Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-28
ECLI:NL:RBROT:2025:2946
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,542 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/691496 / JE RK 24-2739
Datum uitspraak: 28 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een machtiging gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2008 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] ,
advocaat: mr. E. Janse, kantoorhoudende in Rotterdam.
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 20 december 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum;
de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 22 januari 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 28 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [voornaam minderjarige] bijgestaan door zijn advocaat;
- de moeder bijgestaan door haar advocaat;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De kinderrechter heeft bijzondere toegang verleend aan de begeleider van [voornaam minderjarige] van MyPlace, [persoon B] .
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] verblijft bij MyPlace.
2.3.
Bij beschikking van 2 december 2024 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] verlengd tot 9 november 2025. Ook is bij die beschikking een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie voor gesloten jeugdhulp verleend tot 2 februari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt primair een machtiging te verlenen om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van zes maanden en - naar de kinderrechter begrijpt - subsidiair een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige] gaat weinig naar school en komt steeds vaker in aanraking met de politie. Onlangs is hij meegenomen omdat hij geen identiteitskaart bij zich had en in het gezelschap was van een vriend met verboden middelen. De situatie wordt steeds complexer, door incidenten zoals diefstal, vernieling en mishandeling van de moeder. MyPlace heeft [voornaam minderjarige] een termijn van zes weken gegeven om aan specifieke voorwaarden te voldoen, anders wordt een overplaatsing overwogen. Deze voorwaarden betreffen het naar school gaan op maandag, dinsdag en woensdag, het hebben van een bijbaan of stage op donderdag en vrijdag, het naleven van de groepsregels, het meewerken aan een persoonlijkheidsonderzoek en het niet opnieuw in aanraking komen met de politie. Na afloop van deze periode zal worden geëvalueerd in hoeverre [voornaam minderjarige] aan deze voorwaarden heeft voldaan.
4Het standpunt van [voornaam minderjarige]
4.1.
Door en namens [voornaam minderjarige] wordt verweer gevoerd tegen het verzoek. [voornaam minderjarige] begrijpt dat er veranderingen nodig zijn, maar een periode van drie maanden met een tussentijds toetsmoment is het meest logisch. Dit sluit aan bij de door MyPlace gestelde voorwaarden, waarin hij de kans krijgt te bewijzen dat dit de juiste plek voor hem is. [voornaam minderjarige] voelt zich prettig bij MyPlace en wil laten zien dat hij zich aan de afspraken kan houden.
5Het standpunt van de moeder
5.1.
Door en namens de moeder wordt ingestemd met het verzoek.
Beoordeling
6.1.
De kinderrechter is van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten accommodatie noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [voornaam minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. De kinderrechter overweegt het volgende.
6.2.
[voornaam minderjarige] kampt met ernstige hechtings- en emotieregulatieproblematiek. De zorgen zoals omschreven in de beschikking van 2 december 2024 zijn onveranderd aanwezig. MyPlace is een open groep. Met meer kaders en maatregelen om hem te bieden wat hij nodig heeft kan [voornaam minderjarige] op deze groep blijven. Daarvoor is een machtiging voor gesloten jeugdhulp noodzakelijk. Gezien de voortdurende incidenten en [voornaam minderjarige] ’s zelfbepalende gedrag is het van belang dat middelen kunnen worden ingezet als er geen alternatief is om het gedrag te hanteren. [voornaam minderjarige] verblijft inmiddels al enkele jaren bij MyPlace. MyPlace biedt hem de stabiliteit en voorspelbaarheid die hij nodig heeft, maar [voornaam minderjarige] kan hier alleen blijven als hij zich aan de gestelde specifieke voorwaarden houdt. Hij heeft recent zes weken gekregen om daaraan te voldoen. [voornaam minderjarige] heeft aangegeven zich hiervoor te willen inzetten. Vanwege de vele wisselingen van woonplek in het verleden is het in [voornaam minderjarige] ’s belang dat hij bij MyPlace kan blijven en gewerkt kan worden aan zijn problematiek. Hierbij is het van belang dat een persoonlijkheidsonderzoek wordt uitgevoerd om inzicht te verkrijgen in de onderliggende oorzaken van de aanhoudende problemen en het niet succesvol kunnen doorbreken van het gedrag.
6.3.
Gelet op het voorgaande zal de kinderrechter een (nieuwe) machtiging voor gesloten jeugdhulp verlenen, maar voor een kortere duur dan verzocht, te weten voor de duur van drie maanden, om de vinger aan de pols te houden, en de beslissing op het overig verzochte aanhouden.
6.4.
De kinderrechter verzoekt de GI om uiterlijk twee weken voor de hierna te noemen zittingsdatum een rapportage te doen toekomen (met afschrift aan de belanghebbenden) over de stand van zaken en daarbij aan te geven of het overig verzochte wordt gehandhaafd.
6.5.
Nu de verzochte machtiging voor gesloten jeugdhulp is verleend, komt de kinderrechter niet toe aan de beoordeling van het verzoek tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
Dictum
De kinderrechter:
7.1.
verleent een (nieuwe) machtiging om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 28 januari 2025 tot 28 april 2025;
en alvorens verder te beslissen:
7.2.
houdt de beslissing op het verzoek voor het overige aan en roept de GI, [voornaam minderjarige] , mr. E. Janse, de moeder en mr. W.R. Arema op te verschijnen tijdens de mondelinge behandeling op 18 april 2025 te 13:30 uur in het gerechtsgebouw te Rotterdam, Wilhelminaplein 100 / 125;
7.3.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip, behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door mr. G.M. Paling, kinderrechter;
7.4.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproeping van de GI, mr. E. Janse, de moeder en mr. W.R. Arema;
7.5.
gelast de oproeping van [voornaam minderjarige] tegen voormelde zittingsdatum en tijdstip;
7.6.
verzoekt de GI uiterlijk voor 4 april 2025 de door de kinderrechter verzochte rapportage toe te sturen met afschrift aan de belanghebbenden.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025 door mr. G.M. Paling, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 11 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).