Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-08
ECLI:NL:RBROT:2025:2931
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,763 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummers: C/10/678372 / JE RK 24-925 en C/10/673477 / JE RK 24-262
Datum uitspraak: 8 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter
in de zaken van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam, hierna te noemen: de GI,
en
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. A.F.M. den Hollander, kantoorhoudende in Rotterdam,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 2] ,
[minderjarige 3]
,
geboren op [geboortedatum 3] 2019 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige 3] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam vader]
,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. F. Pool, kantoorhoudende in Rotterdam,
[persoon A] ,
pleegmoeder tevens tante (vaderszijde), hierna te noemen: de tante (vz),
wonende in [woonplaats 3] .
In zijn adviserende en/of toetsende taak is gekend:
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Rotterdam-Dordrecht,
hierna te noemen: de Raad, gevestigd in Rotterdam.
1Het verdere verloop van de procedure
1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
Ten aanzien van C/10/678372 en C/10/673477:
de tussenbeschikking van 18 september 2024 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage van de GI van 20 december 2024;
Ten aanzien van C/10/678372:
- het behandelplan speltherapie voor [voornaam minderjarige 1] van 4 december 2024;
- het behandelplan speltherapie voor [voornaam minderjarige 2] van 4 december 2024;
- Agathos rapportages over de vader van 5 december 2024;
- Agathos rapportages over de moeder van 5 december 2024.
1.2.
Op 8 januari 2025 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder, bijgestaan door haar advocaat
de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
mw. [persoon B] , de meerderjarige dochter van de tante (vz), als informant;
een vertegenwoordiger van de GI, [persoon C] ;
een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon D] .
1.3.
De tante (vz) is niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de tante (vz) wel juist is opgeroepen. De tante (vz) laat zich ter zitting vertegenwoordigen door haar dochter.
Feiten
2.1.
De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] .
2.2.
[voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verblijven bij de tante (vz).
2.3.
Bij beschikking van 18 september 2024 is de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verlengd tot 6 juli 2025. Tevens is bij die beschikking de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] verlengd tot 1 februari 2025. Ook is in die beschikking bepaald dat de voorlopige contactregeling zoals vastgesteld bij beschikking van 27 maart 2024 gehandhaafd blijft.
3De aangehouden verzoeken
Het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/678372
3.1.
De GI heeft oorspronkelijk verzocht de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] te verlengen voor de duur van een jaar. Tevens verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor netwerk-pleegzorg te verlengen voor de duur van een jaar. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.3.2. Er is al deels op het verzoek beslist middels de hierboven genoemde beschikking van 18 september 2024. Nu moet nog beslist worden over de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] voor de periode tot 6 juli 2025.
Het aangehouden verzoek met zaaknummer C/10/673477
3.3.
De moeder verzoekt de schriftelijke afwijzing, althans de weigering van de GI om een besluit te nemen, van 18 januari 2024 vervallen te verklaren, dan wel te vernietigen. Daarnaast verzoekt de moeder tussen haar en de kinderen een omgangsregeling vast te stellen, inhoudende dat de kinderen eens in de week een dag in het weekend onbegeleide omgang met haar hebben bij haar thuis, dan wel een zodanige omgangsregeling vast te leggen tussen haar en de kinderen die de rechtbank passend acht.
3.4.
Bij beschikking van 27 maart 2024 is een voorlopige contactregeling tussen de
ouders en de kinderen vastgesteld. Bij beschikking van 18 september 2024 is bepaald dat deze voorlopige contactregeling gehandhaafd blijft. Een definitieve beslissing op het verzoek van de moeder moet nog genomen worden
4De standpunten
4.1.
De GI handhaaft het resterende deel van het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] te verlengen en licht het als volgt toe. De samenwerking met de vader verloopt goed. Door vertraging in de hulpverlening zijn de stappen tot nu toe langzaam gezet, maar nu kunnen er grotere stappen worden gezet. Het is begrijpelijk dat de vader de kinderen thuis wil hebben, maar er is nog tijd nodig om dit te realiseren. Er wordt wel toegewerkt naar nachtjes logeren bij de vader. Het eerste bezoek bij de vader thuis was oorspronkelijk gepland op 31 december 2024, maar vanwege griep bij de kinderen is dit uitgesteld naar aanstaande dinsdag. Voor wat betreft de hulpverlening: vanwege de lange wachtlijst voor het NIKA-traject wordt er eerst gestart met JeugdProfs. JeugdProfs heeft geen wachtlijst, maar er moet eerst een intake plaatsvinden, die eind januari wordt verwacht. Zodra er plek beschikbaar is voor het NIKA-traject, kan worden beoordeeld of dit nog nodig is.
4.2.
Ten aanzien van de moeder is veel geprobeerd om de bezoeken tot stand te laten komen, maar helaas zijn veel bezoeken niet doorgegaan. De afgelopen twee weken zijn de bezoeken echter wel doorgegaan en het is te hopen dat dit zich voortzet. Er is voorgesteld dat, wanneer de bezoeken goed verlopen, de partner van de moeder ook kan deelnemen, maar de moeder heeft dit afgewezen. De weekendbezoeken zullen de komende periode worden voortgezet. Deze waren eerder al hervat, maar de moeder kon toen niet aanwezig zijn vanwege ziekte. Twee weken later gaf de moeder aan geen begeleide bezoeken meer te willen, omdat zij haar partner erbij wil hebben. Het plan is nu om eerst de begeleide bezoeken met de moeder voort te zetten, waarna de partner kan aansluiten bij de bezoeken thuis.
4.3.
Door en namens de vader wordt verweer gevoerd tegen het verzoek om de machtiging tot uithuisplaatsing voor het resterende deel te verlengen. De vader heeft grote stappen gezet en er is sprake van een goede samenwerking met het pleeggezin. De vader heeft wekelijks contact met de kinderen en dit verloopt goed. De vader werkt drie à vier dagen per week. Gedurende deze werkdagen kan het pleeggezin de kinderen naar school brengen, terwijl de vader de zorg voor de kinderen op zich kan nemen in de rest van de week en in de weekenden. JeugdProfs is nog niet gestart, maar kan ambulant worden ingezet of er kan een andere vorm van opvoedondersteuning worden ingezet. De vader is klaar voor terugplaatsing van zijn kinderen en het Kennis- en Servicecentrum voor Diagnostiek (hierna: KSCD) heeft bevestigd dat zijn basisvaardigheden op orde zijn. Daarom verzoekt de vader primair om afwijzing van verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing. Subsidiair verzoekt hij om een kortere termijn, waarbij de machtiging maximaal drie maanden wordt verlengd zodat de situatie verder gemonitord kan worden.
4.4.
Ten aanzien van het verzoek van de moeder volgt de vader de lijn van de GI, waarbij het tempo van de kinderen leidend moet zijn. Het is aan de GI om te bepalen of de omgang van begeleid naar onbegeleid omgezet kan worden. De vader gunt de kinderen en de moeder contact met elkaar, maar hij vindt het belangrijk dat dit op een zorgvuldige manier gebeurt.
4.5.
Door en namens de moeder wordt geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI. De moeder verzet zich ook niet tegen het feit dat het perspectief van de kinderen bij de vader ligt.
4.6.
Door en namens de moeder wordt haar verzoek om omgang gehandhaafd. Er zou wekelijks omgang zijn op dinsdag voor tweeëneenhalf uur en om het weekend. De moeder heeft de afgelopen tijd meerdere dinsdagbezoeken moeten afzeggen vanwege haar werk. Inmiddels heeft zij vrij kunnen regelen op de dinsdagen, zodat de bezoeken structureel kunnen doorgaan. De duur van de dinsdagbezoeken is teruggebracht door de GI naar anderhalf uur, zodat de moeder het beter kon combineren met haar werk. Aangezien dit probleem is opgelost, verzoekt de moeder om de oorspronkelijke regeling van tweeëneenhalf uur direct weer terug te brengen. Daarnaast gaan de weekendbezoeken steeds niet door, buiten de invloed van de moeder om. De moeder vraagt zich af waarom er niet aan de regeling wordt gehouden, aangezien de omgangsmomenten die wel hebben plaatsgevonden goed verliepen. De moeder wil toewerken naar uitbreiding van de omgang en mogelijkerwijs naar een nachtje slapen bij haar en vanuit haar huis naar school brengen. De moeder verzoekt om een omgangsregeling vast te stellen waarin snel wordt toegewerkt naar onbegeleide bezoeken, met betrokkenheid van haar partner bij de bezoeken, zodat de situatie zich ontwikkelt naar een punt waarop de kinderen ook bij de moeder thuis kunnen komen.
4.7.
De Raad brengt tijdens de mondelinge behandeling naar voren dat het standpunt van de GI om voorzichtig stappen te zetten ondersteund wordt. Er moet ingezet worden op het verder uitbouwen van contact met de vader. Het is ook belangrijk dat er wordt ingezet op structurele omgang tussen de kinderen en de moeder, zodat de kinderen duidelijkheid hebben.
Beoordeling
Ten aanzien van C/10/678372:
5.1.
De verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] is noodzakelijk in het belang van hun verzorging en opvoeding. Uit het rapport van het KSCD blijkt dat het perspectief van de kinderen bij de vader ligt en het is positief dat de moeder ter zitting heeft aangegeven dat zij dit accepteert. Daarnaast is het positief dat de samenwerking tussen de vader en de GI aanzienlijk is verbeterd en dat er goed contact is met het pleeggezin, wat van groot belang is voor de rust van de kinderen. Uit het KSCD-onderzoek is ook gekomen dat opvoedondersteuning voor de vader nodig is. Het NIKA-traject is echter nog niet gestart en het is onduidelijk wanneer dit zal beginnen vanwege de lange wachttijden. JeugdProfs kan daarentegen op korte termijn starten.
5.2.
Aangezien de kinderen lange tijd bij het pleeggezin hebben verbleven en daar goed gehecht zijn, is het in hun belang dat de overgang van de zorg naar de vader zorgvuldig en niet overhaast gebeurt. Daarnaast moet bezien worden in hoeverre het pleeggezin een rol blijft behouden, nu de vader een aantal dagen per week werkt. Gezien dit alles oordeelt de kinderrechter dat de machtiging tot uithuisplaatsing van de kinderen in het pleeggezin een korte duur verlengd moet worden om het ingezette proces doorgang te laten vinden. Voor dit moment is de periode tot 1 juni 2025 passend. De kinderrechter gaat er daarbij vanuit dat de GI het contact tussen de vader en de kinderen op een passende manier verder zal uitbreiden, afgestemd op de ontwikkelingen, zoals de in te zetten hulp, de begeleiding en de draagkracht van de kinderen en het perspectief, te weten dat de kinderen uiteindelijk weer bij de vader zullen gaan wonen.
5.3.
Het nog resterende deel van het verzoek, de periode tot 6 juli 2025, zal worden aangehouden tot de hierna genoemde zittingsdatum.
Ten aanzien van C/10/673477
5.4.
Ten aanzien van de door de moeder verzochte omgangsregeling stelt de kinderrechter vast dat door diverse omstandigheden veel bezoeken niet zijn doorgegaan. Pas de afgelopen periode zijn de bezoeken weer hervat. Dit brengt voor de kinderen onrust, onduidelijkheid en teleurstelling met zich mee; kinderen hebben ook in de omgang behoefte aan structuur, voorspelbaarheid en continuïteit. Ook bestaat er helaas onrust en strijd rond het wel of niet begeleid laten zijn van de omgang en de deelname van de nieuwe partner van de moeder aan de omgang. Gezien het gering aantal omgangsmomenten dat daadwerkelijk heeft plaats gehad, begrijpt de kinderrechter de visie van de GI dat nu eerst de begeleide bezoeken structureel voortgezet moeten worden om zicht te houden op het verloop ervan en op het gedrag en de reactie van de kinderen. Wanneer de begeleide bezoeken op een voor de kinderen goede manier verlopen, kan in alle rust de partner van de moeder bij de bezoeken aansluiten en kunnen de bezoeken uiteindelijk ook onbegeleid gaan plaats vinden. Gezien ook het feit dat de kinderen de afgelopen jaren veel hebben meegemaakt, moet de omgang stap voor stap worden uitgebouwd, onder regie van de GI.
5.5.
Nu ter zitting veel onduidelijk is gebleven rond het verloop van de omgang met de moeder, is de kinderrechter onvoldoende geïnformeerd om hierover nu een definitieve beslissing te nemen. Om die reden blijft de bij beschikking van 27 maart 2024 ten aanzien van de moeder vastgelegde regeling als basisregeling gelden, waarbij het aan de GI is om deze regeling uit te breiden als het belang van de kinderen daaraan niet in de weg staat.
5.6.
De kinderrechter verklaart de beslissingen uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissingen direct gelden, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
Ten aanzien van C/10/678372:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] , [voornaam minderjarige 2] en [voornaam minderjarige 3] in een voorziening voor pleegzorg tot 1 juni 2025;
Ten aanzien van C/10/673477
6.2.
handhaaft de voorlopige contactregeling als basisregeling zoals deze is vastgesteld bij beschikking van 27 maart 2024, waarbij onder regie van de GI uitbreiding kan plaats vinden;
6.3.
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
houdt de behandeling van de verzoeken voor het overige aan en roept de GI, de belanghebbenden en hun advocaten op te verschijnen tijdens de zitting van de rechtbank Rotterdam, locatie Rotterdam, in het gerechtsgebouw aan Wilhelminaplein 100 / 125 te Rotterdam, op 21 mei 2025 om 11:30 uur om nader op de verzoeken te worden gehoord;
6.5.
de zaak zal op genoemde datum en tijdstip behoudens onvoorziene omstandigheden, worden behandeld door A.A.J. de Nijs, kinderrechter;
6.6.
bepaalt dat een afschrift van deze beschikking geldt als oproep voor de zitting voor de GI, de belanghebbenden en hun advocaten;
6.7.
bepaalt dat de GI uiterlijk een week voor de voornoemde zittingsdatum nader zal rapporteren over het verloop van de thuisplaatsing van de kinderen bij de vader en de omgang tussen de moeder en de kinderen, met afschrift aan de belanghebbenden en hun advocaten.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 8 januari 2025 door
mr. A.A.J. de Nijs, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.S.E. Pronk als griffier, en op schrift gesteld op 4 februari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:265c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.