Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-22
ECLI:NL:RBROT:2025:2942
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
2,053 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/691690 / JE RK 24-2763
Datum uitspraak: 22 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige]
,
geboren op [geboortedatum] 2007 in [geboorteplaats] ( [geboorteland] ), hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] ,
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in het [naam land] .
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift met bijlagen van de GI van 24 december 2024, binnengekomen bij de rechtbank op dezelfde datum.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 januari 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder bijgestaan door een tolk in de Engelse taal;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
1.3.
De vader is niet verschenen.
1.4.
De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter bijgestaan door een tolk in de Engelse taal. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Feiten
2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
2.2.
[voornaam minderjarige] woont bij zijn moeder.
2.3.
Bij beschikking van 25 januari 2024 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 25 januari 2025.
3Het verzoek
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te verlengen tot 11 juli 2025 (meerderjarigheid). De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI handhaaft ter zitting het verzoek en licht het als volgt toe. [voornaam minderjarige] heeft op Schakenbosch verbleven, waar gesprekken voor hem gepland waren, gevolgd door gesprekken bij de moeder thuis. Dit is niet van de grond gekomen, omdat [voornaam minderjarige] geen motivatie had om deel te nemen. Ook lukt het niet om [voornaam minderjarige] naar school te krijgen. Hulpverlening vanuit Flexible Assertive Community Treatment (hierna: FACT) is aangevraagd, met als doel te beoordelen of onderzoek bij [voornaam minderjarige] noodzakelijk is en wat hem tegenhoudt om deel te nemen aan onderwijs of andere activiteiten. Daarnaast zal worden onderzocht welke begeleiding zowel [voornaam minderjarige] als de moeder nodig hebben. Aangezien [voornaam minderjarige] binnenkort achttien wordt, is er nog een half jaar om hulpverlening in te zetten, die door kan lopen nadat [voornaam minderjarige] achttien jaar is geworden.
4Het standpunt van de moeder
4.1.
De moeder voert verweert tegen het verzoek. In elk rapport wordt vermeld dat er hulpverlening vanuit Youth Coach is, maar de laatste keer dat [voornaam minderjarige] contact had met iemand, was een jaar geleden. Als [voornaam minderjarige] tijdig hulp had gekregen bij zijn schoolgang, was hij niet uitgevallen. Er is gezinstherapie ingezet, maar na twee sessies was het voor de moeder te veel, omdat er veel emoties naar boven kwamen. De moeder had behoefte aan een andere vorm van ondersteuning, die de GI niet kon bieden. Schakenbosch stelde een persoon voor met een islamitische achtergrond, maar [voornaam minderjarige] heeft daar een fobie voor. Na deze ervaringen raakte de moeder op, omdat zij het gevoel had dat niemand zich om de situatie bekommerde. De GI heeft de tijd gehad om hulp in te zetten, maar dit is niet gebeurd. Alles wat er tot nu toe is geregeld, heeft de moeder zelf gedaan. [voornaam minderjarige] staat open voor therapie en sinds vorige week is de moeder actief op zoek naar psychologische hulp voor [voornaam minderjarige] .
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke criteria genoemd in artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
5.2.
[voornaam minderjarige] wordt nog ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. Er zijn zorgen over zijn psychische gesteldheid en zijn sociaal-emotionele ontwikkeling. Het lukt [voornaam minderjarige] niet om naar school te gaan, hij leeft geïsoleerd en heeft geen sociale contacten met leeftijdsgenoten. Deze zorgen werden ook omschreven in de beschikking van 24 januari 2024 en zijn nog steeds aanwezig. De kinderrechter constateert dat de GI de afgelopen periode weinig heeft ingezet. Nu [voornaam minderjarige] bijna volwassen is, is het des te belangrijker dat er zo snel als mogelijk hulpverlening wordt gestart. De GI heeft hulpverlening vanuit FACT aangevraagd, maar het is nog onduidelijk wanneer dit kan beginnen. Als de hulpverlening voor zijn achttiende jaar wordt gestart, kan [voornaam minderjarige] hier ook na zijn achttiende nog van profiteren. Dit is essentieel om te voorkomen dat [voornaam minderjarige] verder afglijdt. Daarnaast is het van belang dat [voornaam minderjarige] gemotiveerd wordt voor een opleiding en/of dagbesteding. De kinderrechter is daarom van oordeel dat de betrokkenheid van een jeugdbeschermer ook de komende maanden nog noodzakelijk is. De ondertoezichtstelling zal daarom worden verlengd tot de meerderjarigheid van [voornaam minderjarige] , te weten tot 11 juli 2025.
5.3.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] tot 11 juli 2025 (meerderjarigheid);
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 januari 2025 door mr. K.J. van den Herik, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 10 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:260, eerste lid, van het BW.