Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-12-24
ECLI:NL:RBROT:2025:15746
Civiel recht
Kort geding
7,123 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15746 text/xml public 2026-04-10T10:07:16 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-12-24 C/10/710216 / KG ZA 25-1145 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15746 text/html public 2026-04-10T10:00:41 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15746 Rechtbank Rotterdam , 24-12-2025 / C/10/710216 / KG ZA 25-1145 Kort geding. Partijen zijn eigenaar van een gebouw dat door een lasthebber wordt verhuurd aan een derde. Eiser vordert dat gedaagde aan de huurder laat weten dat de overeenkomst van lastgeving is geëindigd en dat zij de huur voortaan aan eiser moet gaan betalen. Afwijzing vordering. Vordering heeft een declaratoir karakter en een spoedeisend belang ontbreekt. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/710216 / KG ZA 25-1145 Vonnis in kort geding van 24 december 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser advocaten: mrs. G. Barendregt en E. Ayerdem, tegen PROBA B.V. , gevestigd te Boskoop, gedaagde, advocaat: mr. W. van Leuveren, waarin zich aan de zijde van gedaagde heeft gevoegd: [persoon A] , wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. W. van Leuveren. Partijen worden hierna [eiser] , Proba en [persoon A] genoemd. De zaak in het kort [eiser] en [persoon A] waren samen indirect aandeelhouders en bestuurders van Proba. Zij waren ook samen eigenaar van een gebouw in Boskoop. Proba heeft dit gebouw in 2021 op grond van een lastgeving van [eiser] en [persoon A] aan een derde verhuurd. Later hebben [eiser] en [persoon A] het gebouw gesplitst en verdeeld, waardoor zij nu beiden eigenaar zijn van een deel. Begin 2025 heeft [eiser] zijn aandelen in Proba overgedragen aan [persoon A] . Ook is hij uitgetreden als bestuurder van Proba. Volgens [eiser] heeft Proba vervolgens nagelaten om de huurinkomsten maandelijks af te rekenen. Daarom heeft [eiser] de lastgeving beëindigd. In dit kort geding vordert hij dat Proba de verhuurder daarover informeert en laat weten dat zij niet langer gerechtigd is om huur te innen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 2 december 2025, met producties 1 tot en met 16, de conclusie van antwoord van Proba, met producties 1 tot en met 20, de incidentele vordering tot voeging van [persoon A] , de aanvullende producties 17 tot en met 23 van [eiser] , de spreekaantekeningen van mr. Barendregt, de spreekaantekeningen van mr. Van Leuveren. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. 1.3. [persoon A] heeft gevorderd om zich aan de zijde van Proba te mogen voegen. De vordering is aan begin van de mondelinge behandeling besproken. [eiser] heeft verweer gevoerd omdat volgens hem onduidelijk is welke nadelige gevolgen [persoon A] zou kunnen ondervinden van een voor Proba nadelige uitkomst van deze procedure. De voorzieningenrechter heeft de voeging toegestaan aangezien [persoon A] daar belang bij heeft. [persoon A] is immers partij bij de lastgevingsovereenkomst waar het in dit kort geding over gaat. Een eventuele toewijzing van de vorderingen van [eiser] heeft daarmee ook gevolgen voor [persoon A] , met name voor de afrekening van de huurinkomsten. 2 De feiten 2.1. Proba is op 27 november 1995 opgericht. Haar activiteiten bestaan uit advieswerkzaamheden op het gebied van management en projectorganisatie. 2.2. [eiser] en [persoon A] hielden via hun vennootschappen Stebo B.V. (hierna Stebo) en Joli Holding Boskoop B.V. (hierna: Joli) respectievelijk 40% en 60% van de aandelen in Proba. Stebo en Joli waren tevens de bestuurders van Proba. 2.3. Op 4 januari 2007 zijn [eiser] en [persoon A] eigenaar geworden van twee percelen grond met bedrijfsopstallen aan het Rijneveld 153a in Boskoop. Op voornoemde datum hebben [eiser] en [persoon A] ook een overeenkomst van lastgeving gesloten met Proba. Daarin hebben [eiser] en [persoon A] als lastgever aan Proba als lasthebber de last gegeven om een gebouw op de percelen, ingericht als kantoor annex proefstation met laboratorium en onderzoeksruimten (hierna: het gebouw), op een door lasthebber te bepalen wijze te verhuren en in dat kader betalingen te doen of te ontvangen. 2.4. Met ingang van 1 juli 2021 verhuurt Proba een gedeelte van het gebouw aan GRS Services B.V., GRS Inkoop B.V. en GRS Retail B.V. (hierna: GRS). 2.5. Bij akte van 2 juli 2021 zijn de percelen met bedrijfsopstallen gesplitst en verdeeld tussen [eiser] en [persoon A] . Daardoor is het gedeelte van het gebouw dat GRS huurt voor een groot deel eigendom geworden van [eiser] . GRS maakt echter ook gebruik van voorzieningen die thans eigendom van [persoon A] zijn, zoals de lift, een ruimte met installaties, leidingen, parkeerplaatsen, toegangsroutes en nutsvoorzieningen. 2.6. Op 1 januari 2025 is Stebo uitgetreden als bestuurder van Proba. 2.7. Op 27 februari 2025 hebben Stebo en Joli een koopovereenkomst gesloten, waarbij Stebo haar aandelen in Proba heeft verkocht aan Joli voor een bedrag van € 392.000,00. Artikel 8 lid 5 van de koopovereenkomst bepaalt: “Het noodzakelijke onderhoud op de locatie Rijneveld 153-a zal op de gebruikelijke wijze in de boekhouding van de Vennootschap [vzr: Proba] worden verwerkt en de huurinkomsten van locatie Rijneveld 153-a blijven via de vennootschap lopen en maandelijks afgerekend.” 2.8. Op 31 maart 2025 heeft Stebo de aandelen in Proba aan Joli geleverd. 2.9. Na de verkoop en levering van de aandelen is tussen [eiser] en [persoon A] discussie ontstaan over de afrekening door Proba met Stebo en Joli van de huurinkomsten. [eiser] meent dat een maandelijkse afrekening is overeengekomen en dat die afspraak moet worden nagekomen. [persoon A] vindt het niet juist en in strijd met een jarenlange praktijk om maandelijks af te rekenen. [persoon A] wil periodiek (1 of 2 keer per jaar) afrekenen, omdat hij meent dat de huurinkomsten moeten worden verrekend met vorderingen van Proba op [eiser] en [persoon A] (o.a. kosten tuinontwerp, bestrating en buitenkast) en de administratiekosten daarmee tot een aanvaardbaar minimum worden gehouden. 2.10. Bij e-mail van 28 juli 2025 schrijft [eiser] aan [persoon A] : “Nu je niet overgaat tot het nakomen van afspraken bekrachtigd in de overeenkomst van verkoop van aandelen Proba bv d.d. 27 februari 2025 zeg ik de overeenkomst tot lastgeving d.d. 4 januari 2007 op conform artikel 10 van deze overeenkomst. Dit betekent dat ik de huurcontracten per 1 oktober 2025 zelf zal beheren en factureren. Proba is daarbij niet meer gerechtigd om de huurnota’s aan GRS voor oktober 2025 en verder te versturen voor het eigendom van Stef [eiser] .” 2.11. Op 2 oktober 2025 heeft Proba een bedrag van € 61.089,35 aan [eiser] betaald. Het gaat om een afrekening van de huurpenningen over januari tot en met september 2025. 2.12. Bij brief van 7 oktober 2025 bericht mr. Barendregt namens [eiser] aan Proba dat Proba over de eerste negen maanden van 2025 een bedrag van € 87.467,23 aan [eiser] dient te voldoen. Hij heeft Proba verzocht om het nog openstaande bedrag van € 26.377,88 te betalen. Ook heeft hij Proba gevraagd om aan GRS te laten weten dat zij de huurpenningen vanaf 1 oktober 2025 enkel bevrijdend aan [eiser] kan voldoen en de aan GRS gezonden facturen voor huurpenningen na 1 oktober 2025 te crediteren. 2.13. Bij e-mail van 22 oktober 2025 schrijft GRS aan [eiser] en [persoon A] dat zij geconfronteerd wordt met een zakelijk geschil tussen [eiser] en Proba en als gevolg daarvan van beide partijen facturen voor de verschuldigde huur ontvangt. GRS laat weten dat zij geen huur meer betaalt totdat duidelijk is wie de rechthebbende partij is. 2.14. Bij brief van 24 november 2025 laat mr. Van Leuveren aan mr. Barendregt weten dat [persoon A] de akte van 2 juli 2021 buitengerechtelijk vernietigt wegens dwaling. Volgens [persoon A] heeft [eiser] een onjuiste voorlichting gegeven over de juridische en feitelijke deelbaarheid van het gebouw en over zijn redenen voor de verdeling. 3 Het geschil 3.1.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15746 text/xml public 2026-04-10T10:07:16 2026-03-26 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-12-24 C/10/710216 / KG ZA 25-1145 Uitspraak Kort geding NL Rotterdam Civiel recht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15746 text/html public 2026-04-10T10:00:41 2026-04-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15746 Rechtbank Rotterdam , 24-12-2025 / C/10/710216 / KG ZA 25-1145 Kort geding. Partijen zijn eigenaar van een gebouw dat door een lasthebber wordt verhuurd aan een derde. Eiser vordert dat gedaagde aan de huurder laat weten dat de overeenkomst van lastgeving is geëindigd en dat zij de huur voortaan aan eiser moet gaan betalen. Afwijzing vordering. Vordering heeft een declaratoir karakter en een spoedeisend belang ontbreekt. RECHTBANK Rotterdam Team handel en haven Zaaknummer: C/10/710216 / KG ZA 25-1145 Vonnis in kort geding van 24 december 2025 in de zaak van [eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser advocaten: mrs. G. Barendregt en E. Ayerdem, tegen PROBA B.V. , gevestigd te Boskoop, gedaagde, advocaat: mr. W. van Leuveren, waarin zich aan de zijde van gedaagde heeft gevoegd: [persoon A] , wonende te [woonplaats] , advocaat: mr. W. van Leuveren. Partijen worden hierna [eiser] , Proba en [persoon A] genoemd. De zaak in het kort [eiser] en [persoon A] waren samen indirect aandeelhouders en bestuurders van Proba. Zij waren ook samen eigenaar van een gebouw in Boskoop. Proba heeft dit gebouw in 2021 op grond van een lastgeving van [eiser] en [persoon A] aan een derde verhuurd. Later hebben [eiser] en [persoon A] het gebouw gesplitst en verdeeld, waardoor zij nu beiden eigenaar zijn van een deel. Begin 2025 heeft [eiser] zijn aandelen in Proba overgedragen aan [persoon A] . Ook is hij uitgetreden als bestuurder van Proba. Volgens [eiser] heeft Proba vervolgens nagelaten om de huurinkomsten maandelijks af te rekenen. Daarom heeft [eiser] de lastgeving beëindigd. In dit kort geding vordert hij dat Proba de verhuurder daarover informeert en laat weten dat zij niet langer gerechtigd is om huur te innen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen van [eiser] af. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende stukken: de dagvaarding van 2 december 2025, met producties 1 tot en met 16, de conclusie van antwoord van Proba, met producties 1 tot en met 20, de incidentele vordering tot voeging van [persoon A] , de aanvullende producties 17 tot en met 23 van [eiser] , de spreekaantekeningen van mr. Barendregt, de spreekaantekeningen van mr. Van Leuveren. 1.2. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 12 december 2025. 1.3. [persoon A] heeft gevorderd om zich aan de zijde van Proba te mogen voegen. De vordering is aan begin van de mondelinge behandeling besproken. [eiser] heeft verweer gevoerd omdat volgens hem onduidelijk is welke nadelige gevolgen [persoon A] zou kunnen ondervinden van een voor Proba nadelige uitkomst van deze procedure. De voorzieningenrechter heeft de voeging toegestaan aangezien [persoon A] daar belang bij heeft. [persoon A] is immers partij bij de lastgevingsovereenkomst waar het in dit kort geding over gaat. Een eventuele toewijzing van de vorderingen van [eiser] heeft daarmee ook gevolgen voor [persoon A] , met name voor de afrekening van de huurinkomsten. 2 De feiten 2.1. Proba is op 27 november 1995 opgericht. Haar activiteiten bestaan uit advieswerkzaamheden op het gebied van management en projectorganisatie. 2.2. [eiser] en [persoon A] hielden via hun vennootschappen Stebo B.V. (hierna Stebo) en Joli Holding Boskoop B.V. (hierna: Joli) respectievelijk 40% en 60% van de aandelen in Proba. Stebo en Joli waren tevens de bestuurders van Proba. 2.3. Op 4 januari 2007 zijn [eiser] en [persoon A] eigenaar geworden van twee percelen grond met bedrijfsopstallen aan het Rijneveld 153a in Boskoop. Op voornoemde datum hebben [eiser] en [persoon A] ook een overeenkomst van lastgeving gesloten met Proba. Daarin hebben [eiser] en [persoon A] als lastgever aan Proba als lasthebber de last gegeven om een gebouw op de percelen, ingericht als kantoor annex proefstation met laboratorium en onderzoeksruimten (hierna: het gebouw), op een door lasthebber te bepalen wijze te verhuren en in dat kader betalingen te doen of te ontvangen. 2.4. Met ingang van 1 juli 2021 verhuurt Proba een gedeelte van het gebouw aan GRS Services B.V., GRS Inkoop B.V. en GRS Retail B.V. (hierna: GRS). 2.5. Bij akte van 2 juli 2021 zijn de percelen met bedrijfsopstallen gesplitst en verdeeld tussen [eiser] en [persoon A] . Daardoor is het gedeelte van het gebouw dat GRS huurt voor een groot deel eigendom geworden van [eiser] . GRS maakt echter ook gebruik van voorzieningen die thans eigendom van [persoon A] zijn, zoals de lift, een ruimte met installaties, leidingen, parkeerplaatsen, toegangsroutes en nutsvoorzieningen. 2.6. Op 1 januari 2025 is Stebo uitgetreden als bestuurder van Proba. 2.7. Op 27 februari 2025 hebben Stebo en Joli een koopovereenkomst gesloten, waarbij Stebo haar aandelen in Proba heeft verkocht aan Joli voor een bedrag van € 392.000,00. Artikel 8 lid 5 van de koopovereenkomst bepaalt: “Het noodzakelijke onderhoud op de locatie Rijneveld 153-a zal op de gebruikelijke wijze in de boekhouding van de Vennootschap [vzr: Proba] worden verwerkt en de huurinkomsten van locatie Rijneveld 153-a blijven via de vennootschap lopen en maandelijks afgerekend.” 2.8. Op 31 maart 2025 heeft Stebo de aandelen in Proba aan Joli geleverd. 2.9. Na de verkoop en levering van de aandelen is tussen [eiser] en [persoon A] discussie ontstaan over de afrekening door Proba met Stebo en Joli van de huurinkomsten. [eiser] meent dat een maandelijkse afrekening is overeengekomen en dat die afspraak moet worden nagekomen. [persoon A] vindt het niet juist en in strijd met een jarenlange praktijk om maandelijks af te rekenen. [persoon A] wil periodiek (1 of 2 keer per jaar) afrekenen, omdat hij meent dat de huurinkomsten moeten worden verrekend met vorderingen van Proba op [eiser] en [persoon A] (o.a. kosten tuinontwerp, bestrating en buitenkast) en de administratiekosten daarmee tot een aanvaardbaar minimum worden gehouden. 2.10. Bij e-mail van 28 juli 2025 schrijft [eiser] aan [persoon A] : “Nu je niet overgaat tot het nakomen van afspraken bekrachtigd in de overeenkomst van verkoop van aandelen Proba bv d.d. 27 februari 2025 zeg ik de overeenkomst tot lastgeving d.d. 4 januari 2007 op conform artikel 10 van deze overeenkomst. Dit betekent dat ik de huurcontracten per 1 oktober 2025 zelf zal beheren en factureren. Proba is daarbij niet meer gerechtigd om de huurnota’s aan GRS voor oktober 2025 en verder te versturen voor het eigendom van Stef [eiser] .” 2.11. Op 2 oktober 2025 heeft Proba een bedrag van € 61.089,35 aan [eiser] betaald. Het gaat om een afrekening van de huurpenningen over januari tot en met september 2025. 2.12. Bij brief van 7 oktober 2025 bericht mr. Barendregt namens [eiser] aan Proba dat Proba over de eerste negen maanden van 2025 een bedrag van € 87.467,23 aan [eiser] dient te voldoen. Hij heeft Proba verzocht om het nog openstaande bedrag van € 26.377,88 te betalen. Ook heeft hij Proba gevraagd om aan GRS te laten weten dat zij de huurpenningen vanaf 1 oktober 2025 enkel bevrijdend aan [eiser] kan voldoen en de aan GRS gezonden facturen voor huurpenningen na 1 oktober 2025 te crediteren. 2.13. Bij e-mail van 22 oktober 2025 schrijft GRS aan [eiser] en [persoon A] dat zij geconfronteerd wordt met een zakelijk geschil tussen [eiser] en Proba en als gevolg daarvan van beide partijen facturen voor de verschuldigde huur ontvangt. GRS laat weten dat zij geen huur meer betaalt totdat duidelijk is wie de rechthebbende partij is. 2.14. Bij brief van 24 november 2025 laat mr. Van Leuveren aan mr. Barendregt weten dat [persoon A] de akte van 2 juli 2021 buitengerechtelijk vernietigt wegens dwaling. Volgens [persoon A] heeft [eiser] een onjuiste voorlichting gegeven over de juridische en feitelijke deelbaarheid van het gebouw en over zijn redenen voor de verdeling. 3 Het geschil 3.1.
Volledig
[eiser] vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: Proba beveelt om binnen 48 uur na betekening van het vonnis GRS schriftelijk te berichten dat de overeenkomst van lastgeving is beëindigd per 1 oktober 2025 en dat Proba daarom niet langer gemachtigd is om namens [eiser] huurpenningen te innen, Proba verbiedt om na betekening van dit vonnis namens [eiser] nog langer huurvergoedingen van GRS te vorderen of in ontvangst te nemen, onder oplegging van een dwangsom en met veroordeling van Proba in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. Proba voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van Proba en [persoon A] , vermeerderd met wettelijke rente. 4 De beoordeling 4.1. Artikel 254 Rv bepaalt dat in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, de voorzieningenrechter bevoegd is om deze te geven. Of de eisende partij een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening moet aan de hand van een afweging van de belangen van beide partijen worden beoordeeld. 4.2. [eiser] stelt dat door de beëindiging van de lastgeving de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Proba is geëindigd. Volgens [eiser] heeft hij een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat Proba ten onrechte huur heeft gefactureerd aan GRS maar deze niet met [eiser] heeft afgerekend. [eiser] stelt dat hij daardoor onmiddellijke financiële schade lijdt: de huurinkomsten zijn noodzakelijk voor het behoud van het gebouw en de aflossing van eventuele lasten. Daarnaast is het spoedeisend belang volgens [eiser] gelegen in de verwarring die bij GRS is ontstaan over de partij die gerechtigd is om huur te innen en aan wie huur betaald moet worden. 4.3. Proba en [persoon A] betwisten dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Volgens Proba en [persoon A] gaat het feitelijk om een geldvordering en heeft [eiser] niet onderbouwd welk spoedeisend belang hij daarbij heeft. Daarbij wijzen zij erop dat Proba periodiek afrekent en over de periode van januari tot en met september 2025 een bedrag van € 61.089,36 aan [eiser] heeft betaald. Daarnaast maakt de discussie over de afrekening van de huur onderdeel uit van een meeromvattend geschil, dat volgens Proba en [persoon A] in een bodemprocedure dient te worden beslecht. 4.4. Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van [eiser] een declaratoir karakter hebben. Met zijn vorderingen vraagt [eiser] de voorzieningenrechter namelijk impliciet om vast te stellen dat de lastgeving is geëindigd. Voor een dergelijke vaststelling leent een kort geding zich niet. Daarnaast wenst [eiser] met zijn vorderingen te bewerkstelligen dat GRS (een gedeelte van) de huur maandelijks en rechtstreeks aan hem gaat betalen. Onduidelijk is echter welk spoedeisend belang hij daarbij heeft. Hoewel [eiser] stelt dat de maandelijkse betalingen noodzakelijk zijn voor het behoud van het gebouw en de aflossing van eventuele lasten, heeft Proba toegelicht dat zij juist periodiek wenst af te rekenen om eventuele vorderingen op [eiser] en [persoon A] te kunnen verrekenen en de administratiekosten laag te houden. Gelet hierop alsook de recente betaling door Proba (zie 2.11.) valt niet in te zien waarom een voorlopige voorziening nu is vereist. Verder maakt de discussie over de afrekening/betaling van de huur onderdeel uit van een omvangrijker geschil tussen [eiser] en [persoon A] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten zij daar samen een oplossing voor vinden of, als zij daar niet in slagen, hun geschil aan de bodemrechter voorleggen. De discussie over de betaling van de huur moet niet bij GRS worden neergelegd. Met het opzeggen van de lastgeving heeft [eiser] evenwel bewerkstelligd dat daarover onduidelijkheid bij GRS is ontstaan als gevolg waarvan GRS de betaling van huur heeft gestaakt. Overigens zijn [eiser] en [persoon A] het er ook niet over eens welk bedrag door GRS aan wie zou moeten worden betaald. Nu door de bodemrechter moet worden vastgesteld of de lastgeving is geëindigd en welke gevolgen dit voor de rechtsverhouding tussen Proba en GRS heeft gehad, is het in ieders belang dat de situatie voorlopig ongewijzigd blijft. Dit betekent dat GRS de betaling van de huur kan hervatten door deze aan Proba te voldoen en dat Proba vervolgens zorg moet dragen voor de doorbetaling/afrekening daarvan. Daarbij geeft de voorzieningenrechter [eiser] en [persoon A] in overweging om een duidelijke afspraak te maken over de frequentie, vooral nu zij ieder een andere uitleg geven aan artikel 8 lid 5 van de koopovereenkomst. 4.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat een spoedeisend belang ontbreekt. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen. 4.6. [eiser] moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van Proba en [persoon A] betalen. Aangezien Proba en [persoon A] worden bijgestaan door dezelfde advocaat worden de proceskosten van [persoon A] geacht te zijn verdisconteerd in de proceskosten van Proba. De proceskosten (inclusief nakosten) worden begroot op: griffierecht: € 714,00 salaris advocaat: € 1.107,00 nakosten: € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.999,00 4.7. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet hij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 5.3. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. [2971/3577]
Volledig
[eiser] vordert, verkort weergegeven, dat de voorzieningenrechter bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: Proba beveelt om binnen 48 uur na betekening van het vonnis GRS schriftelijk te berichten dat de overeenkomst van lastgeving is beëindigd per 1 oktober 2025 en dat Proba daarom niet langer gemachtigd is om namens [eiser] huurpenningen te innen, Proba verbiedt om na betekening van dit vonnis namens [eiser] nog langer huurvergoedingen van GRS te vorderen of in ontvangst te nemen, onder oplegging van een dwangsom en met veroordeling van Proba in de proceskosten, vermeerderd met wettelijke rente. 3.2. Proba voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten van Proba en [persoon A] , vermeerderd met wettelijke rente. 4 De beoordeling 4.1. Artikel 254 Rv bepaalt dat in alle spoedeisende zaken waarin, gelet op de belangen van partijen, een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist, de voorzieningenrechter bevoegd is om deze te geven. Of de eisende partij een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening moet aan de hand van een afweging van de belangen van beide partijen worden beoordeeld. 4.2. [eiser] stelt dat door de beëindiging van de lastgeving de vertegenwoordigingsbevoegdheid van Proba is geëindigd. Volgens [eiser] heeft hij een spoedeisend belang bij zijn vorderingen, omdat Proba ten onrechte huur heeft gefactureerd aan GRS maar deze niet met [eiser] heeft afgerekend. [eiser] stelt dat hij daardoor onmiddellijke financiële schade lijdt: de huurinkomsten zijn noodzakelijk voor het behoud van het gebouw en de aflossing van eventuele lasten. Daarnaast is het spoedeisend belang volgens [eiser] gelegen in de verwarring die bij GRS is ontstaan over de partij die gerechtigd is om huur te innen en aan wie huur betaald moet worden. 4.3. Proba en [persoon A] betwisten dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Volgens Proba en [persoon A] gaat het feitelijk om een geldvordering en heeft [eiser] niet onderbouwd welk spoedeisend belang hij daarbij heeft. Daarbij wijzen zij erop dat Proba periodiek afrekent en over de periode van januari tot en met september 2025 een bedrag van € 61.089,36 aan [eiser] heeft betaald. Daarnaast maakt de discussie over de afrekening van de huur onderdeel uit van een meeromvattend geschil, dat volgens Proba en [persoon A] in een bodemprocedure dient te worden beslecht. 4.4. Vooropgesteld wordt dat de vorderingen van [eiser] een declaratoir karakter hebben. Met zijn vorderingen vraagt [eiser] de voorzieningenrechter namelijk impliciet om vast te stellen dat de lastgeving is geëindigd. Voor een dergelijke vaststelling leent een kort geding zich niet. Daarnaast wenst [eiser] met zijn vorderingen te bewerkstelligen dat GRS (een gedeelte van) de huur maandelijks en rechtstreeks aan hem gaat betalen. Onduidelijk is echter welk spoedeisend belang hij daarbij heeft. Hoewel [eiser] stelt dat de maandelijkse betalingen noodzakelijk zijn voor het behoud van het gebouw en de aflossing van eventuele lasten, heeft Proba toegelicht dat zij juist periodiek wenst af te rekenen om eventuele vorderingen op [eiser] en [persoon A] te kunnen verrekenen en de administratiekosten laag te houden. Gelet hierop alsook de recente betaling door Proba (zie 2.11.) valt niet in te zien waarom een voorlopige voorziening nu is vereist. Verder maakt de discussie over de afrekening/betaling van de huur onderdeel uit van een omvangrijker geschil tussen [eiser] en [persoon A] . Naar het oordeel van de voorzieningenrechter moeten zij daar samen een oplossing voor vinden of, als zij daar niet in slagen, hun geschil aan de bodemrechter voorleggen. De discussie over de betaling van de huur moet niet bij GRS worden neergelegd. Met het opzeggen van de lastgeving heeft [eiser] evenwel bewerkstelligd dat daarover onduidelijkheid bij GRS is ontstaan als gevolg waarvan GRS de betaling van huur heeft gestaakt. Overigens zijn [eiser] en [persoon A] het er ook niet over eens welk bedrag door GRS aan wie zou moeten worden betaald. Nu door de bodemrechter moet worden vastgesteld of de lastgeving is geëindigd en welke gevolgen dit voor de rechtsverhouding tussen Proba en GRS heeft gehad, is het in ieders belang dat de situatie voorlopig ongewijzigd blijft. Dit betekent dat GRS de betaling van de huur kan hervatten door deze aan Proba te voldoen en dat Proba vervolgens zorg moet dragen voor de doorbetaling/afrekening daarvan. Daarbij geeft de voorzieningenrechter [eiser] en [persoon A] in overweging om een duidelijke afspraak te maken over de frequentie, vooral nu zij ieder een andere uitleg geven aan artikel 8 lid 5 van de koopovereenkomst. 4.5. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat een spoedeisend belang ontbreekt. De vorderingen van [eiser] worden dan ook afgewezen. 4.6. [eiser] moet als de in het ongelijk gestelde partij de proceskosten van Proba en [persoon A] betalen. Aangezien Proba en [persoon A] worden bijgestaan door dezelfde advocaat worden de proceskosten van [persoon A] geacht te zijn verdisconteerd in de proceskosten van Proba. De proceskosten (inclusief nakosten) worden begroot op: griffierecht: € 714,00 salaris advocaat: € 1.107,00 nakosten: € 178,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing) Totaal € 1.999,00 4.7. De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing. 5 De beslissing De voorzieningenrechter 5.1. wijst de vorderingen af, 5.2. veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 1.999,00 te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe; als hij niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, moet hij € 92,00 extra betalen, plus de kosten van betekening, 5.3. veroordeelt [eiser] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan, 5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Dit vonnis is gewezen door mr. J. Mendlik en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025. [2971/3577]