Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-24
ECLI:NL:RBROT:2025:1631
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
9,900 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/236925-22
Datum uitspraak: 24 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] [postcode] [woonplaats] ,
raadsvrouw mr. W.M. Shreki, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. N. Aandewiel heeft gevorderd:
bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten het overtreden van de artikelen 6 en 107 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW);
ten aanzien van feit 1: veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden;
ten aanzien van feit 2: veroordeling van de verdachte tot een geldboete ter hoogte van
€ 370,-, te vervangen door 7 dagen vervangende hechtenis.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feit 2)
Het onder feit 2 ten laste gelegde rijden zonder rijbewijs is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewijswaardering (feit 1)
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft de ten laste gelegde gedragingen van de verdachte niet betwist, met uitzondering van het negeren van een stopteken. De verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken. De gedragingen van de verdachte kunnen niet worden aangemerkt als roekeloos zoals bedoeld in artikel 6 WVW. Uit het dossier blijkt immers dat de verdachte een aanrijding heeft geprobeerd te voorkomen en zijn best heeft gedaan om het slachtoffer niet aan te rijden. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de kwalificatie van het letsel van het slachtoffer.
4.2.2.
Beoordeling
Voorop wordt gesteld dat van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW in elk geval sprake is als sprake is van een overtreding van artikel 5a WVW (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405). Voor een bewezenverklaring van artikel 5a WVW moet de rechtbank beoordelen of de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.
Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte op 10 maart 2022 meerdere verkeersregels heeft geschonden. Hij is op zijn motorfiets, nadat hem een stopteken was gegeven door de politie, met hoge snelheid weggereden en heeft hierbij een snelheid van minimaal 92,5 kilometer per uur gehaald binnen de bebouwde kom. Op dat moment gold daar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Vervolgens is hij bij een verkeerslicht om stilstaande auto’s heen gereden, heeft hij een rood licht genegeerd en heeft hij geen voorrang verleend op het kruispunt, terwijl daar op dat moment een voetganger overstak. Hierdoor heeft de verdachte de voetganger geschept. Gelet op deze omstandigheden, kan worden geconcludeerd dat de verdachte deze verkeersregels opzettelijk in ernstige mate heeft geschonden. Er was bovendien sprake van een situatie waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Dat dit gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, blijkt uit het feit dat de voetganger door de verdachte is geraakt en daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat het rijgedrag van de verdachte is aan te merken als rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW en derhalve ook als roekeloos in de zin van artikel 6 WVW. Het gegeven dat de verdachte op het laatste moment heeft geprobeerd het slachtoffer uit te wijken, maakt dit niet anders.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1.
hij op 10 maart 2022 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos te rijden op
de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Laan op Zuid en de Zuiderspoorstraat en de Lodewijk Pincoffsweg,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar
- nadat hem een stopteken was gegeven door middel van een op een herkenbaar politievoertuig aangebracht stopbord,
- zijn snelheid heeft verhoogd en heeft gereden met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid,
- met een snelheid heeft gereden in de richting van die kruising, die ten minste was gelegen tussen 92 en 95 km/u, terwijl een maximumsnelheid van 50 km/u gold en
- gekomen bij die kruising, niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en
voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht en
- met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, die kruising is opgereden en is gaan oversteken op het moment dat een voetganger, die voor hem, verdachte, van rechts kwam, die kruising inmiddels via de voetgangersoversteekplaats overstak, nadat het voor haar geldende verkeerslicht op groen licht was overgegaan en
- die voetganger niet voor heeft laten gaan en
- vervolgens in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, mevrouw [slachtoffer]
,
waardoor die voetganger/ [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (verbrijzelingsbreuk van
het linker sleutelbeen) werd toegebracht;
2.
hij op 10 maart 2022 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de weg, de Laan op Zuid, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Feiten
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft als bestuurder van een motorfiets een verkeersongeval veroorzaakt. Hij is – nadat hem een stopteken werd gegeven – weggereden van de politie en heeft zijn snelheid verhoogd naar minimaal 92,5 kilometer per uur binnen de bebouwde kom. Vervolgens heeft hij een rood verkeerslicht genegeerd en heeft hij geen voorrang verleend aan de voetganger die op dat moment het zebrapad overstak. Hij heeft haar aangereden en daarbij heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De verdachte heeft met zijn rijgedrag opzettelijk de veiligheid en gezondheid van verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. Het rijgedrag van de verdachte was levensgevaarlijk en volstrekt onverantwoordelijk te noemen, te meer nu hij niet in het bezit was van een rijbewijs. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zonder oog voor eventuele gevolgen voor anderen uit handen van de politie heeft willen blijven.
De verdachte heeft op de terechtzitting spijt betuigd en heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen. Ook heeft hij verklaard inmiddels gestart te zijn met het betalen aan het waarborgfonds, ten behoeve van het slachtoffer.
Voor de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 10 maart 2022. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie jaar verstreken. Deze vertraging is niet aan de verdachte te wijten en de zaak had eerder moeten worden behandeld. De redelijke termijn is dan ook geschonden
Conclusie
Alles afwegend vindt de rechtbank, met uitzondering van de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, de eis van de officier van justitie ten aanzien van feit 1 passend en geboden. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaar. Ten aanzien van feit 2 zal aan de verdachte geen afzonderlijke straf of maatregel worden opgelegd.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 116 (honderdzestien) uren te verrichten taakstraf resteert;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 58 (achtenvijftig) dagen;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
ontzegt de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
bepaalt dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Lange, voorzitter,
en mr. L. Stevens en mr. J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.R. de Graaf, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 maart 2022 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,
namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets),
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos en/of zeer, althans
aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met
aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op
de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de
Laan op Zuid en de Zuiderspoorstraat en de Lodewijk Pincoffsweg, althans op één
van deze wegen,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar
- nadat hem een stopteken was gegeven door middel van een op een herkenbaar
politievoertuig aangebracht stopbord,
- zijn snelheid (meermaals) heeft verhoogd en (telkens) heeft gereden met een (veel)
hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid,
- met een snelheid heeft gereden in de richting van die kruising, die ten minste was
gelegen tussen 92 en 95 km/u, terwijl een maximumsnelheid van 50 km/u gold
en/of
- gekomen bij die kruising, niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of
voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht en/of
- met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, die kruising is opgereden en/of is
gaan oversteken op het moment dat een voetganger, die voor hem, verdachte, van
rechts kwam, die kruising inmiddels via de voetgangersoversteekplaats overstak,
nadat het voor haar geldende verkeerslicht op groen licht was overgegaan en/of
- die voetganger niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, mevrouw [slachtoffer]
,
waardoor die voetganger/ [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (verbrijzelingsbreuk van
het linker sleutelbeen) en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat
daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 maart 2022 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(motorfiets), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de voor het openbaar
verkeer openstaande wegen, de Laan op Zuid en de Zuiderspoorstraat en de
Lodewijk Pincoffsweg, althans op één van deze wegen,
zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon
worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon
worden gehinderd,
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- nadat hem een stopteken was gegeven door middel van een op een herkenbaar
politievoertuig aangebracht stopbord,
- zijn snelheid (meermaals) heeft verhoogd en (telkens) heeft gereden met een (veel)
hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid
- met een snelheid heeft gereden in de richting van die kruising, die ten minste was
gelegen tussen 92 en 95 km/u, terwijl een maximumsnelheid van 50 km/u gold
en/of
- gekomen bij die kruising, niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of
voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht en/of
- met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, die kruising is opgereden en/of is
gaan oversteken op het moment dat een voetganger, die voor hem, verdachte, van
rechts kwam, die kruising inmiddels via de voetgangersoversteekplaats overstak,
nadat het voor haar geldende verkeerslicht op groen licht was overgegaan en/of
- die voetganger niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, mevrouw [slachtoffer]
;
2.
hij op of omstreeks 10 maart 2022 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(motorfiets) heeft gereden op de weg, de Laan op Zuid, zonder dat aan hem door de
daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de
Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van
motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 2
Parketnummer: 10/236925-22
Datum uitspraak: 24 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte]
,
geboren te [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ) op [geboortedatum] 1998,
ingeschreven in de Basisregistratie Personen op het adres:
[adres] [postcode] [woonplaats] ,
raadsvrouw mr. W.M. Shreki, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 24 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. N. Aandewiel heeft gevorderd:
bewezenverklaring van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, te weten het overtreden van de artikelen 6 en 107 van de Wegenverkeerswet 1994 (hierna: WVW);
ten aanzien van feit 1: veroordeling van de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 120 uren, te vervangen door 60 dagen vervangende hechtenis, een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden, met een proeftijd van 2 jaar en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 12 maanden;
ten aanzien van feit 2: veroordeling van de verdachte tot een geldboete ter hoogte van
€ 370,-, te vervangen door 7 dagen vervangende hechtenis.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering (feit 2)
Het onder feit 2 ten laste gelegde rijden zonder rijbewijs is door de verdachte bekend. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewijswaardering (feit 1)
4.2.1.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft de ten laste gelegde gedragingen van de verdachte niet betwist, met uitzondering van het negeren van een stopteken. De verdachte dient daarvan partieel te worden vrijgesproken. De gedragingen van de verdachte kunnen niet worden aangemerkt als roekeloos zoals bedoeld in artikel 6 WVW. Uit het dossier blijkt immers dat de verdachte een aanrijding heeft geprobeerd te voorkomen en zijn best heeft gedaan om het slachtoffer niet aan te rijden. De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de kwalificatie van het letsel van het slachtoffer.
4.2.2.
Beoordeling
Voorop wordt gesteld dat van roekeloosheid in de zin van artikel 6 WVW in elk geval sprake is als sprake is van een overtreding van artikel 5a WVW (HR 15 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1405). Voor een bewezenverklaring van artikel 5a WVW moet de rechtbank beoordelen of de verdachte (a) de verkeersregels heeft geschonden, (b) of hij dat in ernstige mate heeft gedaan, (c) of hij dat opzettelijk heeft gedaan en (d) of daardoor gevaar voor zwaar lichamelijk letsel of het leven van anderen te duchten was.
Op basis van de bewijsmiddelen staat vast dat de verdachte op 10 maart 2022 meerdere verkeersregels heeft geschonden. Hij is op zijn motorfiets, nadat hem een stopteken was gegeven door de politie, met hoge snelheid weggereden en heeft hierbij een snelheid van minimaal 92,5 kilometer per uur gehaald binnen de bebouwde kom. Op dat moment gold daar een maximumsnelheid van 50 kilometer per uur. Vervolgens is hij bij een verkeerslicht om stilstaande auto’s heen gereden, heeft hij een rood licht genegeerd en heeft hij geen voorrang verleend op het kruispunt, terwijl daar op dat moment een voetganger overstak. Hierdoor heeft de verdachte de voetganger geschept. Gelet op deze omstandigheden, kan worden geconcludeerd dat de verdachte deze verkeersregels opzettelijk in ernstige mate heeft geschonden. Er was bovendien sprake van een situatie waarbij levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor anderen te duchten was. Dat dit gevaar zich ook daadwerkelijk heeft verwezenlijkt, blijkt uit het feit dat de voetganger door de verdachte is geraakt en daardoor zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de rechtbank tot de conclusie dat het rijgedrag van de verdachte is aan te merken als rijgedrag zoals omschreven in artikel 5a WVW en derhalve ook als roekeloos in de zin van artikel 6 WVW. Het gegeven dat de verdachte op het laatste moment heeft geprobeerd het slachtoffer uit te wijken, maakt dit niet anders.
4.2.3.
Conclusie
Het onder 1 primair ten laste gelegde is wettig en overtuigend bewezen.
4.3.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank de inhoud van wettige bewijsmiddelen opgenomen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Op grond daarvan, en op grond van de redengevende inhoud van het voorgaande, is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 1 ten laste gelegde heeft begaan.
In bijlage III heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder feit 2 ten laste gelegde heeft begaan.
De verdachte heeft de bewezen verklaarde feiten op die wijze begaan dat:
1.
hij op 10 maart 2022 te Rotterdam als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets), zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos te rijden op
de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de Laan op Zuid en de Zuiderspoorstraat en de Lodewijk Pincoffsweg,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar
- nadat hem een stopteken was gegeven door middel van een op een herkenbaar politievoertuig aangebracht stopbord,
- zijn snelheid heeft verhoogd en heeft gereden met een veel hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid,
- met een snelheid heeft gereden in de richting van die kruising, die ten minste was gelegen tussen 92 en 95 km/u, terwijl een maximumsnelheid van 50 km/u gold en
- gekomen bij die kruising, niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en
voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht en
- met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, die kruising is opgereden en is gaan oversteken op het moment dat een voetganger, die voor hem, verdachte, van rechts kwam, die kruising inmiddels via de voetgangersoversteekplaats overstak, nadat het voor haar geldende verkeerslicht op groen licht was overgegaan en
- die voetganger niet voor heeft laten gaan en
- vervolgens in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, mevrouw [slachtoffer]
,
waardoor die voetganger/ [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (verbrijzelingsbreuk van
het linker sleutelbeen) werd toegebracht;
2.
hij op 10 maart 2022 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets) heeft gereden op de weg, de Laan op Zuid, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feiten
De bewezen feiten leveren op:
overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl de schuld bestaat in roekeloosheid en het een ongeval betreft waardoor een ander lichamelijk letsel wordt toegebracht;
overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.
Feiten
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
De straffen die aan de verdachte worden opgelegd, zijn gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft als bestuurder van een motorfiets een verkeersongeval veroorzaakt. Hij is – nadat hem een stopteken werd gegeven – weggereden van de politie en heeft zijn snelheid verhoogd naar minimaal 92,5 kilometer per uur binnen de bebouwde kom. Vervolgens heeft hij een rood verkeerslicht genegeerd en heeft hij geen voorrang verleend aan de voetganger die op dat moment het zebrapad overstak. Hij heeft haar aangereden en daarbij heeft het slachtoffer zwaar lichamelijk letsel opgelopen. De verdachte heeft met zijn rijgedrag opzettelijk de veiligheid en gezondheid van verkeersdeelnemers in gevaar gebracht. Het rijgedrag van de verdachte was levensgevaarlijk en volstrekt onverantwoordelijk te noemen, te meer nu hij niet in het bezit was van een rijbewijs. De rechtbank rekent het de verdachte aan dat hij zonder oog voor eventuele gevolgen voor anderen uit handen van de politie heeft willen blijven.
De verdachte heeft op de terechtzitting spijt betuigd en heeft verantwoordelijkheid genomen voor zijn gedragingen. Ook heeft hij verklaard inmiddels gestart te zijn met het betalen aan het waarborgfonds, ten behoeve van het slachtoffer.
Voor de strafoplegging heeft de rechtbank gekeken naar een uittreksel uit de justitiële documentatie van 29 november 2024, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.
Op grond van artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (HGEU) en artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) dient de verdachte binnen een redelijke termijn te worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld, te weten op 10 maart 2022. Tot aan dit vonnis is een periode van bijna drie jaar verstreken. Deze vertraging is niet aan de verdachte te wijten en de zaak had eerder moeten worden behandeld. De redelijke termijn is dan ook geschonden
Conclusie
Alles afwegend vindt de rechtbank, met uitzondering van de onvoorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid, de eis van de officier van justitie ten aanzien van feit 1 passend en geboden. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en het tijdsverloop zal de rechtbank de ontzegging van de rijbevoegdheid geheel voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van 2 jaar. Ten aanzien van feit 2 zal aan de verdachte geen afzonderlijke straf of maatregel worden opgelegd.
8Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 107, 175, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
9Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte ook daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit tot een taakstraf voor de duur van 120 (honderdtwintig) uren, waarbij Reclassering Nederland dient te bepalen uit welke werkzaamheden de taakstraf dient te bestaan;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering wordt gebracht volgens de maatstaf van twee uren per dag, zodat na deze aftrek 116 (honderdzestien) uren te verrichten taakstraf resteert;
beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 58 (achtenvijftig) dagen;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden;
bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
ontzegt de verdachte ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde feit de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van 12 (twaalf) maanden;
bepaalt dat deze ontzegging van de rijbevoegdheid niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft dat hij zich vóór het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;
bepaalt dat ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde feit geen straf of maatregel wordt opgelegd.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. de Lange, voorzitter,
en mr. L. Stevens en mr. J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J.R. de Graaf, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 10 maart 2022 te Rotterdam als verkeersdeelnemer,
namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (motorfiets),
zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft
plaatsgevonden door met dat motorrijtuig roekeloos en/of zeer, althans
aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend en/of onachtzaam en/of met
aanmerkelijke verwaarlozing van de te dezen geboden zorgvuldigheid te rijden op
de kruising gevormd door de voor het openbaar verkeer openstaande wegen, de
Laan op Zuid en de Zuiderspoorstraat en de Lodewijk Pincoffsweg, althans op één
van deze wegen,
welk rijgedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar
- nadat hem een stopteken was gegeven door middel van een op een herkenbaar
politievoertuig aangebracht stopbord,
- zijn snelheid (meermaals) heeft verhoogd en (telkens) heeft gereden met een (veel)
hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid,
- met een snelheid heeft gereden in de richting van die kruising, die ten minste was
gelegen tussen 92 en 95 km/u, terwijl een maximumsnelheid van 50 km/u gold
en/of
- gekomen bij die kruising, niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of
voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht en/of
- met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, die kruising is opgereden en/of is
gaan oversteken op het moment dat een voetganger, die voor hem, verdachte, van
rechts kwam, die kruising inmiddels via de voetgangersoversteekplaats overstak,
nadat het voor haar geldende verkeerslicht op groen licht was overgegaan en/of
- die voetganger niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, mevrouw [slachtoffer]
,
waardoor die voetganger/ [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel (verbrijzelingsbreuk van
het linker sleutelbeen) en/of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat
daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale
bezigheden is ontstaan;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 10 maart 2022 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(motorfiets), daarmee rijdende op de kruising gevormd door de voor het openbaar
verkeer openstaande wegen, de Laan op Zuid en de Zuiderspoorstraat en de
Lodewijk Pincoffsweg, althans op één van deze wegen,
zich zodanig heeft gedragen dat gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon
worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon
worden gehinderd,
welk gedrag hierin heeft bestaan dat hij, verdachte, toen daar,
- nadat hem een stopteken was gegeven door middel van een op een herkenbaar
politievoertuig aangebracht stopbord,
- zijn snelheid (meermaals) heeft verhoogd en (telkens) heeft gereden met een (veel)
hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane maximum snelheid
- met een snelheid heeft gereden in de richting van die kruising, die ten minste was
gelegen tussen 92 en 95 km/u, terwijl een maximumsnelheid van 50 km/u gold
en/of
- gekomen bij die kruising, niet is gestopt voor een in zijn richting gekeerd en/of
voor het verkeer in zijn richting geldend rood licht uitstralend verkeerslicht en/of
- met die snelheid, althans nagenoeg die snelheid, die kruising is opgereden en/of is
gaan oversteken op het moment dat een voetganger, die voor hem, verdachte, van
rechts kwam, die kruising inmiddels via de voetgangersoversteekplaats overstak,
nadat het voor haar geldende verkeerslicht op groen licht was overgegaan en/of
- die voetganger niet voor heeft laten gaan en/of
- ( vervolgens) in botsing of aanrijding is gekomen met die voetganger, mevrouw [slachtoffer]
;
2.
hij op of omstreeks 10 maart 2022 te Rotterdam als bestuurder van een motorrijtuig
(motorfiets) heeft gereden op de weg, de Laan op Zuid, zonder dat aan hem door de
daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de
Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van
motorrijtuigen, waartoe dat motorrijtuig behoorde.