Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-12-18
ECLI:NL:RBROT:2025:15732
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
6,820 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15732 text/xml public 2026-04-01T07:55:33 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-12-18 11503446 CV EXPL 25-334 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15732 text/html public 2026-04-01T07:55:22 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15732 Rechtbank Rotterdam , 18-12-2025 / 11503446 CV EXPL 25-334 Huur, ontbinding afgewezen, hoofdverblijf in het gehuurde RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11503446 CV EXPL 25-334 datum uitspraak: 18 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van de stichting STICHTING TRIVIRE , gevestigd in Dordrecht, eiser in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie, gemachtigde: mr. N. Vermeulen, tegen [gedaagde] , wonende in [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie, gemachtigde: mr. G. Sarier. De partijen worden hierna ‘Trivire’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1 Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 15 januari 2025, met bijlagen; de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met bijlagen; een e-mailbericht van Trivire van 24 juni 2025, met bijlage; een e-mailbericht van [gedaagde] van 24 juni 2025, met bijlagen. 1.2 Op 4 juli 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam 1] , regisseur overlast & ondermijning van Trivire, bijgestaan door de gemachtigde en [gedaagde] , bijgestaan door de gemachtigde. 1.3 Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken om de zaak drie maanden aan te houden. Trivire heeft de kantonrechter bij e-mailbericht van 29 oktober 2025 verzocht vonnis te wijzen. 1.4 Vervolgens is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1 [gedaagde] huurt sinds 28 januari 2022 van Trivire een sociale huurwoning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). 2.2 Op de huurovereenkomst zijn Algemene Huurvoorwaarden van Trivire (hierna: AHV) van toepassing. In deze AHV is onder meer het volgende opgenomen: “Artikel 6.3: Huurder zal het gehuurde gebruiken zoals het een goed huurder betaamt. (…) Artikel 6.5.1: Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd feitelijk bewonen en de woonruimte daadwerkelijk voor hemzelf en de leden van zijn huishouden gebruiken. Huurder zal in het gehuurde onafgebroken zijn exclusieve hoofdverblijf houden. Artikel 6.5.2: Als verhuurder gegronde redenen heeft om aan te nemen dat huurder niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft of heeft gehad, is huurder gehouden bewijs te leveren dat huurder onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft behouden of heeft gehad. Hierbij wordt voorshands aangenomen dat huurder geen belang meer heeft bij het aanhouden van het gehuurde, als huurder niet bewijst dat hij onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. (…) Artikel 6.6.3: (...) Inwoning, waaronder mede wordt verstaan het aan derden om niet in gebruik geven van een gedeelte van het gehuurde, is alleen toegestaan met schriftelijke toestemming van de verhuurder.” 2.3 In juni 2024 heeft Trivire opgemerkt dat [gedaagde] niet stond ingeschreven op het adres van het gehuurde, maar op het adres van zijn ouders. Nadat Trivire hierover contact had opgenomen met [gedaagde] heeft [gedaagde] zich op of omstreeks 5 juli 2024 ingeschreven op het adres van het gehuurde. Tegelijk met [gedaagde] heeft mevrouw [naam 2] zich ingeschreven op het adres van het gehuurde. 2.4 [naam 2] was op het moment van inschrijving de partner van [gedaagde] . Voor de inwoning van [naam 2] heeft [gedaagde] op het moment van inschrijving geen toestemming gevraagd aan Trivire. [naam 2] is thans niet langer de partner van [gedaagde] en zij heeft zich inmiddels uitgeschreven op het adres van het gehuurde. 3 Het geschil 3.1 Trivire eist, samengevat, de huurovereenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen twee weken na datum ontbinding te ontruimen. Verder eist Trivire [gedaagde] te veroordelen tot het doorbetalen van de huurprijs dan wel de gebruiksvergoeding vanaf 1 februari 2025 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, tot betaling van de ontruimingskosten en in de proceskosten. Tot slot vordert Trivire het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2 Trivire legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Trivire is een huurovereenkomst aangegaan met [gedaagde] ten aanzien van de woning aan de [adres] in [plaats] . Er is sprake van tekortkomingen van [gedaagde] te weten 1) [gedaagde] heeft niet zijn hoofdverblijf (gehad) in het gehuurde en 2) [gedaagde] heeft het gehuurde zonder toestemming mede in gebruik gegeven aan [naam 2] . 3.3 De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering. [gedaagde] betwist dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde. Voor zover er wel sprake zou zijn van een tekortkoming voert [gedaagde] subsidiair als verweer dat de tekortkoming niet zo ernstig is dat die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. 3.4 In voorwaardelijke reconventie, voor het geval de ontbinding zou worden toegewezen, vordert [gedaagde] Trivire te veroordelen om aan [gedaagde] binnen acht weken na datum van het vonnis vervangende woonruimte aan te bieden. 4 De beoordeling Het toetsingskader voor ontbinding 4.1 Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt . 4.2 Op grond van artikel 6.5.1 van de AHV rust op [gedaagde] de verplichting in het gehuurde zijn hoofdverblijf te houden. Het begrip hoofdverblijf is niet vast omlijnd. Het houdt in dat het leven van de huurder zich in hoofdzaak in en vanuit de woning afspeelt. Bij de toets aan dit criterium zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Onder meer is van belang waar de huurder feitelijk verblijft en waar hij de nacht doorbrengt en op welk adres hij in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. Niet ieder (tijdelijk) verblijf ergens anders betekent dat een huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Als een huurder de verplichting tot het houden van hoofdverblijf in het gehuurde niet is nagekomen of nog altijd niet nakomt, dan rechtvaardigt dat naar vaste rechtspraak de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Heeft [gedaagde] zijn hoofdverblijf in het gehuurde? 4.3 Op Trivire rust de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf zou hebben in het gehuurde. Nu Trivire zich beroept op artikel 6.5.2 van de AHV dient de kantonrechter ambtshalve te toetsen of deze bepaling onredelijk bezwarend is in zin van de Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 BW. De bepaling houdt kort gezegd in dat als Trivire gegronde redenen heeft om aan te nemen dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft (gehad), [gedaagde] bewijs moet leveren dat hij onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft (gehad). 4.4 De huurder, die, zoals het hoort, zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, moet geacht worden gemakkelijk in staat te zijn aan te tonen dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, omdat hij voortdurend de beschikking daarover en de toegang daartoe heeft. Hij moet kunnen vertellen hoe en wanneer hij het gehuurde gebruikt en zijn stellingen over dat gebruik kunnen onderbouwen. De kantonrechter ziet niet in waarom het bezwaarlijk zou zijn als de huurder moet aantonen dat hij daadwerkelijk het hoofdverblijf in het gehuurde heeft, als de verhuurder redelijke vermoedens heeft dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde houdt.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15732 text/xml public 2026-04-01T07:55:33 2026-03-12 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-12-18 11503446 CV EXPL 25-334 Uitspraak Eerste aanleg - enkelvoudig NL Rotterdam Civiel recht; Verbintenissenrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15732 text/html public 2026-04-01T07:55:22 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15732 Rechtbank Rotterdam , 18-12-2025 / 11503446 CV EXPL 25-334 Huur, ontbinding afgewezen, hoofdverblijf in het gehuurde RECHTBANK ROTTERDAM locatie Dordrecht zaaknummer: 11503446 CV EXPL 25-334 datum uitspraak: 18 december 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van de stichting STICHTING TRIVIRE , gevestigd in Dordrecht, eiser in conventie, gedaagde in voorwaardelijke reconventie, gemachtigde: mr. N. Vermeulen, tegen [gedaagde] , wonende in [woonplaats] , gedaagde in conventie, eiser in voorwaardelijke reconventie, gemachtigde: mr. G. Sarier. De partijen worden hierna ‘Trivire’ en ‘ [gedaagde] ’ genoemd. 1 De procedure 1.1 Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 15 januari 2025, met bijlagen; de conclusie van antwoord in conventie, tevens voorwaardelijke eis in reconventie, met bijlagen; een e-mailbericht van Trivire van 24 juni 2025, met bijlage; een e-mailbericht van [gedaagde] van 24 juni 2025, met bijlagen. 1.2 Op 4 juli 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. Daarbij waren aanwezig: [naam 1] , regisseur overlast & ondermijning van Trivire, bijgestaan door de gemachtigde en [gedaagde] , bijgestaan door de gemachtigde. 1.3 Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken om de zaak drie maanden aan te houden. Trivire heeft de kantonrechter bij e-mailbericht van 29 oktober 2025 verzocht vonnis te wijzen. 1.4 Vervolgens is vonnis bepaald. 2 De feiten 2.1 [gedaagde] huurt sinds 28 januari 2022 van Trivire een sociale huurwoning aan de [adres] in [plaats] (hierna: het gehuurde). 2.2 Op de huurovereenkomst zijn Algemene Huurvoorwaarden van Trivire (hierna: AHV) van toepassing. In deze AHV is onder meer het volgende opgenomen: “Artikel 6.3: Huurder zal het gehuurde gebruiken zoals het een goed huurder betaamt. (…) Artikel 6.5.1: Huurder zal het gehuurde gedurende de huurtijd feitelijk bewonen en de woonruimte daadwerkelijk voor hemzelf en de leden van zijn huishouden gebruiken. Huurder zal in het gehuurde onafgebroken zijn exclusieve hoofdverblijf houden. Artikel 6.5.2: Als verhuurder gegronde redenen heeft om aan te nemen dat huurder niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft of heeft gehad, is huurder gehouden bewijs te leveren dat huurder onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft behouden of heeft gehad. Hierbij wordt voorshands aangenomen dat huurder geen belang meer heeft bij het aanhouden van het gehuurde, als huurder niet bewijst dat hij onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft gehad. (…) Artikel 6.6.3: (...) Inwoning, waaronder mede wordt verstaan het aan derden om niet in gebruik geven van een gedeelte van het gehuurde, is alleen toegestaan met schriftelijke toestemming van de verhuurder.” 2.3 In juni 2024 heeft Trivire opgemerkt dat [gedaagde] niet stond ingeschreven op het adres van het gehuurde, maar op het adres van zijn ouders. Nadat Trivire hierover contact had opgenomen met [gedaagde] heeft [gedaagde] zich op of omstreeks 5 juli 2024 ingeschreven op het adres van het gehuurde. Tegelijk met [gedaagde] heeft mevrouw [naam 2] zich ingeschreven op het adres van het gehuurde. 2.4 [naam 2] was op het moment van inschrijving de partner van [gedaagde] . Voor de inwoning van [naam 2] heeft [gedaagde] op het moment van inschrijving geen toestemming gevraagd aan Trivire. [naam 2] is thans niet langer de partner van [gedaagde] en zij heeft zich inmiddels uitgeschreven op het adres van het gehuurde. 3 Het geschil 3.1 Trivire eist, samengevat, de huurovereenkomst te ontbinden en [gedaagde] te veroordelen om het gehuurde binnen twee weken na datum ontbinding te ontruimen. Verder eist Trivire [gedaagde] te veroordelen tot het doorbetalen van de huurprijs dan wel de gebruiksvergoeding vanaf 1 februari 2025 tot en met de maand waarin de ontruiming plaatsvindt, tot betaling van de ontruimingskosten en in de proceskosten. Tot slot vordert Trivire het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 3.2 Trivire legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. Trivire is een huurovereenkomst aangegaan met [gedaagde] ten aanzien van de woning aan de [adres] in [plaats] . Er is sprake van tekortkomingen van [gedaagde] te weten 1) [gedaagde] heeft niet zijn hoofdverblijf (gehad) in het gehuurde en 2) [gedaagde] heeft het gehuurde zonder toestemming mede in gebruik gegeven aan [naam 2] . 3.3 De conclusie van [gedaagde] strekt tot afwijzing van de vordering. [gedaagde] betwist dat hij niet zijn hoofdverblijf heeft in het gehuurde. Voor zover er wel sprake zou zijn van een tekortkoming voert [gedaagde] subsidiair als verweer dat de tekortkoming niet zo ernstig is dat die ontbinding van de huurovereenkomst rechtvaardigt. 3.4 In voorwaardelijke reconventie, voor het geval de ontbinding zou worden toegewezen, vordert [gedaagde] Trivire te veroordelen om aan [gedaagde] binnen acht weken na datum van het vonnis vervangende woonruimte aan te bieden. 4 De beoordeling Het toetsingskader voor ontbinding 4.1 Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt . 4.2 Op grond van artikel 6.5.1 van de AHV rust op [gedaagde] de verplichting in het gehuurde zijn hoofdverblijf te houden. Het begrip hoofdverblijf is niet vast omlijnd. Het houdt in dat het leven van de huurder zich in hoofdzaak in en vanuit de woning afspeelt. Bij de toets aan dit criterium zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Onder meer is van belang waar de huurder feitelijk verblijft en waar hij de nacht doorbrengt en op welk adres hij in de gemeentelijke basisadministratie is ingeschreven. Niet ieder (tijdelijk) verblijf ergens anders betekent dat een huurder niet zijn hoofdverblijf in de woning heeft. Als een huurder de verplichting tot het houden van hoofdverblijf in het gehuurde niet is nagekomen of nog altijd niet nakomt, dan rechtvaardigt dat naar vaste rechtspraak de ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning. Heeft [gedaagde] zijn hoofdverblijf in het gehuurde? 4.3 Op Trivire rust de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf zou hebben in het gehuurde. Nu Trivire zich beroept op artikel 6.5.2 van de AHV dient de kantonrechter ambtshalve te toetsen of deze bepaling onredelijk bezwarend is in zin van de Richtlijn 93/13/EEG en artikel 6:233 BW. De bepaling houdt kort gezegd in dat als Trivire gegronde redenen heeft om aan te nemen dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft (gehad), [gedaagde] bewijs moet leveren dat hij onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft (gehad). 4.4 De huurder, die, zoals het hoort, zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, moet geacht worden gemakkelijk in staat te zijn aan te tonen dat hij zijn hoofdverblijf in het gehuurde heeft, omdat hij voortdurend de beschikking daarover en de toegang daartoe heeft. Hij moet kunnen vertellen hoe en wanneer hij het gehuurde gebruikt en zijn stellingen over dat gebruik kunnen onderbouwen. De kantonrechter ziet niet in waarom het bezwaarlijk zou zijn als de huurder moet aantonen dat hij daadwerkelijk het hoofdverblijf in het gehuurde heeft, als de verhuurder redelijke vermoedens heeft dat de huurder zijn hoofdverblijf niet in het gehuurde houdt.
Volledig
4.5 Trivire heeft haar stelling onderbouwd door aan te geven dat zij op verschillende momenten onaangekondigd op huisbezoek is gegaan bij het gehuurde (in verband met een huurachterstand en het niet in contact kunnen komen met [gedaagde] ) en daar niemand aantrof, dat zij buurtonderzoek heeft gedaan waaruit bleek dat buren af en toe een man zien van ongeveer 40 jaar en een jongeman van ongeveer 18 jaar en dat [gedaagde] destijds niet ingeschreven stond op het adres van het gehuurde, maar op het adres van zijn ouders. Hierdoor had Trivire gegronde reden om aan te nemen dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde had en is het op grond van artikel 6.5.2 van de AHV aan [gedaagde] om te onderbouwen dat hij wél onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft (gehad). 4.6 [gedaagde] heeft aangegeven dat hij op twee van de drie momenten dat Trivire een onaangekondigd huisbezoek bracht aan het werk was. [gedaagde] is als zzp’er werkzaam in de gehandicaptenzorg, waarbij hij lange dagen en veel uren maakt, omdat hij bij de zorgverlening ook vaak nachtdiensten en overnachtingen moet draaien. Hij heeft overzichten van gemaakte werkdagen en -uren verstrekt en facturen van zijn bedrijf aan de zorginstelling waar hij zijn werkzaamheden heeft verricht, welke facturen de verstrekte overzichten onderbouwen. Weliswaar staat op de facturen het adres van zijn ouders, maar het bedrijf van [gedaagde] staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven op het adres van het gehuurde. Ten tijde van het laatste onaangekondigde huisbezoek was [gedaagde] naar eigen zeggen met vrienden padellen. Van deze padel-afspraak heeft [gedaagde] een reserveringsbevestiging overgelegd. Uit het feit dat [gedaagde] met de gegeven redenen niet thuis was op de momenten dat Trivire bij hem langs ging, kan dan ook niet worden afgeleid dat hij daar zijn hoofdverblijf niet heeft (gehad). 4.7 Tegenover het buurtonderzoek van Trivire, wat ter zitting een gesprek bleek te zijn met slechts één buurman, heeft [gedaagde] zes verklaringen overgelegd van (andere) directe buren. Deze zes directe buren hebben verklaard dat [gedaagde] woont aan het adres van het gehuurde, daar regelmatig door hen wordt gezien en dat zij goed contact hebben met [gedaagde] . 4.8 Verder heeft [gedaagde] overzichten van pinbetalingen bij een supermarkt in de buurt van het gehuurde overgelegd. De data en tijdstippen komen overeen met momenten dat hij niet aan het werk en dus thuis was. 4.9 Al hetgeen [gedaagde] heeft overgelegd sluit aan bij een patroon van feitelijk gebruik dat past bij het hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde. Dat [gedaagde] zich ten tijde van het onderzoek van Trivire nog niet had ingeschreven op het adres van het gehuurde staat aan dit oordeel niet in de weg. De inschrijving vormt weliswaar een aanwijzing, maar is niet beslissend voor het aannemen van het hebben van het hoofdverblijf. [gedaagde] heeft zich inmiddels op het adres laten inschrijven en heeft voor de vertraging een concrete en onderbouwde verklaring gegeven, namelijk dat hij te druk was met werk om daaraan te denken en de administratie er daardoor bij inschoot. 4.10 De kantonrechter is van oordeel [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd dat hij zijn hoofdverblijf heeft (gehad) in het gehuurde. Omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] het gehuurde niet als hoofdverblijf gebruikt (heeft), kan de gevorderde ontbinding en ontruiming niet op deze grondslag worden toegewezen. Heeft [gedaagde] het gehuurde zonder toestemming mede in gebruik gegeven aan [naam 2] ? 4.11 Door [gedaagde] is erkend dat hij geen toestemming heeft gevraagd aan Trivire voor de inschrijving van zijn (ex-)partner op het adres van het gehuurde. Hij heeft toegelicht dat hij zich er niet van bewust was dat dit moest en dat hij, zodra hij vernam dat hij dit verplicht was, alsnog om toestemming heeft verzocht, maar ook dat de relatie inmiddels is beëindigd en zijn ex-partner zich heeft laten uitschrijven. 4.12 Het laten inschrijven van een derde zonder toestemming is in strijd met artikel 6.6.3 van de AHV en levert daarmee een tekortkoming op. Nu de situatie inmiddels is beëindigd, de tekortkoming van beperkte aard en duur is geweest en geen concreet nadeel heeft opgeleverd voor Trivire, wordt deze omstandigheid als onvoldoende zwaarwegend gezien om de vergaande sanctie van ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. Het verweer van [gedaagde] op dit punt slaagt dan ook. De overige vorderingen van Trivire worden afgewezen 4.13 Omdat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de daarop gebaseerde ontruiming worden afgewezen, ontbreekt eveneens de grondslag voor de vorderingen tot het doorbetalen van de huurprijs dan wel de gebruiksvergoeding en tot betaling van de ontruimingskosten. Deze vorderingen zullen daarom ook worden afgewezen. De voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde] 4.14 Nu de voorwaarde niet is vervuld, komt de kantonrechter niet aan beoordeling van de reconventionele vordering toe. Trivire moet de proceskosten van [gedaagde] vergoeden 4.15 Trivire wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op (2 punten x € 204,00 =) € 408,00 aan salaris gemachtigde. 5 De beslissing De kantonrechter: in conventie 5.1 wijst de vorderingen af; 5.2 veroordeelt Trivire in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 408,00; 5.3 verklaart de veroordeling onder 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; in voorwaardelijke reconventie 5.4 verstaat dat de voorwaarde voor de reconventionele vordering niet is vervuld. Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Peters en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. D. van Dooren, op 18 december 2025. 60669/65708 Artikel 6:265 lid 1 BW
Volledig
4.5 Trivire heeft haar stelling onderbouwd door aan te geven dat zij op verschillende momenten onaangekondigd op huisbezoek is gegaan bij het gehuurde (in verband met een huurachterstand en het niet in contact kunnen komen met [gedaagde] ) en daar niemand aantrof, dat zij buurtonderzoek heeft gedaan waaruit bleek dat buren af en toe een man zien van ongeveer 40 jaar en een jongeman van ongeveer 18 jaar en dat [gedaagde] destijds niet ingeschreven stond op het adres van het gehuurde, maar op het adres van zijn ouders. Hierdoor had Trivire gegronde reden om aan te nemen dat [gedaagde] niet zijn hoofdverblijf in het gehuurde had en is het op grond van artikel 6.5.2 van de AHV aan [gedaagde] om te onderbouwen dat hij wél onafgebroken het hoofdverblijf in het gehuurde heeft (gehad). 4.6 [gedaagde] heeft aangegeven dat hij op twee van de drie momenten dat Trivire een onaangekondigd huisbezoek bracht aan het werk was. [gedaagde] is als zzp’er werkzaam in de gehandicaptenzorg, waarbij hij lange dagen en veel uren maakt, omdat hij bij de zorgverlening ook vaak nachtdiensten en overnachtingen moet draaien. Hij heeft overzichten van gemaakte werkdagen en -uren verstrekt en facturen van zijn bedrijf aan de zorginstelling waar hij zijn werkzaamheden heeft verricht, welke facturen de verstrekte overzichten onderbouwen. Weliswaar staat op de facturen het adres van zijn ouders, maar het bedrijf van [gedaagde] staat bij de Kamer van Koophandel ingeschreven op het adres van het gehuurde. Ten tijde van het laatste onaangekondigde huisbezoek was [gedaagde] naar eigen zeggen met vrienden padellen. Van deze padel-afspraak heeft [gedaagde] een reserveringsbevestiging overgelegd. Uit het feit dat [gedaagde] met de gegeven redenen niet thuis was op de momenten dat Trivire bij hem langs ging, kan dan ook niet worden afgeleid dat hij daar zijn hoofdverblijf niet heeft (gehad). 4.7 Tegenover het buurtonderzoek van Trivire, wat ter zitting een gesprek bleek te zijn met slechts één buurman, heeft [gedaagde] zes verklaringen overgelegd van (andere) directe buren. Deze zes directe buren hebben verklaard dat [gedaagde] woont aan het adres van het gehuurde, daar regelmatig door hen wordt gezien en dat zij goed contact hebben met [gedaagde] . 4.8 Verder heeft [gedaagde] overzichten van pinbetalingen bij een supermarkt in de buurt van het gehuurde overgelegd. De data en tijdstippen komen overeen met momenten dat hij niet aan het werk en dus thuis was. 4.9 Al hetgeen [gedaagde] heeft overgelegd sluit aan bij een patroon van feitelijk gebruik dat past bij het hebben van het hoofdverblijf in het gehuurde. Dat [gedaagde] zich ten tijde van het onderzoek van Trivire nog niet had ingeschreven op het adres van het gehuurde staat aan dit oordeel niet in de weg. De inschrijving vormt weliswaar een aanwijzing, maar is niet beslissend voor het aannemen van het hebben van het hoofdverblijf. [gedaagde] heeft zich inmiddels op het adres laten inschrijven en heeft voor de vertraging een concrete en onderbouwde verklaring gegeven, namelijk dat hij te druk was met werk om daaraan te denken en de administratie er daardoor bij inschoot. 4.10 De kantonrechter is van oordeel [gedaagde] voldoende heeft onderbouwd dat hij zijn hoofdverblijf heeft (gehad) in het gehuurde. Omdat niet is komen vast te staan dat [gedaagde] het gehuurde niet als hoofdverblijf gebruikt (heeft), kan de gevorderde ontbinding en ontruiming niet op deze grondslag worden toegewezen. Heeft [gedaagde] het gehuurde zonder toestemming mede in gebruik gegeven aan [naam 2] ? 4.11 Door [gedaagde] is erkend dat hij geen toestemming heeft gevraagd aan Trivire voor de inschrijving van zijn (ex-)partner op het adres van het gehuurde. Hij heeft toegelicht dat hij zich er niet van bewust was dat dit moest en dat hij, zodra hij vernam dat hij dit verplicht was, alsnog om toestemming heeft verzocht, maar ook dat de relatie inmiddels is beëindigd en zijn ex-partner zich heeft laten uitschrijven. 4.12 Het laten inschrijven van een derde zonder toestemming is in strijd met artikel 6.6.3 van de AHV en levert daarmee een tekortkoming op. Nu de situatie inmiddels is beëindigd, de tekortkoming van beperkte aard en duur is geweest en geen concreet nadeel heeft opgeleverd voor Trivire, wordt deze omstandigheid als onvoldoende zwaarwegend gezien om de vergaande sanctie van ontbinding en ontruiming te rechtvaardigen. Het verweer van [gedaagde] op dit punt slaagt dan ook. De overige vorderingen van Trivire worden afgewezen 4.13 Omdat de gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst en de daarop gebaseerde ontruiming worden afgewezen, ontbreekt eveneens de grondslag voor de vorderingen tot het doorbetalen van de huurprijs dan wel de gebruiksvergoeding en tot betaling van de ontruimingskosten. Deze vorderingen zullen daarom ook worden afgewezen. De voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde] 4.14 Nu de voorwaarde niet is vervuld, komt de kantonrechter niet aan beoordeling van de reconventionele vordering toe. Trivire moet de proceskosten van [gedaagde] vergoeden 4.15 Trivire wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op (2 punten x € 204,00 =) € 408,00 aan salaris gemachtigde. 5 De beslissing De kantonrechter: in conventie 5.1 wijst de vorderingen af; 5.2 veroordeelt Trivire in de proceskosten, die aan de kant van [gedaagde] worden begroot op € 408,00; 5.3 verklaart de veroordeling onder 5.2 van dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad; in voorwaardelijke reconventie 5.4 verstaat dat de voorwaarde voor de reconventionele vordering niet is vervuld. Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Peters en ondertekend en in het openbaar uitgesproken door mr. D. van Dooren, op 18 december 2025. 60669/65708 Artikel 6:265 lid 1 BW