Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-10
ECLI:NL:RBROT:2025:1973
Strafrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,024 tokens
Dictum
[klager], klager,
geboren op [geboortedatum] 2003 te Curaçao,
wonende op het adres [adres 1],
voor deze zaak domicilie kiezend te [adres 2] ten kantore van zijn raadsman mr. A.W.J. van Galen
Feiten
Op 28 maart 2024 is te Rotterdam onder klager beslag gelegd op een bromfiets van het merk Gilera Runner C14 met kenteken [kenteken].
Het beslag is gelegd op grond van artikel 94 Sv.
Dit beslag is gelegd in het kader van de strafzaak tegen de klager. Hij wordt verdacht van gevaarlijk rijgedrag, overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994 (Wvw 1994).
Procedure
Op 17 oktober 2024 is op grond van artikel 552a Sv een klaagschrift ingediend.
Het klaagschrift is op 10 januari 2025 door de raadkamer in het openbaar behandeld. De officier van justitie mr. M.J.W. van Breukelen en de gemachtigde raadsman zijn gehoord. De klager is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.
Standpunt klager
Het klaagschrift strekt tot teruggave van de inbeslaggenomen bromfiets aan de klager. Namens de klager is aan de hand van een overgelegde pleitnota het standpunt ingenomen dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter later oordelend de bromfiets verbeurd zal verklaren dan wel onttrekken aan het verkeer. Uit het overgelegde bericht van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (RDW) blijkt dat er geen reden is om aan te nemen dat een herkeuring van de bromfiets niet succesvol zou zijn. Het is niet met zekerheid te zeggen dat de bromfiets nooit door de RDW-keuring zou komen.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft zich gelet op het door de verdediging overgelegde bericht van de RDW op het standpunt gesteld dat het beklag gegrond dient te worden verklaard. Uit het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de bromfiets kan niet expliciet worden geconcludeerd dat de identiteit van de bromfiets niet kan worden vastgesteld. Volgens informatie van de RDW kan na vaststelling van de identiteit de herkeuring van een voertuig slagen. In dat geval is het hoogst onwaarschijnlijk dat de strafrechter later de bromfiets verbeurd zal verklaren dan wel zal onttrekken aan het verkeer.
Ontvankelijkheid
In het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie staat vermeld dat de inbeslaggenomen bromfiets inmiddels is vernietigd. Echter er is geen machtiging ex artikel 117 Sv aanwezig in het dossier, hetgeen door de officier van justitie ter zitting is bevestigd.
Zonder machtiging ex artikel 117 Sv kan niet worden vastgesteld dat de bromfiets in overeenstemming met de wettelijke voorschriften is vernietigd. Hierdoor kan ook niet worden uitgegaan van een beëindiging van het beslag, zoals vermeld in artikel 134, tweede lid onder c Sv. Gelet hierop dient de klager te worden ontvangen in zijn beklag.
Beoordeling
Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden.
In geval van een beklag van de beslagene tegen een op grond van artikel 94 Sv gelegd beslag dient de rechter eerst te beoordelen of het belang van strafvordering het voortduren van het beslag vordert. Als het strafvorderlijk belang voortduring van het beslag vordert, wordt geen teruggave gelast. Als er geen strafvorderlijk belang aan teruggave in de weg staat, vindt teruggave plaats aan de beslagene, tenzij een ander redelijkerwijs als rechthebbende ten aanzien van dat voorwerp moet worden beschouwd.
Het belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave indien het veiligstellen van de belangen waarvoor artikel 94 Sv de inbeslagneming toelaat, het voortduren van het beslag nodig maakt. Dat is bijvoorbeeld het geval indien niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de verbeurdverklaring van het voorwerp zal bevelen dan wel indien het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de onttrekking aan het verkeer van het voorwerp zal bevelen, al dan niet naar aanleiding van een afzonderlijke vordering daartoe als bedoeld in artikel 36b, eerste lid onder 4°, van het Wetboek van Strafrecht in verbinding met artikel 552f Sv.
Uit de beschikbare dossierstukken blijkt dat sprake is van een samengestelde bromfiets: in de bromfiets is een ander motorblok gemonteerd afkomstig van een soortgelijke bromfiets (hetzelfde merk en type) waar in Nederland geen kenteken voor is afgegeven. Uit dit onderzoek is niet gebleken dat het gemonteerde motorblok van diefstal afkomstig is.
In het door de raadsman overgelegde mailbericht van [naam] , werkzaam bij het technisch kenniscentrum van de RDW van 7 januari 2025 staat – voor zover relevant – het volgende vermeld:
Als het een samengesteld voertuig betreft omdat er een ander motorblok is gemonteerd dan is een herkeuring bij de RDW mogelijk mits aan alle relevante technische eisen kan worden
voldaan. Het basis voertuig is toegelaten op basis van een individuele toelating. Wanneer een ander model of type motorblok is gemonteerd dan moet er technisch gekeurd worden bij de RDW. In het individuele testrapport zie ik dat er oorspronkelijk een ander motortype gemonteerd is, dus een technische keuring is verplicht. (…) Als verder aan het basis motorfiets niets gewijzigd is dan is de identiteit geen probleem. Het voertuigidentificatienummer van een samengesteld voertuig voorzien van een frame, wordt bepaald door het frame. Het enige wat een blokkade kan zijn is artikel 5 behorende bij Bijlage I van de Regeling voertuigen. Hierin staat in lid 4 het volgende:
Indien één of meer hoofdonderdelen niet zijn te identificeren of indien blijkt dat één of meer hoofdonderdelen van diefstal afkomstig zijn, wordt geen voertuigidentificatienummer vastgesteld.
Nu gelet op bovenstaande gegevens niet kan worden uitgesloten dat er door de RDW een voertuigidentificatienummer van de bromfiets kan worden vastgesteld, kan naar het oordeel van de rechtbank eveneens niet worden uitgesloten dat de herkeuring van de bromfiets door de RDW zou kunnen slagen en de bromfiets daarmee zou voldoen aan de eisen van de RDW. Immers is uit de voorliggende stukken niet gebleken dat (hoofd)onderdelen van de bromfiets niet te identificeren zijn en/of dat de onder de bromfiets geplaatste motor van diefstal afkomstig is.
Op grond van bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, de inbeslaggenomen bromfiets verbeurd zal verklaren dan wel zal onttrekken aan het verkeer. Gelet hierop verzet het belang van strafvordering zich dan ook niet tegen een opheffing van het beslag. Het beklag zal daarom ook gegrond worden verklaard.
Omdat de inbeslaggenomen bromfiets door vernietiging niet meer beschikbaar is voor teruggave, zal aan de last vervangend uitvoering moeten worden gegeven door uitbetaling van de prijs die dit voorwerp bij verkoop redelijkerwijze had moeten opbrengen ex artikel 119, tweede lid Sv.
Dictum
De rechtbank:
- verklaart het beklag gegrond;
- gelast de teruggave van de vervangende waarde van de bromfiets (van het merk Gilera Runner C14 met kenteken [kenteken]) aan de klager.
Deze beslissing is gegeven door
mr. J.M.L. van Mulbregt, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. N. Jallal, griffier,
en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2025.
Tegen de beslissing van deze rechtbank staat voor het Openbaar Ministerie beroep in cassatie bij de Hoge Raad open, in te stellen bij de griffie van deze rechtbank, binnen veertien (14) dagen na dagtekening van deze beslissing.