiterlijk binnen 14 dagen na betekening van het vonnis te verlaten en te ontruimen. Verder eist de Gemeente veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
De Gemeente stelt dat zij een spoedeisend belang heeft dat volgt uit de aard van de zaak. De Gemeente baseert de gevorderde ontruiming op de omstandigheid dat [gedaagde] zonder recht of titel in het gehuurde verblijft omdat de Gemeente de huurovereenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden op grond van artikel 7:231 lid 2 BW. Het sluitingsbevel van 6 juni 2024 (op grond van artikel 13b van de Opiumwet), rechtvaardigt de buitengerechtelijke ontbinding. Verder stelt de Gemeente zich op het standpunt dat, gelet op de in het gehuurde aangetroffen hoeveelheden drugs en wapens, de buitengerechtelijke ontbinding een proportionele maatregel is.
2.10.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Het meest verstrekkende verweer is dat de Gemeente niet ontvankelijk is in haar vorderingen. De Gemeente heeft geen spoedeisend belang (meer) bij haar vorderingen. Er zijn meer dan zeven maanden verlopen tussen het besluit van de burgemeester en de dagvaarding van de Gemeente. De sluiting was op het moment van dagvaarden drie maanden opgeheven.
Mocht de kantonrechter het daar niet mee eens zijn, dan is volgens [gedaagde] het beroep op de buitengerechtelijke ontbinding van de Gemeente naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid disproportioneel en onaanvaardbaar. Het is volgens haar daarnaast onvoldoende aannemelijk dat de beëindiging van de huurovereenkomst in een bodemprocedure in stand zal blijven.
Het toetsingskader in kort geding
2.11.
Een eis in kort geding kan worden toegewezen als de partij die de voorziening vraagt hierbij zoveel spoed heeft dat die partij de uitkomst van een gewone procedure (de bodemprocedure) niet hoeft af te wachten.
2.12.
De spoed volgt volgens de Gemeente uit de aard van de zaak. [gedaagde] is na de burgemeesterssluiting het gehuurde weer gaan bewonen terwijl de huurovereenkomst was beëindigd. Zij houdt het gehuurde sindsdien zonder recht of titel en maakt daardoor inbreuk op het eigendomsrecht van de Gemeente.
2.13.
Vast staat dat het gehuurde op 17 september 2024 weer is vrijgegeven en dat na dit eindtijdstip van de sluiting vier maanden zijn verlopen, kennelijk zonder (soortgelijke) incidenten in of rondom het gehuurde. In het licht van dat tijdsverloop is zonder duidelijke toelichting niet direct voor de hand liggend dat een onmiddellijke ontruiming van het gehuurde op dit moment noodzakelijk is. De tijdens de mondelinge behandeling gegeven verklaring dat de vertraging is gekomen door de drukke werkzaamheden van een van de collega’s van de gemachtigde van de Gemeente, is daartoe onvoldoende.
Op grond hiervan concludeert de kantonrechter dat geen sprake is van een situatie die zo acuut en ernstig is dat van de Gemeente redelijkerwijs niet kan worden gevergd om de uitkomst van een (nog te starten) bodemprocedure tegen [gedaagde] af te wachten. In de bodemprocedure zal moeten worden beoordeeld of het beroep op artikel 7:231 lid 2 BW in samenhang met artikel 13b Opiumwet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid als onaanvaardbaar moet worden aangemerkt. Daarbij moet de rechter alle relevante omstandigheden in aanmerking nemen en moet een belangenafweging plaatsvinden.
De proceskosten
2.14.
De Gemeente is in deze procedure de in het ongelijk gestelde partij. Zij wordt daarom in de proceskosten veroordeeld (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot deze kosten aan de kant van [gedaagde] op € 543,- aan salaris voor de gemachtigde en € 135,- aan nakosten. Dat is in totaal € 678,-. Hier kan nog een bedrag bij komen als dit vonnis wordt betekend.
Uitvoerbaar bij voorraad
2.15.
Dit vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard (artikel 233 Rv).
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
wijst de vorderingen af;
3.2.
veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 678,-;
3.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.P.M. Jurgens en in het openbaar uitgesproken.
452
artikel 254 lid 1 Rv