Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-17
ECLI:NL:RBROT:2025:1834
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
1,284 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 24/85
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 februari 2025 in de zaak tussen
[eiser 1] en [eiser 2], uit [plaatsnaam], eisers
en
het college van burgemeester en wethouders van Voorne aan Zee, het college
(gemachtigden: mr. M.L. Groeneveld en S. Fkiri).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank beroep van eisers tegen het intrekken van een urgentieverklaring.
1.1.
Met het primaire besluit van 24 maart 2023 heeft het college de urgentieverklaring van eisers ingetrokken. Met het bestreden besluit van 4 december 2023 op het bezwaar van eisers is het college daarbij gebleven. Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld.
1.2.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
Eisers hebben op 28 januari 2025 een nader stuk ingediend.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 13 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, [naam 1] en [naam 2] (zoons van eisers) en de gemachtigden van het college.
Beoordeling
Procesbelang
2. Eisers hebben in het nadere stuk van 28 januari 2025 aangegeven in de tussentijd te zijn verhuisd van [adres 1] naar een woning aan [adres 2]. Gelet hierop moet de rechtbank de vraag beantwoorden of eisers een voldoende actueel procesbelang hebben bij de beoordeling van het beroep dat gaat over de intrekking van de urgentieverklaring.
3. Naar het oordeel van de rechtbank is dat niet het geval. Eisers zijn verhuisd naar een woning die, zoals ter zitting bevestigd, aan hun wensen voldoet en hebben daarmee geen urgentieverklaring meer nodig. Eisers willen dat er toch een uitspraak wordt gedaan over de intrekking van de urgentieverklaring en willen ook excuses van het college. Het is vaste rechtspraak dat de bestuursrechter niet gehouden is een inhoudelijk oordeel te geven in een procedure die uitsluitend nog wordt gevoerd om principiële redenen, zodat de wens van eisers om een uitspraak ook geen procesbelang oplevert. Het is verder niet gebleken dat eisers schade hebben geleden als gevolg van de intrekking van de urgentieverklaring of door een andere reden een procesbelang hebben bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
4. Eisers hebben in het nadere stuk van 28 januari 2025 en op zitting aangevoerd aanspraak te maken op een vergoeding voor de kosten van de verhuizing. Deze kosten hebben eisers begroot op:
- kosten voor verhuizen en herinrichten: € 7.156,-;
- dubbele huurlasten: € 850,-;
- kwijtschelding van een lening van de gemeente: € 2.000,-;
- terugbetaling van reeds betaalde termijnen voor aflossing van bovengenoemde lening: € 500,-.
5. De rechtbank kan hierover in deze procedure geen oordeel geven. Voor de kosten van de verhuizing en de inrichting van de nieuwe woning hebben eisers op 15 februari 2024 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand. Het college heeft met een besluit van 7 maart 2024 beslist op deze aanvraag en de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten tot een bedrag van € 2171,39 toegekend. Dat bedrag is deels als lening (€ 1.267,-) verstrekt en deels (€ 904,39) als een gift. Voor zover eisers hebben bedoeld het niet eens te zijn met de hoogte van de verleende bijzondere bijstand, of dat een deel als een lening was verstrekt, had het op de weg van eisers gelegen om tegen dit besluit bezwaar te maken bij het college.
Conclusie
6. De rechtbank zal het beroep niet-ontvankelijk verklaren vanwege het ontbreken van procesbelang. Dat betekent dat de rechtbank het beroep tegen het intrekken van de urgentieverklaring verder niet inhoudelijk behandelt. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De rechtbank verklaart beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.G.L. de Vette, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.