Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-28
ECLI:NL:RBROT:2025:1848
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,712 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummer 1] – [nummer 2] &
[nummer 3] – [nummer 4]
uitspraakdatum: 28 januari 2025
[verzoeker] en [verzoekster],
wonende te [adres]
[postcode] [woonplaats] ,
verzoekers.
Procesverloop
Verzoekers hebben op 5 december 2024, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 9 december 2024 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 21 januari 2025.
Ter zitting van 21 januari 2025 zijn verschenen en gehoord:
- de heer mr. J. Pearson, werkzaam bij JAW Advocaten (hierna: advocaat).
Verzoekers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
Stichting Hef Wonen, gevestigd te Rotterdam (hierna: verweerster) is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers ten uitvoer te leggen.
Verzoeker heeft een inkomen van circa € 3.000,- netto per maand. Verzoekster heeft een inkomen van circa € 1.000,- netto per maand. De kale huur bedraagt € 1.052,- per maand. Verzoekster kan volgens het ingediende verzoekschrift niet bijdragen aan de woonlasten, omdat zij eveneens huur moet betalen voor een woning in Polen. Verzoekers zijn niet ter zitting verschenen om dit nader toe te lichten. De advocaat heeft ter zitting verklaard dat de huur van januari 2025 niet is betaald. De advocaat verzoekt om de zaak tot eind januari 2025 schriftelijk aan te houden, zodat de huur van januari 2025 alsnog kan worden voldaan en de huur van februari 2025 tijdig kan worden voldaan.
3Het verweer
Hoewel behoorlijk opgeroepen heeft verweerster geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid haar standpunt schriftelijk dan wel ter zitting toe te lichten.
Beoordeling
De rechtbank ziet geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek van de advocaat om de uitspraakdatum schriftelijk aan te houden. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een nieuwe zittingsdatum te gelasten. Verzoekers zijn, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering niet ter zitting verschenen. Ook hebben zij hun advocaat geen bericht gegeven van verhindering. De advocaat van verzoekers heeft voor de zitting tevergeefs geprobeerd telefonisch contact met hen te krijgen.
Allereerst dient te worden beoordeeld of sprake is van een bedreigende situatie zoals dwingend is voorgeschreven in artikel 287b, tweede lid, Fw. Nu verzoekers een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 20 oktober 2023 tot ontruiming van de woonruimte van verzoekers en een kopie van het exploot van 13 november 2024 hebben overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 18 december 2024 zal overgaan tot ontruiming van de woning van verzoekers, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van een bedreigende situatie.
De wetgever heeft met een moratorium beoogd om een schuldenaar bij een – dreigende – executie een adempauze te bieden opdat de schuldenaar in staat wordt gesteld om met zijn schuldeisers een regeling van zijn schulden overeen te komen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoekers enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoekers bestaat erin dat zij in de huurwoning kunnen blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoekers kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 20 oktober 2023 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de lopende termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Nu het verzoekschrift op 5 december 2024 is ingediend en de huur van januari 2025 niet is voldaan hebben verzoekers hiermee niet aan hun lopende verplichtingen voldaan. Sinds het vonnis van 23 oktober 2023 is de huurachterstand verder opgelopen, dit terwijl in het kader van de ontruimingsprocedure een afbetalingsregeling met verzoekers is gesloten. Dat verzoeker inmiddels, na de kennelijke beëindiging van zijn oude dienstverband een nieuw dienstverband zou zijn aangegaan maakt dat voor de rechtbank niet anders, temeer daar verzoekster heeft aangegeven geen bijdrage in de huur te kunnen leveren. Ook is onvoldoende duidelijk geworden of verzoekers hun inkomen laten overmaken op de beheerrekening van de schuldhulpverlener. Sinds de intake bij schuldhulpverlening op 30 november 2024 is voor de rechtbank geen vooruitgang gebleken bij verzoekers om met de schuldeisers een regeling tot stand te brengen. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoekers. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zullen verzoekers gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van hun verzoeken tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kunnen verzoekers te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoekers niet-ontvankelijk in hun verzoeken ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.J. Roos-van Toor, rechter, en in aanwezigheid van S.R.L.T. Peek, griffier, in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2025.