Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-03-03
ECLI:NL:RBROT:2025:2641
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,216 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11424391 CV EXPL 24-29837
datum uitspraak: 28 februari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
VGZ Zorgverzekeraar N.V.,
vestigingsplaats: Arnhem,
eiseres,
gemachtigde: mr. J.J.F. de Geus,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert.
De partijen worden hierna ‘VGZ’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 14 oktober 2024, met bijlagen;
de aantekeningen van de griffier van het mondelinge antwoord van [gedaagde], met het document dat hij toen heeft overhandigd;
de repliek, met bijlagen;
de mail van [gedaagde] van 13 januari 2025.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
[gedaagde] heeft een zorgverzekering afgesloten bij VGZ. Volgens VGZ heeft hij een betaalachterstand van € 1.359,04 laten ontstaan en weigert hij die te betalen, ondanks aanmaningen. VGZ eist daarom dat [gedaagde] wordt veroordeeld om dat bedrag aan haar te betalen, met rente, incassokosten en proceskosten.
2.2.
[gedaagde] is het niet eens met de eis. Hij stelt dat hij vanaf september 2023 negen maanden gedetineerd was en daardoor niet kon betalen of hoeft te betalen.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde] € 1.359,04 moet betalen
2.3.
Volgens VGZ heeft [gedaagde] een achterstand van € 1.359,04. Ze heeft bij de dagvaarding een specificatie van dat bedrag gevoegd. Het gaat om premie voor de maanden september, oktober en december 2023, januari 2024 en maart tot en met juli 2024. Daarnaast gaat het om € 197,49 aan zorgkosten uit maart en september 2023, die VGZ heeft vergoed.
2.4.
[gedaagde] heeft niet aangevoerd dat de specificatie onjuist is, of dat hij die bedragen al heeft betaald. Het uitgangspunt is dus dat hij het bedrag van € 1.359,04 alsnog moet betalen.
[gedaagde] krijgt de gelegenheid om alsnog een detentieverklaring aan te leveren
2.5.
Als het klopt dat [gedaagde] vanaf september 2023 negen maanden gedetineerd was, hoeft hij inderdaad voor die periode geen premie voor de zorgverzekering te betalen (artikel 24 Zorgverzekeringswet). Maar op dit moment kan de kantonrechter niet vaststellen of dit zo is. In de wet staat dat [gedaagde] dit aan kan tonen met een verklaring van de Minister van Buitenlandse Zaken of van Reclassering Nederland. Zo’n verklaring heeft [gedaagde] niet aangeleverd.
2.6.
[gedaagde] heeft bij zijn mondelinge verweer wel een Duits document aangeleverd. Daaruit lijkt inderdaad te volgen dat hij een periode gedetineerd is geweest in Duitsland, maar het is onduidelijk wanneer die detentie is gestart en wanneer die is geëindigd.
2.7.
De kantonrechter geeft [gedaagde] alsnog de kans om een verklaring van de Minister van Buitenlandse Zaken of Reclassering Nederland in te dienen bij de rechtbank (artikel 22 lid 1 Rv). De kantonrechter wijst [gedaagde] erop dat wanneer hij dat niet doet, hij het volledige bedrag van € 1.359,04 moet betalen.
2.8.
De kantonrechter verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 27 maart 2025 om 11.30 uur, zodat [gedaagde] de verklaring in kan dienen. Als [gedaagde] de verklaring opstuurt, moet deze uiterlijk 26 maart 2025 in tweevoud zijn ontvangen op de rechtbank. In dat geval is het niet nodig dat [gedaagde] naar de rolzitting komt.
2.9.
Als [gedaagde] een verklaring indient, dan mag VGZ daar nog op reageren.
Alle beslissingen worden aangehouden
2.10.
Alle andere beslissingen hangen samen met de vraag hoe groot de achterstand van [gedaagde] is en dus van de vraag of hij gedetineerd was. De kantonrechter houdt die beslissingen daarom aan.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
verwijst de zaak naar de rolzitting van donderdag 27 maart 2025 om 11.30 uur zodat [gedaagde] een detentieverklaring van de Minister van Buitenlandse Zaken of Reclassering Nederland in kan dienen;
3.2.
houdt alle overige beslissingen aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. F. Aukema-Hartog en in het openbaar uitgesproken.
33394