Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-10
ECLI:NL:RBROT:2025:2560
Civiel recht
Beschikking
2,151 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/691346 / JE RK 24-2708 en C/10/691342 / JE RK 24/2707
Datum uitspraak: 10 januari 2025
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming West,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen: de GI,
over
[minderjarige 1]
,
geboren op [geboortedatum 1] 2015 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2]
,
geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats], hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder]
,
hierna te noemen: de moeder, wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
[naam (stief)vader]
,
hierna te noemen: de (stief)vader, wonende op een bij de rechtbank bekend adres.
1Het verloop van de procedure
1.1.
Het procesverloop blijkt uit de verzoekschriften met bijlagen van de GI van 18 december 2024, binnengekomen bij de rechtbank op diezelfde datum.
1.2.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 januari 2025. Daarbij was aanwezig:
- een vertegenwoordiger van de GI, [naam].
1.3.
De moeder en de (stief)vader zijn niet verschenen. De kinderrechter stelt vast dat de moeder en de (stief)vader wel juist zijn opgeroepen.
Feiten
2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1]. De moeder en de vader zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 2].
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de moeder en de (stief)vader.
2.3.
Bij beschikking van 11 juli 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] verlengd tot 14 januari 2025.
2.4.
Bij beschikking van 11 juli 2024 is de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] verlengd tot 14 januari 2025.
3De verzoeken
T.a.v. het verzoek met zaaknummer C/10/691346 / JE RK 24-2708:
3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] te verlengen voor de duur van negen maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
T.a.v. het verzoek met zaaknummer C/10/691342 / JE RK 24/2707:
3.2.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van negen maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4Het standpunt van de GI
4.1.
De GI handhaaft ter zitting de beide verzoeken en licht deze als volgt toe. Eerder dit jaar was er sprake van het voornemen om de ondertoezichtstelling voor beide kinderen af te sluiten. Dit, omdat er een duidelijke verbetering was opgetreden. Helaas zijn er opnieuw zorgen ontstaan, mede als gevolg van een incident dat is voorgevallen. Er is melding gemaakt bij Veilig Thuis over huiselijk geweld. De kinderen worden aan dit huiselijk geweld blootgesteld en zijn er getuige van. Voorts zijn er nog specifieke zorgen ten aanzien van [minderjarige 1]. Zij is na de vakantie een week niet naar school gegaan, wat heeft geleid tot betrokkenheid van de leerplicht. Hoewel de ouders veel inzet tonen en altijd goed samenwerken met de hulpverlening, lukt het hen niet om de positieve lijn op de lange termijn vol te houden. De ouders hebben aangegeven in te stemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling.
Beoordeling
5.1.
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat is voldaan aan de wettelijke vereisten voor een ondertoezichtstelling. De kinderrechter overweegt daartoe het volgende.
5.2.
Er is sprake van een gezinssituatie met meervoudige en complexe problemen. Zowel de moeder als de (stief)vader kampen met eigen problematiek en hun relatie kent een patroon waarbij er sprake is van huiselijk geweld. Hoewel er in het afgelopen jaar vooruitgang is geboekt, blijven er zorgen bestaan. Onlangs zijn er meldingen bij Veilig Thuis binnengekomen over huiselijk geweld, waarvan de kinderen getuige zouden zijn geweest. De persoonlijke problematiek van de ouders draagt bij aan het risico dat de situatie escaleert. Het is zorgelijk dat [minderjarige 1] de beschermende rol over [minderjarige 2] op zich neemt bij een escalatie. Zij moet zich kunnen richten op haar eigen ontwikkeling.
5.3.
[minderjarige 1] gaat momenteel ook al een week niet naar school en de leerplicht is reeds betrokken. Daarnaast zijn de moeder en de biologische vader van [minderjarige 1] niet in staat om op een constructieve manier met elkaar te communiceren en beslissingen te nemen in het belang van [minderjarige 1]. Het lukt hen niet om de omgang tussen [minderjarige 1] en de biologische vader gezamenlijk te regelen. Momenteel is er geen omgang tussen [minderjarige 1] en de vader, omdat de vader geen woning heeft waar de omgang kan plaatsvinden.
5.4.
Hoewel de moeder en de (stief)vader meewerken aan de hulpverlening, lukt het hen niet om het patroon van problematiek te doorbreken. Het is van belang dat de jeugdbeschermer betrokken blijft om ervoor te zorgen dat de hulpverlening wordt voortgezet en de eerder geboekte vooruitgang weer wordt hersteld. Voor de komende periode is het voorts belangrijk dat de thuissituatie voldoende stabiliseert. Daarnaast moet er ingezet worden op de schoolgang van [minderjarige 1].
5.5.
De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van negen maanden. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
Dictum
De kinderrechter:
T.a.v. het verzoek met zaaknummer C/10/691346 / JE RK 24-2708:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] tot 14 oktober 2025;
T.a.v. het verzoek met zaaknummer C/10/691342 / JE RK 24/2707:
6.2.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 2] tot 14 oktober 2025;
T.a.v. beide verzoeken:
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2025 door mr. S. Jordaan, kinderrechter, in aanwezigheid van M.Y.R. Veldkamp als griffier, en op schrift gesteld op 16 januari 2025.
Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:
door de verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend bij de griffie van het gerechtshof te Den Haag.
Artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek (BW).
Artikel 1:260, eerste lid, BW.