Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-10
ECLI:NL:RBROT:2025:282
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Voorlopige voorziening
2,939 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/10617
uitspraak van de voorzieningenrechter van 10 januari 2025 in de zaak tussen
[naam verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker
en
het Drechtstedenbestuur, het Drechtstedenbestuur
(gemachtigde: [persoon A] ).
Inleiding
1.1.
Met het besluit van 13 november 2024 heeft het Drechtstedenbestuur de aanvraag van verzoeker van 1 oktober 2024 voor bijzondere bijstand voor contactlenzen op grond van de Participatiewet (Pw) ter hoogte van € 299,- ter vergoeding van contactlenzen buiten behandeling gesteld.
1.2.
Met het besluit van 9 december 2024 heeft Drechtstedenbestuur het besluit van 13 november 2024 ingetrokken en verzoeker bijzondere bijstand voor contactlenzen toegekend tot een bedrag van € 100,-.
1.3.
Verzoeker heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
1.4.
Drechtstedenbestuur heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift. Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.
1.5.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 3 januari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, bijgestaan door [persoon B] , en de gemachtigde van Drechtstedenbestuur.
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
2.1.
Verzoeker ontvangt een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande. Verzoeker heeft op 1 oktober 2024 een aanvraag voor bijzondere bijstand ingediend omdat zijn contactlenzen moesten worden vervangen. Op 16 oktober 2024 had verzoeker een afspraak bij de opticien en zijn de contactlenzen besteld. Op 2 november 2024 heeft verzoeker de contactlenzen betaald omdat een besluit uitbleef. Deze betaling heeft verzoeker gedaan met een voorschot dat hij van iemand anders heeft verkregen.
Het Drechtstedenbestuur heeft met het bestreden besluit van 13 november 2024 de aanvraag buiten behandeling gesteld.
Naar aanleiding van het door verzoeker ingediende bezwaarschrift, heeft het Drechtsteden-bestuur een nieuw besluit genomen op 9 december 2024. In dit besluit heeft het Drechtstedenbestuur het eerdere besluit van 13 november 2024 ingetrokken en aan verzoeker naar aanleiding van zijn aanvraag van 1 oktober 2024 € 100,- bijzondere bijstand toegekend voor de aanschaf van de contactlenzen. Dit bedrag is volgens het Drechtstedenbestuur de maximale vergoeding zoals opgenomen in de Beleidsregels minima Drechtsteden.
2.2.
Verzoeker is het daar niet mee eens. Verzoeker voert aan dat het besluit niet onderbouwd is en dat hij na drie jaar recht heeft op driemaal honderd euro en dat hij dat bedrag ook daadwerkelijk nodig heeft voor de vervanging van zijn contactlenzen.
Verzoeker kan het volledige bedrag voor de aanschaf van de contactlenzen gelet op zijn (financiële) situatie niet betalen. Het Drechtstedenbestuur handelt volgens verzoeker willekeurig. Eerst is er niets mogelijk, maar op het moment dat verzoeker een verzoek om een voorlopige voorziening indient, volgt een andere besluitvorming waarbij € 100,- wordt toegekend. Verzoeker vindt dat het Drechtstedenbestuur hem had moeten informeren over het buitenwettelijk begunstigend beleid. Verzoeker heeft de kosten van zijn lenzen drie jaar geleden volledig vergoed gekregen. Dat dit in het kader van een traject was, zoals het Drechtstedenbestuur stelt, wordt door verzoeker betwist.
2.3.
In het verweerschrift heeft het Drechtstedenbestuur toegelicht dat het uitgangspunt is dat de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde Regeling zorgverzekering voor de inwoners van de Drechtsteden een passende en toereikende voorliggende voorziening vormt, maar dat het Drechtstedenbestuur in afwijking hiervan bijzondere bijstand toekent ter hoogte van maximaal de vergoeding van de Compactpolis van de collectieve zorgverzekering in de Drechtsteden. Aanvragers die verwijtbaar niet aanvullend verzekerd zijn, komen slechts eenmaal in aanmerking voor verstrekking van bijzondere bijstand om niet. Omdat verzoeker een inkomen op minimumniveau heeft en hij kosten heeft gemaakt voor de aanschaf van nieuwe contactlenzen komt hij op grond van het buitenwettelijk beleid in aanmerking voor de toekenning van bijzondere bijstand ter hoogte van de maximale vergoeding op grond van de Compactpolis ten bedrage van € 100,-. Het Drechtstedenbestuur merkt daarbij op dat aan verzoeker bij beschikking van 27 september 2021 als onderdeel van een traject integrale dienstverlening en maatwerkoplossing eenmalig bijzondere bijstand ter hoogte van het volledige bedrag van aanschaf van nieuwe contactlenzen is verstrekt.
Dit traject is inmiddels afgesloten en er is voor het Drechtstedenbestuur geen aanleiding om in afwijking van het buitenwettelijk begunstigend beleid opnieuw tot een volledige vergoeding van de kosten voor de aanschaf van nieuwe contactlenzen te besluiten.
Heeft verzoeker een spoedeisend belang?
3. De voorzieningenrechter ziet in de toelichting van verzoeker ter zitting over zijn financiële situatie en het feit dat niet is betwist dat verzoeker geld heeft moeten lenen omdat hij niets meer op zijn rekening had, een voldoende spoedeisend belang.
Wat is het juridisch kader?
4.1.
Op grond van artikel 35, eerste lid, van de Pw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidstoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm.
4.2.
In artikel 15, eerste lid, eerste volzin, van de Pw is bepaald dat geen recht op bijstand bestaat voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht toereikend en passend te zijn. In de tweede volzin staat dat dat recht zich evenmin uitstrekt tot kosten die in de voorliggende voorziening als niet noodzakelijk worden aangemerkt.
4.3.
De verstrekking van bijzondere bijstand met betrekking tot medische kosten en/of medische hulpmiddelen is nader uitgewerkt in de Beleidsregels minimabeleid Drechtsteden (de beleidsregels). Uit deze beleidsregels volgt dat weliswaar het uitgangspunt is dat de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde regelgeving een passende en toereikende voorliggende voorzieningen is, maar dat het Dagelijks Bestuur in afwijking hiervan toch bijzondere bijstand kan verlenen voor noodzakelijke medische kosten.
Er wordt in afwijking van artikel 15 van de Pw toch bijzondere bijstand toegekend voor alleen die noodzakelijke medische kosten en/of medische hulpmiddelen die zijn opgenomen in het vergoedingenoverzicht van de Compact polis van de collectieve zorgverzekering in de Drechtsteden. Deze bijzondere bijstand wordt toegekend maximaal ter hoogte van de vergoeding van de Compact polis van de collectieve zorgverzekering in de Drechtsteden.
Voor de bepaling van de hoogte, de duur of de frequentie van de bijstandsverlening wordt uitgegaan van de goedkoopst adequate medische voorziening en/of medisch hulpmiddel.
Aanvragers die verwijtbaar niet aanvullend verzekerd zijn, komen slechts eenmaal in aanmerking voor verstrekking om niet van bijzondere bijstand voor medische kosten en/of medische hulpmiddelen.
Wat vindt de voorzieningenrechter van deze zaak?
5. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
6. Nu het Drechtstedenbestuur het besluit van 13 november 2024 bij besluit van 9 december 2024 heeft ingetrokken, ziet het verzoek om een voorlopige voorziening slechts op het besluit van 9 december 2024. De voorzieningenrechter zal daarom beoordelen of het bezwaarschrift van verzoeker ten aanzien van dit besluit kans van slagen heeft.
7. Vaste rechtspraak is dat de Zorgverzekeringswet en de daarop gebaseerde regelgeving een toereikende voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Pw is voor de kosten van contactlenzen. Dat verzoeker de contactlenzen op grond van deze voorliggende voorziening niet vergoed krijgt, is daarbij niet van belang. Naar zijn aard en doel is sprake van een voor verzoeker toereikende en passende voorziening.
Binnen de voorliggende voorziening is namelijk een bewuste beslissing genomen over de noodzaak van vergoeding van contactlenzen. Nu binnen de voorliggende voorziening die vergoeding niet noodzakelijk is geacht, dient daarbij voor de toepassing van de Pw te worden aangesloten. De Pw strekt er namelijk niet toe beslissingen van andere instanties over de noodzakelijkheid van de vergoeding van kosten materieel ongedaan te maken.
8.
Conclusie
11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het Drechtstedenbestuur op goede gronden heeft besloten om verzoeker een vergoeding van € 100,- toe te kennen voor de kosten van zijn contactlenzen.
12. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling omdat het Drechtstedenbestuur hangende het verzoek om een voorlopige voorziening het besluit van 13 november 2024 heeft ingetrokken en daarvoor in de plaats het besluit van 9 december 2024 heeft genomen, bestaat geen aanleiding nu verzoeker geen griffierecht heeft betaald en niet is gebleken van overige voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.J. Rutten, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. van der Hoek, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Zie voor de tekst van deze beleidsregels zoals deze gold ten tijde van het bestreden besluit: Blad gemeenschappelijke regeling 2023 nr. 1148, gepubliceerd op 28 november 2023 en tevens https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR704649/1.
Dit staat in artikel 11 van de beleidsregels.
Dit staat in artikel 16, eerste lid, van de beleidsregels.
Dit staat in artikel 16, tweede lid, van de beleidsregels.
Dit staat in artikel 16, derde lid, van de beleidsregels.
Dit staat in artikel 16, vierde lid, van de beleidsregels.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:28.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Raad van 12 januari 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:77.
Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 9 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:28.