Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-14
ECLI:NL:RBROT:2025:1835
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Voorlopige voorziening
5,298 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1049
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2025 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit Rotterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. I.A. Kamans),
en
de burgemeester van Rotterdam
(gemachtigde: mr. W. Breure).
Inleiding
1. Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft de burgemeester de Coffeeshop [naam coffeeshop] (de coffeeshop) gesloten voor drie maanden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [persoon A] , [persoon B] (beiden namens verzoekster), de gemachtigde van de burgemeester en mr. R. Aghabalazadeh (namens de burgemeester).
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster exploiteert de coffeeshop. Naar aanleiding van een reguliere controle op 28 november 2023 heeft verzoekster van de burgemeester een bestuurlijke waarschuwing gekregen op 8 januari 2024 (vanwege een te grote handelsvoorraad softdrugs) en 30 juli 2024 (vanwege het aantreffen van gummies die harddrugs bevatten).
4. Op 29 oktober 2024 heeft de politie een reguliere controle verricht bij de coffeeshop. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een bestuurlijke rapportage van de politie van 14 november 2024. De toegestane handelshoeveelheid softdrugs die in een coffeeshop aanwezig mag zijn, is 500 gram. In de coffeeshop is 2.158,1 gram softdrugs aangetroffen. Het merendeel van de drugs lag in afgesloten kluisjes in een ruimte achterin de coffeeshop.
Waar gaat het in deze zaak om?
5. Naar aanleiding van de politierapportage heeft de burgemeester besloten om de coffeeshop voor drie maanden te sluiten vanwege het aantreffen van een te grote handelsvoorraad softdrugs. De sluiting heeft tot gevolg dat de exploitatie moet worden gestaakt en dat verzoekster gedurende drie maanden geen bezoekers mag toelaten tot de coffeeshop. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de coffeeshop voorlopig open mag blijven, ook omdat de coffeeshop op dit moment verbouwd wordt. De burgemeester heeft toegezegd dat de coffeeshop open mag blijven tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een besluit op zijn bezwaar- of beroepschrift.
8. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij deze procedure. Als de coffeeshop wordt gesloten, zal verzoekster inkomsten mislopen terwijl de vaste lasten wel gewoon doorlopen. Het verzoek zal daarom ook inhoudelijk worden beoordeeld.
Is de burgemeester bevoegd om de coffeeshop te sluiten?
9. Verzoekster voert aan dat de burgemeester niet bevoegd is om de coffeeshop te sluiten. De politie had alleen het vergunde gedeelte van de coffeeshop mogen controleren en daar lag minder dan 500 gram softdrugs. Er is daarom sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Daarnaast kon de burgemeester de sluiting niet baseren op de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (de APV). Ook is de sluiting volgens verzoekster in strijd met het handhavingsarrangement uit de Horecanota.
10.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in de kluisjes aangetroffen softdrugs moet worden gerekend tot de handelsvoorraad van de coffeeshop. Verzoekster heeft bij de exploitatievergunningaanvraag een tekening van de coffeeshop ingeleverd die onvolledig blijkt te zijn. Achter de privéruimte ligt nog een aanbouw (die niet op de tekening staat), die door verzoekster wordt gebruikt ten behoeve van de coffeeshop. Zo staan er in de aanbouw kluisjes die onder meer door medewerkers van de coffeeshop worden gebruikt. De aanbouw maakt daarom deel uit van de coffeeshop. Verzoekster heeft aangevoerd dat in het strafrecht bepalend is of de softdrugs is aangetroffen in het voor het publiek toegankelijke deel van de coffeeshop en in zoverre sprake is van een externe handelsvoorraad, maar daar geldt een ander beoordelingskader.
De vraag of de doorzoeking in strafvorderlijke zin onrechtmatig is, staat in deze procedure niet ter beoordeling. Maar zelfs als dat zo zou zijn, betekent dat niet zonder meer dat de burgemeester geen gebruik mocht maken van zijn bestuursrechtelijke bevoegdheden. Gelet op de omstandigheden waaronder de handelsvoorraad softdrugs is aangetroffen, tijdens een reguliere coffeeshopcontrole en in een gedeelte van het pand dat wordt gebruikt ten behoeve van de coffeeshop, is er geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van bewijs dat is verkregen op een manier die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
10.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de sluiting in dit geval niet kon baseren op de APV, maar dit leidt er niet toe dat er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester kan de coffeeshop sluiten op grond van de APV als er wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften. Aan de exploitatievergunning zijn vier voorschriften verbonden, maar daar is niet in opgenomen dat de handelsvoorraad de 500 gram niet te boven mag gaan. Dit staat wel als één van de gedoogcriteria vermeld in een brief bij de exploitatievergunning, maar daarmee maken de criteria nog geen deel uit van de voorschriften die verbonden zijn aan de exploitatievergunning. De voorzieningenrechter heeft dit ook al in eerdere procedures overwogen. De burgemeester heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de grondslag voor de sluiting in de beslissing op bezwaar (subsidiair) wordt gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter ziet geen redenen waarom de burgemeester dat niet zou kunnen doen, zodat de gebrekkige grondslag van het bestreden besluit geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
10.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat het handhavingsarrangement bij de Horecanota in dit geval niet van toepassing is. De voorzieningenrechter stelt vast dat er twee handhavingsarrangementen zijn: één bij het Rotterdamse coffeeshopbeleid 2013 (het coffeeshopbeleid) en één bij de Horecanota. Volgens het coffeeshopbeleid (onder paragraaf 5.1) is het handhavingsarrangement bij de Horecanota van toepassing op coffeeshops voor overtredingen of incidenten die niet nadrukkelijk worden genoemd in het handhavingsarrangement bij het coffeeshopbeleid. In dit geval staat een te grote handelsvoorraad wel genoemd in het handhavingsarrangement bij het coffeeshopbeleid, zodat de burgemeester de sluiting op dit beleid heeft kunnen baseren.
In het coffeeshopbeleid staat dat er bij een eerste constatering van een te grote handelsvoorraad een waarschuwing wordt gegeven. Bij een tweede constatering binnen een jaar gaat de burgemeester over tot een sluiting van drie maanden. In dit geval ligt er een eerste constatering op 28 november 2023 (waarvoor een waarschuwing is gegeven) en een tweede constatering op 29 oktober 2024. De sluiting is daarom in overeenstemming met het coffeeshopbeleid. Verzoekster betwist overigens dat er bij de eerdere controle op 28 november 2023 meer dan 500 gram softdrugs is aangetroffen, maar de voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid?
11. Verzoekster voert aan dat er geen noodzaak bestaat om de coffeeshop te sluiten, omdat er geen sprake is van een verstoring van de openbare orde. Daarbij komt dat er inmiddels ruim drie maanden zijn verstreken sinds de controle. Daarnaast vindt verzoekster dat de sluiting niet evenwichtig is.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de noodzaak van de sluiting deugdelijk heeft gemotiveerd.
Conclusie
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester de coffeeshop mag sluiten. Omdat de sluiting op dit moment gebaseerd is op de APV, kan de verbouwing volgens de burgemeester op dit moment nog wel gewoon doorgaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2025.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Deze sluiting is gebaseerd op artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder c, in combinatie met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder h, van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2614.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 oktober 2020 (ROT 20/5021) en 14 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2015.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/1049
uitspraak van de voorzieningenrechter van 14 februari 2025 in de zaak tussen
[naam verzoekster] , uit Rotterdam, verzoekster
(gemachtigde: mr. I.A. Kamans),
en
de burgemeester van Rotterdam
(gemachtigde: mr. W. Breure).
Inleiding
1. Met het bestreden besluit van 27 januari 2025 heeft de burgemeester de Coffeeshop [naam coffeeshop] (de coffeeshop) gesloten voor drie maanden. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt. Ook heeft zij de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 5 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster, [persoon A] , [persoon B] (beiden namens verzoekster), de gemachtigde van de burgemeester en mr. R. Aghabalazadeh (namens de burgemeester).
Beoordeling
Wat is er gebeurd?
3. Verzoekster exploiteert de coffeeshop. Naar aanleiding van een reguliere controle op 28 november 2023 heeft verzoekster van de burgemeester een bestuurlijke waarschuwing gekregen op 8 januari 2024 (vanwege een te grote handelsvoorraad softdrugs) en 30 juli 2024 (vanwege het aantreffen van gummies die harddrugs bevatten).
4. Op 29 oktober 2024 heeft de politie een reguliere controle verricht bij de coffeeshop. De resultaten van dit onderzoek zijn vastgelegd in een bestuurlijke rapportage van de politie van 14 november 2024. De toegestane handelshoeveelheid softdrugs die in een coffeeshop aanwezig mag zijn, is 500 gram. In de coffeeshop is 2.158,1 gram softdrugs aangetroffen. Het merendeel van de drugs lag in afgesloten kluisjes in een ruimte achterin de coffeeshop.
Waar gaat het in deze zaak om?
5. Naar aanleiding van de politierapportage heeft de burgemeester besloten om de coffeeshop voor drie maanden te sluiten vanwege het aantreffen van een te grote handelsvoorraad softdrugs. De sluiting heeft tot gevolg dat de exploitatie moet worden gestaakt en dat verzoekster gedurende drie maanden geen bezoekers mag toelaten tot de coffeeshop. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij wil met het verzoek om een voorlopige voorziening bereiken dat de coffeeshop voorlopig open mag blijven, ook omdat de coffeeshop op dit moment verbouwd wordt. De burgemeester heeft toegezegd dat de coffeeshop open mag blijven tot de uitspraak van de voorzieningenrechter.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek af
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Heeft verzoekster een spoedeisend belang?
7. Een procedure bij de voorzieningenrechter is een spoedprocedure. Een voorlopige voorziening kan alleen worden getroffen als er een spoedeisend belang is, waardoor iemand niet kan wachten op een besluit op zijn bezwaar- of beroepschrift.
8. De voorzieningenrechter vindt dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij deze procedure. Als de coffeeshop wordt gesloten, zal verzoekster inkomsten mislopen terwijl de vaste lasten wel gewoon doorlopen. Het verzoek zal daarom ook inhoudelijk worden beoordeeld.
Is de burgemeester bevoegd om de coffeeshop te sluiten?
9. Verzoekster voert aan dat de burgemeester niet bevoegd is om de coffeeshop te sluiten. De politie had alleen het vergunde gedeelte van de coffeeshop mogen controleren en daar lag minder dan 500 gram softdrugs. Er is daarom sprake van onrechtmatig verkregen bewijs. Daarnaast kon de burgemeester de sluiting niet baseren op de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012 (de APV). Ook is de sluiting volgens verzoekster in strijd met het handhavingsarrangement uit de Horecanota.
10.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in de kluisjes aangetroffen softdrugs moet worden gerekend tot de handelsvoorraad van de coffeeshop. Verzoekster heeft bij de exploitatievergunningaanvraag een tekening van de coffeeshop ingeleverd die onvolledig blijkt te zijn. Achter de privéruimte ligt nog een aanbouw (die niet op de tekening staat), die door verzoekster wordt gebruikt ten behoeve van de coffeeshop. Zo staan er in de aanbouw kluisjes die onder meer door medewerkers van de coffeeshop worden gebruikt. De aanbouw maakt daarom deel uit van de coffeeshop. Verzoekster heeft aangevoerd dat in het strafrecht bepalend is of de softdrugs is aangetroffen in het voor het publiek toegankelijke deel van de coffeeshop en in zoverre sprake is van een externe handelsvoorraad, maar daar geldt een ander beoordelingskader.
De vraag of de doorzoeking in strafvorderlijke zin onrechtmatig is, staat in deze procedure niet ter beoordeling. Maar zelfs als dat zo zou zijn, betekent dat niet zonder meer dat de burgemeester geen gebruik mocht maken van zijn bestuursrechtelijke bevoegdheden. Gelet op de omstandigheden waaronder de handelsvoorraad softdrugs is aangetroffen, tijdens een reguliere coffeeshopcontrole en in een gedeelte van het pand dat wordt gebruikt ten behoeve van de coffeeshop, is er geen aanleiding om aan te nemen dat er sprake is van bewijs dat is verkregen op een manier die zozeer indruist tegen wat van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat gebruik daarvan onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.
10.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de sluiting in dit geval niet kon baseren op de APV, maar dit leidt er niet toe dat er aanleiding bestaat om een voorlopige voorziening te treffen. De burgemeester kan de coffeeshop sluiten op grond van de APV als er wordt geëxploiteerd in strijd met de aan de exploitatievergunning verbonden voorschriften. Aan de exploitatievergunning zijn vier voorschriften verbonden, maar daar is niet in opgenomen dat de handelsvoorraad de 500 gram niet te boven mag gaan. Dit staat wel als één van de gedoogcriteria vermeld in een brief bij de exploitatievergunning, maar daarmee maken de criteria nog geen deel uit van de voorschriften die verbonden zijn aan de exploitatievergunning. De voorzieningenrechter heeft dit ook al in eerdere procedures overwogen. De burgemeester heeft zich tijdens de zitting op het standpunt gesteld dat de grondslag voor de sluiting in de beslissing op bezwaar (subsidiair) wordt gebaseerd op artikel 13b van de Opiumwet. De voorzieningenrechter ziet geen redenen waarom de burgemeester dat niet zou kunnen doen, zodat de gebrekkige grondslag van het bestreden besluit geen reden is voor het treffen van een voorlopige voorziening.
10.3.
De voorzieningenrechter overweegt dat het handhavingsarrangement bij de Horecanota in dit geval niet van toepassing is. De voorzieningenrechter stelt vast dat er twee handhavingsarrangementen zijn: één bij het Rotterdamse coffeeshopbeleid 2013 (het coffeeshopbeleid) en één bij de Horecanota. Volgens het coffeeshopbeleid (onder paragraaf 5.1) is het handhavingsarrangement bij de Horecanota van toepassing op coffeeshops voor overtredingen of incidenten die niet nadrukkelijk worden genoemd in het handhavingsarrangement bij het coffeeshopbeleid. In dit geval staat een te grote handelsvoorraad wel genoemd in het handhavingsarrangement bij het coffeeshopbeleid, zodat de burgemeester de sluiting op dit beleid heeft kunnen baseren.
In het coffeeshopbeleid staat dat er bij een eerste constatering van een te grote handelsvoorraad een waarschuwing wordt gegeven. Bij een tweede constatering binnen een jaar gaat de burgemeester over tot een sluiting van drie maanden. In dit geval ligt er een eerste constatering op 28 november 2023 (waarvoor een waarschuwing is gegeven) en een tweede constatering op 29 oktober 2024. De sluiting is daarom in overeenstemming met het coffeeshopbeleid. Verzoekster betwist overigens dat er bij de eerdere controle op 28 november 2023 meer dan 500 gram softdrugs is aangetroffen, maar de voorzieningenrechter ziet vooralsnog geen aanleiding om hieraan te twijfelen.
Heeft de burgemeester gebruik kunnen maken van zijn bevoegdheid?
11. Verzoekster voert aan dat er geen noodzaak bestaat om de coffeeshop te sluiten, omdat er geen sprake is van een verstoring van de openbare orde. Daarbij komt dat er inmiddels ruim drie maanden zijn verstreken sinds de controle. Daarnaast vindt verzoekster dat de sluiting niet evenwichtig is.
12. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester de noodzaak van de sluiting deugdelijk heeft gemotiveerd.
Conclusie
14. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de burgemeester de coffeeshop mag sluiten. Omdat de sluiting op dit moment gebaseerd is op de APV, kan de verbouwing volgens de burgemeester op dit moment nog wel gewoon doorgaan. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Fransen, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van E.C. Petrusma, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 14 februari 2025.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Deze sluiting is gebaseerd op artikel 2:30, eerste lid, aanhef en onder c, in combinatie met artikel 2:28, zesde lid, aanhef en onder h, van de Algemene plaatselijke verordening Rotterdam 2012.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 september 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2614.
Zie bijvoorbeeld de uitspraken van 14 oktober 2020 (ROT 20/5021) en 14 maart 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:2015.