Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-12
ECLI:NL:RBROT:2025:1626
Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
9,320 tokens
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/893 en ROT 25/1019
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2025 in de zaak tussen
1. [verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4],
[verzoeker 5], [verzoeker 6], [verzoeker 7] uit [plaatsnaam], verzoekers 1
(gemachtigde: mr. M.J.E. Boudesteijn),
2. [verzoeker 8], [verzoeker 9], [verzoeker 10], [verzoeker 11] uit [plaatsnaam], verzoekers 2(gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Rotterdam (vergunninghoudster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de aan de gemeente Rotterdam verleende omgevingsvergunning voor het plegen van groot onderhoud en het herinrichten van drie groene openbare deelgebieden aan de Strekkade in Rotterdam door middel van vlonders, natuurlijke oevers en ecologisch groen.
1.1.
Het college heeft deze omgevingsvergunning bij besluit van 6 januari 2025 verleend (het bestreden besluit). Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt het besluit van 6 januari 2025 te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.2.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 1], de gemachtigde van verzoekers 1,[verzoeker 8], [verzoeker 11] en de gemachtigde van verzoekers 2, de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door mr. D.J. Edelman, [naam 1], [naam 2].
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
3. De vergunning is aangevraagd voor het plegen van groot onderhoud en het herinrichten van drie groene openbare deelgebieden aan de Bergse Voorplas door middel van het aanbrengen van voor openbaar gebruik bestemde vlonders, natuurvriendelijke oevers en ecologisch groen.
Spoedeisend belang
4. De bezwaren van verzoekers zien op de vlonders die op de percelen en op het water worden aangebracht. Tegen het opschonen van de begroeiing en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en ecologisch groen hebben verzoekers geen bezwaar. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. De percelen zijn inmiddels opgeschoond en de bouw van de vlonders staat gepland op korte termijn: vanaf week 8 voor Steilrand Zuid, vanaf week 13 voor Steilrand Midden en vanaf week 16 voor Steilrand Noord.
Informatievoorziening
5. Verzoekers hebben aangevoerd het onzorgvuldig is dat het college bij het besluit van 13 november 2024, waarbij de vergunning van 29 april 2024 voor het project is ingetrokken omdat niet de juiste procedure is gevolgd, niet gemeld heeft dat op 7 november 2024 reeds een nieuwe aanvraag was ingediend. Verder vinden verzoekers het onzorgvuldig dat zij op 20 december 2024 een bewonersbrief ontvingen met de mededeling dat in de week van 27 januari 2025 met de werkzaamheden zou worden begonnen, terwijl op dat moment nog geen omgevingsvergunning was verleend.
5.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun stelling dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld. De aanvraag die tot verlening van de omgevingsvergunning heeft geleid is op 7 november 2024 gepubliceerd en het college was niet verplicht om in het intrekkingsbesluit van 13 november 2024 te vermelden dat inmiddels een nieuwe aanvraag was ingediend. Het college heeft met de brief van 20 december 2024 de bewoners tijdig willen informeren over de start van de werkzaamheden begin 2025. In de brief had het college duidelijker kunnen verwoorden dat de vereiste omgevingsvergunning nog voor de start van de werkzaamheden zou worden verleend, maar de voorzieningenrechter acht dit niet onzorgvuldig.
Onduidelijkheid in publicatie
6. Verzoekers wijzen erop dat in de omgevingsvergunning en in de publicatie is vermeld dat het project ziet op Strekkade 35. Dit klopt alleen voor Steilrand Noord. Steilrand Midden en Steilrand Zuid bevinden zich op honderden meters van dit perceel, waardoor onduidelijk is voor welke locaties de omgevingsvergunning is verleend.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende duidelijk is waar het project gerealiseerd wordt. De publicatie en de verleende omgevingsvergunning vermelden dat het gaat om drie openbare deelgebieden aan de Bergse Voorplas nabij [adres]. Op 23 mei 2024 zijn omwonenden uitgenodigd voor een bewonersbijeenkomst waarbij aan de orde is geweest om welke drie gebieden het gaat. Verder hebben verzoekers eerder bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening van 29 april 2024 dat op de herinrichting van dezelfde percelen zag.
Toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op de drie locaties waar het project gerealiseerd wordt, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Kern en Plassen” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Rotterdam. Volgens het bestemmingsplan “Kern en Plassen” gelden op de drie locaties de bestemmingen “Groen” en “Water 2”.
7.1.
Het college heeft de aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit getoetst aan artikel 5.21 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.29, eerste lid, van de planregels van het omgevingsplan. Het project is volgens het college in strijd met de artikelen 12 en 34 van het omgevingsplan, omdat in de bestemmingen “Groen” en “Water” geen vlonders zijn toegestaan. Het omgevingsplan biedt geen mogelijkheid tot afwijking. Het college heeft besloten van het omgevingsplan af te wijken via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) met toepassing van artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
7.2.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Bkl staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Standpunt verzoekers
8. Verzoekers zijn eigenaren van percelen in de omgeving van de drie locaties. Door de aanleg van steigers en vlonders worden deze locaties toegankelijk en aantrekkelijk gemaakt voor publiek. Er zal volgens verzoekers een recreatiegebied ontstaan waar jongeren op af zullen komen om te zwemmen, varen en rond te hangen en waarvan verzoekers overlast zullen ondervinden. De Strekkade is een smal wandelpad dat daardoor ongeschikt voor fietsen en scooters. Verzoekers vrezen voor vervuiling van de omgeving omdat er geen toiletvoorzieningen en vuilnisbakken zijn. Bovendien zal recreatief gebruik verstorend werken op de natuur, planten en dieren in de omgeving van de plas. Volgens verzoekers zijn er voldoende alternatieve locaties in de omgeving die voor publiek toegankelijk zijn, zoals bij het Prinsmolenpad.
Standpunt college
9. De Strekkade is een lange oever met vooral private percelen. Een uitzondering daarop zijn drie openbare plekken, die echter lange tijd niet zijn onderhouden en daardoor vrijwel ontoegankelijk waren voor publiek. Het is een lang gekoesterde wens van de gemeente om de Bergse Plassen op meer plekken beleefbaar te maken voor passanten. De visuele impact van de steigers/vlonders op de totale aanblik van Bergse Plassen is verwaarloosbaar. Uit het verweerschrift blijkt dat het college in de bezwaarfase zal heroverwegen of de vlonders binnen de bestemming “Groen” wellicht toch passend zijn binnen deze bestemming; deze vlonders fungeren als verharde voetpaden, wat binnen deze bestemming is toegestaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college verklaard dat dan ook zal worden bezien of de afwijking van de vlonders/steigers binnen de bestemming “Water 2” nodig is voor de gehele steiger of alleen voor het stuk dat meer dan vijf meter vanaf de oever is gelegen.
Conclusie
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst en dat de werkzaamheden voor de bouw van de vlonders/steigers doorgang kunnen vinden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter
wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L.F. de Leeuw, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025.
De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: wettelijk kader
Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow: Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, […] tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18 van de Ow:
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
3. Artikel 2.32, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op die regels.
Artikel 5.21 van de Ow:
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
a. ade omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,
bde omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
cop de beslissing of de omgevingsvergunning in een geval als bedoeld onder b kan worden verleend als het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan van provinciaal of nationaal belang geheel en als het gaat om een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing zijn:
1°. de op grond van de artikelen 2.22 en 2.24 gestelde regels over omgevingsplannen,
2°. de op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 gegeven instructies over omgevingsplannen.
3. De regels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, onder 1°, strekken er ook toe dat als in een op grond van artikel 2.22 gestelde regel toepassing is gegeven aan artikel 2.32, eerste lid, een verzoek als bedoeld in laatstbedoeld lid ook kan worden gedaan door Onze Minister die het aangaat.
4. Van het tweede lid kan worden afgeweken voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een maatwerkregel.
Artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl: Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 22.29 van het Omgevingsplan van de gemeente Rotterdam:
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. ade activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
bhet uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
cde activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
1de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
2bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
a. ahet gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
bhet bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 12.1 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: De voor “Groen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen, met bijbehorende voet- en fietspaden en watergangen;
b. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming;
c. kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer;
d. ter plaatse van de aanduiding “terras”, tevens voor een terras ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van een aangrenzende bestemming.
Artikel 12.2.1 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: Op de voor “Groen” bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens:
a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke in de bestemming passen, zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers, niet groter dan 10 m3 (al dan niet ondergronds), bovenleidingsmasten c.q. -portalen ten behoeve van trambanen, bruggen, duikers;
b. uitstekende delen aan gebouwen, niet dieper dan 2 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld;
c. kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, zoals gemaalgebouwtjes, telefooncellen, gasdrukregel- en meetstations, wachthuisjes e.d., niet groter dan 80 m3;
d. terrasafscheidingen ter plaatse van de aanduiding terras op de plankaart met een maximum hoogte van 1,5 meter;
e. gebouwen mogen niet hoger zijn dan 4,2 meter; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet hoger dan 15 meter.
Artikel 34.1 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: De voor “Water – 2” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. waterlopen en waterberging, de aan- en afvoer van oppervlaktewater, alsmede voor verkeer te water met bijbehorende voorzieningen;
b. ter plaatse van de aanduiding “brug”, tevens voor een brug;
c. aanlegsteigers;
d. ter plaatse van de aanduiding “woonschepenligplaats”, tevens voor woonschepen, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals loopplanken, aanlegsteigers, meerpalen;
e. overkappingen voor een boot.
Artikel 34.2.1 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: Op de voor “Water – 2” bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van waterbouwkundige aard, zoals keerwanden, beschoeiingen, duikers, bruggen, gemalen e.d., met dien verstande dat bruggen uitsluitend toegestaan zijn ter plaatse van de aanduiding “brug”.
Artikel 34.2.3 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: Een aanlegsteiger is toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:
a. in de Bergse Voor- en Achterplas mogen aanlegsteigers niet dieper dan 5 meter uit de plasoever reiken, mits een doorvaartbreedte van ten minste 15 meter resteert;
b. in de watergangen gelegen ten noordoosten van de brug van de C.N.A. Looslaan mogen aanlegsteigers niet dieper dan 0,5 meter uit de oever reiken;
c. de breedte van aanlegsteigers mag niet meer dan 1,5 meter bedragen in de Bergse Voor- en Achterplas, doch niet meer dan 1 meter in de watergangen ten noordoosten van de brug van de C.N.A. Looslaan;
d.
Inleiding
RECHTBANK ROTTERDAM
Bestuursrecht
zaaknummers: ROT 25/893 en ROT 25/1019
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 februari 2025 in de zaak tussen
1. [verzoeker 1], [verzoeker 2], [verzoeker 3], [verzoeker 4],
[verzoeker 5], [verzoeker 6], [verzoeker 7] uit [plaatsnaam], verzoekers 1
(gemachtigde: mr. M.J.E. Boudesteijn),
2. [verzoeker 8], [verzoeker 9], [verzoeker 10], [verzoeker 11] uit [plaatsnaam], verzoekers 2(gemachtigde: mr. J.G.M. Roijers)
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, het college
(gemachtigde: mr. drs. M.A.C. Kooij).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: de gemeente Rotterdam (vergunninghoudster).
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op de verzoeken om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de aan de gemeente Rotterdam verleende omgevingsvergunning voor het plegen van groot onderhoud en het herinrichten van drie groene openbare deelgebieden aan de Strekkade in Rotterdam door middel van vlonders, natuurlijke oevers en ecologisch groen.
1.1.
Het college heeft deze omgevingsvergunning bij besluit van 6 januari 2025 verleend (het bestreden besluit). Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt. Daarnaast hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen die er toe strekt het besluit van 6 januari 2025 te schorsen tot zes weken na de beslissing op bezwaar.
1.2.
Het college heeft op de verzoeken gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 6 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [verzoeker 1], de gemachtigde van verzoekers 1,[verzoeker 8], [verzoeker 11] en de gemachtigde van verzoekers 2, de gemachtigde van verweerder, bijgestaan door mr. D.J. Edelman, [naam 1], [naam 2].
Beoordeling
2. De voorzieningenrechter wijst de verzoeken af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of zij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Om dit te beoordelen beantwoordt zij aan de hand van de gronden van verzoekers.
3. De vergunning is aangevraagd voor het plegen van groot onderhoud en het herinrichten van drie groene openbare deelgebieden aan de Bergse Voorplas door middel van het aanbrengen van voor openbaar gebruik bestemde vlonders, natuurvriendelijke oevers en ecologisch groen.
Spoedeisend belang
4. De bezwaren van verzoekers zien op de vlonders die op de percelen en op het water worden aangebracht. Tegen het opschonen van de begroeiing en het aanleggen van natuurvriendelijke oevers en ecologisch groen hebben verzoekers geen bezwaar. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekers een spoedeisend belang hebben bij het treffen van een voorlopige voorziening. De percelen zijn inmiddels opgeschoond en de bouw van de vlonders staat gepland op korte termijn: vanaf week 8 voor Steilrand Zuid, vanaf week 13 voor Steilrand Midden en vanaf week 16 voor Steilrand Noord.
Informatievoorziening
5. Verzoekers hebben aangevoerd het onzorgvuldig is dat het college bij het besluit van 13 november 2024, waarbij de vergunning van 29 april 2024 voor het project is ingetrokken omdat niet de juiste procedure is gevolgd, niet gemeld heeft dat op 7 november 2024 reeds een nieuwe aanvraag was ingediend. Verder vinden verzoekers het onzorgvuldig dat zij op 20 december 2024 een bewonersbrief ontvingen met de mededeling dat in de week van 27 januari 2025 met de werkzaamheden zou worden begonnen, terwijl op dat moment nog geen omgevingsvergunning was verleend.
5.1.
De voorzieningenrechter volgt verzoekers niet in hun stelling dat het college onzorgvuldig heeft gehandeld. De aanvraag die tot verlening van de omgevingsvergunning heeft geleid is op 7 november 2024 gepubliceerd en het college was niet verplicht om in het intrekkingsbesluit van 13 november 2024 te vermelden dat inmiddels een nieuwe aanvraag was ingediend. Het college heeft met de brief van 20 december 2024 de bewoners tijdig willen informeren over de start van de werkzaamheden begin 2025. In de brief had het college duidelijker kunnen verwoorden dat de vereiste omgevingsvergunning nog voor de start van de werkzaamheden zou worden verleend, maar de voorzieningenrechter acht dit niet onzorgvuldig.
Onduidelijkheid in publicatie
6. Verzoekers wijzen erop dat in de omgevingsvergunning en in de publicatie is vermeld dat het project ziet op Strekkade 35. Dit klopt alleen voor Steilrand Noord. Steilrand Midden en Steilrand Zuid bevinden zich op honderden meters van dit perceel, waardoor onduidelijk is voor welke locaties de omgevingsvergunning is verleend.
6.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende duidelijk is waar het project gerealiseerd wordt. De publicatie en de verleende omgevingsvergunning vermelden dat het gaat om drie openbare deelgebieden aan de Bergse Voorplas nabij [adres]. Op 23 mei 2024 zijn omwonenden uitgenodigd voor een bewonersbijeenkomst waarbij aan de orde is geweest om welke drie gebieden het gaat. Verder hebben verzoekers eerder bezwaar gemaakt tegen de vergunningverlening van 29 april 2024 dat op de herinrichting van dezelfde percelen zag.
Toetsingskader
7. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking getreden. Met de inwerkingtreding van deze wet heeft elke gemeente direct een omgevingsplan van rechtswege dat regels geeft over de fysieke leefomgeving voor het gehele grondgebied van de gemeente. Dat omgevingsplan bestaat voor nu uit een tijdelijk deel, waarin onder meer alle bestemmingsplannen zijn opgenomen die vóór 1 januari 2024 golden. Op de drie locaties waar het project gerealiseerd wordt, was vóór 1 januari 2024 het bestemmingsplan “Kern en Plassen” van kracht. Dat bestemmingsplan maakt dus onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Rotterdam. Volgens het bestemmingsplan “Kern en Plassen” gelden op de drie locaties de bestemmingen “Groen” en “Water 2”.
7.1.
Het college heeft de aanvraag voor de omgevingsplanactiviteit getoetst aan artikel 5.21 van de Omgevingswet in samenhang met artikel 22.29, eerste lid, van de planregels van het omgevingsplan. Het project is volgens het college in strijd met de artikelen 12 en 34 van het omgevingsplan, omdat in de bestemmingen “Groen” en “Water” geen vlonders zijn toegestaan. Het omgevingsplan biedt geen mogelijkheid tot afwijking. Het college heeft besloten van het omgevingsplan af te wijken via een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) met toepassing van artikel 5.1, eerste lid, van de Omgevingswet in samenhang met artikel 8.0a, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
7.2.
Een activiteit die in strijd is met het (tijdelijk deel van) het omgevingsplan wordt een omgevingsplanactiviteit genoemd. Op grond van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingswet is het verboden om zonder omgevingsvergunning een omgevingsplanactiviteit te verrichten. In het Bkl staan beoordelingsregels. Deze beoordelingsregels vormen het toetsingskader dat geldt wanneer het college de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit verleent. In artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl staat dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit alleen wordt verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Standpunt verzoekers
8. Verzoekers zijn eigenaren van percelen in de omgeving van de drie locaties. Door de aanleg van steigers en vlonders worden deze locaties toegankelijk en aantrekkelijk gemaakt voor publiek. Er zal volgens verzoekers een recreatiegebied ontstaan waar jongeren op af zullen komen om te zwemmen, varen en rond te hangen en waarvan verzoekers overlast zullen ondervinden. De Strekkade is een smal wandelpad dat daardoor ongeschikt voor fietsen en scooters. Verzoekers vrezen voor vervuiling van de omgeving omdat er geen toiletvoorzieningen en vuilnisbakken zijn. Bovendien zal recreatief gebruik verstorend werken op de natuur, planten en dieren in de omgeving van de plas. Volgens verzoekers zijn er voldoende alternatieve locaties in de omgeving die voor publiek toegankelijk zijn, zoals bij het Prinsmolenpad.
Standpunt college
9. De Strekkade is een lange oever met vooral private percelen. Een uitzondering daarop zijn drie openbare plekken, die echter lange tijd niet zijn onderhouden en daardoor vrijwel ontoegankelijk waren voor publiek. Het is een lang gekoesterde wens van de gemeente om de Bergse Plassen op meer plekken beleefbaar te maken voor passanten. De visuele impact van de steigers/vlonders op de totale aanblik van Bergse Plassen is verwaarloosbaar. Uit het verweerschrift blijkt dat het college in de bezwaarfase zal heroverwegen of de vlonders binnen de bestemming “Groen” wellicht toch passend zijn binnen deze bestemming; deze vlonders fungeren als verharde voetpaden, wat binnen deze bestemming is toegestaan. Op de zitting heeft de gemachtigde van het college verklaard dat dan ook zal worden bezien of de afwijking van de vlonders/steigers binnen de bestemming “Water 2” nodig is voor de gehele steiger of alleen voor het stuk dat meer dan vijf meter vanaf de oever is gelegen.
Conclusie
12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat de omgevingsvergunning niet wordt geschorst en dat de werkzaamheden voor de bouw van de vlonders/steigers doorgang kunnen vinden. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Dictum
De voorzieningenrechter
wijst de verzoeken om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Vrolijk, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.L.F. de Leeuw, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2025.
De griffier is verhinderd de uitspraak te tekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: wettelijk kader
Artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Ow: Het is verboden zonder omgevingsvergunning de volgende activiteiten te verrichten: a. een omgevingsplanactiviteit, […] tenzij het gaat om een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen geval.
Artikel 5.18 van de Ow:
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over het verlenen of weigeren van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 5.1.
2. Daarbij kunnen regels worden gesteld over de motivering van de beslissing tot het verlenen of weigeren.
3. Artikel 2.32, tweede tot en met zesde lid, is van overeenkomstige toepassing op die regels.
Artikel 5.21 van de Ow:
1. Voor een omgevingsplanactiviteit worden de regels, bedoeld in artikel 5.18, gesteld met het oog op de doelen van de wet.
2. De regels strekken er in ieder geval toe dat:
a. ade omgevingsvergunning wordt verleend met toepassing van daarvoor in het omgevingsplan gestelde regels,
bde omgevingsvergunning ook kan worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties,
cop de beslissing of de omgevingsvergunning in een geval als bedoeld onder b kan worden verleend als het gaat om een omgevingsplanactiviteit anders dan van provinciaal of nationaal belang geheel en als het gaat om een omgevingsplanactiviteit van provinciaal of nationaal belang gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing zijn:
1°. de op grond van de artikelen 2.22 en 2.24 gestelde regels over omgevingsplannen,
2°. de op grond van de artikelen 2.33 en 2.34 gegeven instructies over omgevingsplannen.
3. De regels, bedoeld in het tweede lid, aanhef en onder c, onder 1°, strekken er ook toe dat als in een op grond van artikel 2.22 gestelde regel toepassing is gegeven aan artikel 2.32, eerste lid, een verzoek als bedoeld in laatstbedoeld lid ook kan worden gedaan door Onze Minister die het aangaat.
4. Van het tweede lid kan worden afgeweken voor een omgevingsplanactiviteit die betrekking heeft op een maatwerkregel.
Artikel 8.0a, tweede lid, van het Bkl: Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Artikel 22.29 van het Omgevingsplan van de gemeente Rotterdam:
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a. ade activiteit niet in strijd is met de in dit omgevingsplan gestelde regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, met uitzondering van paragraaf 22.2.4;
bhet uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, niet in strijd is met redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota, bedoeld in artikel 12a, eerste lid, van de Woningwet, zoals dat artikel luidde voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet; en
cde activiteit betrekking heeft op een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie en:
1de toelaatbare kwaliteit van de bodem niet wordt overschreden; of
2bij overschrijding van de toelaatbare kwaliteit van de bodem: als aannemelijk is dat een sanerende of andere beschermende maatregelen wordt getroffen. Een sanerende of andere beschermende maatregel is in ieder geval een sanering overeenkomstig paragraaf 4.121 van het Besluit activiteiten leefomgeving.
2. Het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing als:
a. ahet gaat om een in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, aangewezen gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn; of
bhet bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking van het eerste lid, aanhef en onder b, toch moet worden verleend.
Artikel 12.1 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: De voor “Groen” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. groenvoorzieningen, met bijbehorende voet- en fietspaden en watergangen;
b. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming;
c. kleinschalige voorzieningen voor openbaar nut en verkeer en vervoer;
d. ter plaatse van de aanduiding “terras”, tevens voor een terras ten behoeve van een horecavestiging die is toegelaten op grond van een aangrenzende bestemming.
Artikel 12.2.1 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: Op de voor “Groen” bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens:
a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, welke in de bestemming passen, zoals straatmeubilair, huisvuilcontainers, niet groter dan 10 m3 (al dan niet ondergronds), bovenleidingsmasten c.q. -portalen ten behoeve van trambanen, bruggen, duikers;
b. uitstekende delen aan gebouwen, niet dieper dan 2 meter uit de gevel en ten minste 2,2 meter boven maaiveld;
c. kleine gebouwen voor openbaar nut, verkeer en vervoer, zoals gemaalgebouwtjes, telefooncellen, gasdrukregel- en meetstations, wachthuisjes e.d., niet groter dan 80 m3;
d. terrasafscheidingen ter plaatse van de aanduiding terras op de plankaart met een maximum hoogte van 1,5 meter;
e. gebouwen mogen niet hoger zijn dan 4,2 meter; bouwwerken, geen gebouwen zijnde, niet hoger dan 15 meter.
Artikel 34.1 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: De voor “Water – 2” aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. waterlopen en waterberging, de aan- en afvoer van oppervlaktewater, alsmede voor verkeer te water met bijbehorende voorzieningen;
b. ter plaatse van de aanduiding “brug”, tevens voor een brug;
c. aanlegsteigers;
d. ter plaatse van de aanduiding “woonschepenligplaats”, tevens voor woonschepen, met de daarbij behorende voorzieningen, zoals loopplanken, aanlegsteigers, meerpalen;
e. overkappingen voor een boot.
Artikel 34.2.1 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: Op de voor “Water – 2” bestemde gronden mag niet worden gebouwd, behoudens bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van waterbouwkundige aard, zoals keerwanden, beschoeiingen, duikers, bruggen, gemalen e.d., met dien verstande dat bruggen uitsluitend toegestaan zijn ter plaatse van de aanduiding “brug”.
Artikel 34.2.3 van het Bestemmingsplan Kern en Plassen: Een aanlegsteiger is toegestaan met inachtneming van de volgende voorwaarden:
a. in de Bergse Voor- en Achterplas mogen aanlegsteigers niet dieper dan 5 meter uit de plasoever reiken, mits een doorvaartbreedte van ten minste 15 meter resteert;
b. in de watergangen gelegen ten noordoosten van de brug van de C.N.A. Looslaan mogen aanlegsteigers niet dieper dan 0,5 meter uit de oever reiken;
c. de breedte van aanlegsteigers mag niet meer dan 1,5 meter bedragen in de Bergse Voor- en Achterplas, doch niet meer dan 1 meter in de watergangen ten noordoosten van de brug van de C.N.A.