Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-03
ECLI:NL:RBROT:2025:1870
Civiel recht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,476 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
locatie Rotterdam
zaaknummer: 11168788 CV EXPL 24-15750
datum uitspraak: 3 januari 2025
Vonnis van de kantonrechter
in de zaak van
[eiseres],
vestigingsplaats: [vestigingsplaats],
eiseres,
gemachtigde: Landelijke Associatie van Gerechtsdeurwaarders B.V.,
tegen
[gedaagde]
,
woonplaats: [woonplaats],
gedaagde,
gemachtigde: mr. M.R. de Kok.
De partijen worden hierna ‘[eiseres]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
Procesverloop
1.1.
Het dossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 12 juni 2024, met bijlagen;
het antwoord van 12 september 2024;
de repliek van 10 oktober 2024, met bijlagen;
de dupliek van 7 november 2024.
Beoordeling
Wat is de kern?
2.1.
Deze zaak gaat over de vraag of [gedaagde] premie verschuldigd is aan [eiseres] op basis van een zorgverzekeringsovereenkomst die tussen hen zou bestaan. Partijen zijn het niet eens over de vraag of tussen hen een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen.
2.2.
Volgens [eiseres] bestaat tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst en heeft [gedaagde] uit hoofde daarvan een betalingsachterstand laten ontstaan van € 1.314,84. Deze betalingsachterstand is opgebouwd uit verschillende facturen in de periode tussen 1 mei 2022 tot en met 1 oktober 2023. Hiervan heeft [gedaagde] voorafgaand aan de dagvaarding € 262,90 betaald. Dit is in mindering gebracht op de hoofdsom, waardoor een hoofdsom van € 1.051,94 resteert. Omdat [gedaagde] verschillende keren is herinnerd en aangemaand ten aanzien van zijn betalingsachterstand, vordert [eiseres] ook wettelijke rente en incassokosten. Later heeft [eiseres] haar eis vermeerderd met een bedrag van € 300,-. Dit ziet op het eigen risico over het jaar 2022. Van dit bedrag is door [gedaagde] € 67,10 betaald. Ten aanzien van deze achterstand heeft [eiseres] een aparte aanmaning moeten versturen. [eiseres] vordert daarom ook hierover incassokosten en rente.
2.3.
[gedaagde] is het niet eens met de vordering en betwist dat tussen hem en [eiseres] een zorgverzekeringsovereenkomst tot stand is gekomen. Verder stelt hij dat hij geen veertiendagenbrief heeft ontvangen en daarom ook geen incassokosten verschuldigd is.
Tussen partijen bestaat een zorgverzekeringsovereenkomst
2.4.
Om te kunnen beoordelen of [gedaagde] achterstallige premie en eigen risico verschuldigd is aan [eiseres], moet eerst worden beoordeeld of sprake is van een zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen.
2.5.
[eiseres] heeft in dat kader aangevoerd dat [gedaagde] op 8 november 2017 via een online aanmeldformulier een verzekering heeft afgesloten met een ingangsdatum van 1 januari 2018. DWS heeft dit aan [gedaagde] bevestigd op 9 november 2017 en [gedaagde] ontving zijn polisblad op 13 november 2017. [eiseres] heeft diverse producties overgelegd om dit te onderbouwen. [eiseres] heeft verder het polisblad van het jaar 2022-2023 overgelegd. Ook is een betaaloverzicht toegevoegd waaruit blijkt dat [gedaagde] over de jaren 2018 tot en met april 2022 zijn premie heeft betaald. Tot slot zijn betalingsregelingen, die door [gedaagde] ten aanzien van zijn betalingsachterstand bij [eiseres] zijn aangegaan, overgelegd door [eiseres]. Op 9 april 2024 is nog een betalingsregeling aangevraagd door [gedaagde]. Deze is door [eiseres] geweigerd omdat [gedaagde] al vier betalingsregelingen heeft gehad die niet of niet behoorlijk zijn nagekomen, aldus DWS.
[gedaagde] heeft een en ander betwist, maar heeft dit niet nader onderbouwd. Ook zijn door [gedaagde] geen producties overgelegd waaruit volgt dat er – toch – geen overeenkomst tot stand is gekomen tussen hem en [eiseres].
2.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] de – met stukken onderbouwde – stelling van [eiseres] dat sprake is van een zorgverzekeringsovereenkomst tussen partijen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist. Dat brengt mee dat in deze procedure vast is komen te staan dat die zorgverzekeringsovereenkomst bestaat.
De eis van [eiseres] wordt deels toegewezen
2.7.
De eis van [eiseres] wordt gelet op wat hiervoor staat toegewezen voor die ziet op de betaling van de achterstallige premie. Voor zover de eis ziet op de betaling van het eigen risico van € 300,- over het jaar 2022 wordt deze afgewezen. Hieronder zal worden uitgelegd waarom.
2.8.
[eiseres] vordert een bedrag van (pro resto) € 1.051,94 aan onbetaald gelaten premies over de periode van 1 mei 2022 tot en met 1 oktober 2023. De hoogte van de hoofdsom is door [gedaagde] niet betwist. De betaling van [gedaagde] van € 67,10 in het kader van een betalingsregeling tussen hem en [eiseres] (zie punt 4 repliek) wordt ook in mindering gebracht op de hoofdsom. Daarom wordt een hoofdsom van € 984,84 toegewezen.
2.9.
[gedaagde] heeft betwist dat hij het eigen risico van € 300,- aan [eiseres] verschuldigd is. De kantonrechter is van oordeel dat [eiseres] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] een bedrag van € 300,- verschuldigd is aan eigen risico over 2022. Het had op de weg van [eiseres] gelegen om niet alleen een aanmaning over te leggen maar ook nadere stukken waaruit blijkt dat [gedaagde] het gevorderde bedrag aan eigen risico over 2022 verschuldigd is. Dit heeft [eiseres] niet gedaan. [gedaagde] hoeft daarom niet het geëiste bedrag van € 300,- aan eigen risico te betalen. Als gevolg daarvan worden ook de gevorderde incassokosten en wettelijke rente over dit bedrag afgewezen.
[gedaagde] moet incassokosten van € 190,93 betalen
2.10.
[eiseres] eist € 190,93 aan buitengerechtelijke incassokosten in verband met de betalingsachterstand van € 1.051,94. [gedaagde] heeft betwist dat hij de veertiendagenbrief heeft gekregen.
2.11.
Op grond van artikel 3:37 lid 3 BW (de ontvangsttheorie) is het uitgangspunt dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring (hier: de schriftelijke aanmaning), om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijk verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt, als zij door hem is ontvangen. Ook bepaalt de wet dat een verklaring die de geadresseerde niet of niet tijdig heeft bereikt, toch haar werking heeft, als dit niet of niet tijdig bereiken het gevolg is van zijn eigen handeling.
2.12.
Niet in geschil is dat [eiseres] de veertiendagenbrief heeft verstuurd naar het postadres van [gedaagde]. [eiseres] mocht er van uit gaan dat aan dat adres gestuurde brieven [gedaagde] zouden bereiken. Dat [gedaagde] toen bij zijn vriendin verbleef en – kennelijk – niet heeft zorggedragen voor het ophalen van zijn post op zijn postadres, is een omstandigheid die voor zijn rekening en risico komt. Omdat verder aan alle voorwaarden is voldaan om een vergoeding voor deze kosten te krijgen (artikel 6:96 BW) zal het gevorderde bedrag van € 190,93 worden toegewezen.
[gedaagde] moet rente betalen
2.13.
De rente wordt toegewezen omdat [eiseres] genoeg heeft gesteld waaruit volgt dat deze moet worden betaald en [gedaagde] dat niet heeft betwist. [eiseres] vordert een bedrag van € 131,66 aan rente berekend tot 3 juni 2024, vermeerderd met rente vanaf 3 juni 2024 over een bedrag van € 1.051,94. Omdat uit de repliek blijkt dat [gedaagde] naast de € 262,90 die in de dagvaarding is genoemd, ook nog € 67,10 heeft betaald zal de wettelijke rente worden toegewezen over de betalingsachterstand die na iedere wijziging vanaf 1 mei 2022 heeft opengestaan tot aan de dag dat volledig is betaald. De rente is toewijsbaar vanaf 1 mei omdat [gedaagde] zijn premie bij vooruitbetaling moet voldoen. Dit is een fatale termijn zoals bedoeld in artikel 6:83 BW, waardoor [gedaagde] vanaf 1 mei 2022 is verzuim is geweest.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
2.14.
De proceskosten komen voor rekening van [gedaagde], omdat hij voor het grootste deel ongelijk krijgt (artikel 237 Rv). De kantonrechter begroot de kosten die [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen op € 137,39 aan dagvaardingskosten, € 328,- aan griffierecht, € 270,- aan salaris voor de gemachtigde (2 punten x € 135-) en € 67,50- aan nakosten. Dat is in totaal € 802,89.
Dictum
De kantonrechter:
3.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen € 1.175,77 met de wettelijke rente zoals bedoeld in artikel 6:119 BW over de hoofdsom zoals omschreven in de dagvaarding van 12 juni 2024 die na iedere wijziging vanaf 1 mei 2022 heeft opengestaan tot de dag dat volledig is betaald;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die aan de kant van [eiseres] worden begroot op € 802,89;
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
3.4.
wijst al het andere af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Kalmthout en in het openbaar uitgesproken.
64362