Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-20
ECLI:NL:RBROT:2025:2649
Civiel recht
Wraking
1,337 tokens
Inleiding
proces-verbaal
RECHTBANK ROTTERDAM
Wrakingkamer
zaaknummer: C/10/692387 / HA RK 25-21
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 20 februari 2025
op het verzoek van
1 [verzoeker 1] ,
2. [verzoeker 2],
woonplaats: [woonplaats] ,
hierna te noemen: verzoekers,
gemachtigde: [persoon A] ,
strekkende tot de wraking van
mr. S.H. POIESZ,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van deze rechtbank, locatie Rotterdam.
Aanwezig zijn mr. J. van den Bos, voorzitter, en mr. F. Aukema-Hartog en mr. F.P.J. Schoonen, rechters, en mr. R.W.H. van Rijkom, griffier.
Na uitroeping van de zaak verschijnt:
- de rechter.
Verzoekers en hun gemachtigde zijn, zonder voorafgaand bericht van verhindering, niet verschenen.
In deze zaak heeft een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek plaatsgevonden. Aansluitend op de mondelinge behandeling heeft de wrakingskamer – na een onderbreking voor beraad – op grond van artikel 29a lid 5 Rv direct mondeling uitspraak gedaan, waarvan dit proces-verbaal is opgemaakt.
Beoordeling
1.1.
Verzoeker heeft op 11 januari 2025 een verzoek tot wraking gedaan. Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de civiele zaak met zaak- en rolnummer 11216086 CV EXPL 24-17800 (‘de hoofdzaak’). De hoofdzaak betreft een geschil tussen verzoekers als eisende partij en [gedaagde] (‘ [gedaagde] ’) als gedaagde partij. Het dossier van de hoofdzaak is ter beschikking gesteld aan de wrakingskamer.
1.2.
De wrakingskamer moet de vraag beantwoorden of – kort gezegd – de rechter tijdens de mondelinge behandeling op 8 januari 2025 partijdig was of de schijn van partijdigheid heeft gewekt. De wrakingskamer is van oordeel dat dit niet het geval is.
1.3.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter tegenover een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in het geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
1.4.
De wrakingsgronden komen er in de kern op neer dat verzoekers het niet eens zijn met door de rechter genomen procesbeslissingen. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt echter mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nooit grond kan vormen voor wraking; wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het is niet aan de wrakingskamer om een oordeel te geven over de juistheid van de (tussen)beslissing of over een verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.
1.5.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen verzet zich er ook tegen dat de motivering van de (tussen)beslissing grond kan vormen voor wraking, ook als het gaat om een door de wrakingskamer onjuist, onbegrijpelijk, gebrekkig of te summier geachte motivering of om het ontbreken van een motivering. Dit is uitsluitend anders als de motivering van de (tussen)beslissing in het licht van alle omstandigheden van het geval en naar objectieve maatstaven gemeten – bijvoorbeeld door de in de motivering gebezigde bewoordingen – niet anders kan worden verstaan dan als blijk van vooringenomenheid van de rechter die haar heeft gegeven.
1.6.
De aangevoerde gronden halen deze hoge drempel niet.
1.6.1.
Motivering
1.6.2.
Verder maakt de wrakingskamer uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in de hoofdzaak op dat namens [gedaagde] (deurwaarder van beroep) een andere medewerker van het kantoor is verschenen. Blijkbaar was de rechter van oordeel dat voldoende was gebleken dat [gedaagde] door deze medewerker werd en kon worden vertegenwoordigd. Ook dit getuigt niet van vooringenomenheid tegenover verzoekers.
1.6.3.
Tot slot heeft de rechter de gemachtigde van verzoekers een leespauze aangeboden om de door [gedaagde] nader toegezonden stukken met verzoekers door te nemen, maar daar heeft hij geen gebruik van gemaakt. Dat de rechter desondanks de door [gedaagde] nader toegezonden stukken wel aan het procesdossier heeft toegevoegd, getuigt ook niet van enige vooringenomenheid tegenover verzoekers.
1.7.
De conclusie is dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
Dictum
De rechtbank:
2.1.
wijst het verzoek tot wraking af.
Waarvan proces-verbaal,
de voorzitter