Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-12-19
ECLI:NL:RBROT:2025:15710
Civiel recht; Personen- en familierecht
Beschikking
4,079 tokens
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15710 text/xml public 2026-03-13T14:02:07 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-12-19 C/10/711448 / JE RK 25-2545 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15710 text/html public 2026-03-13T14:01:33 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15710 Rechtbank Rotterdam , 19-12-2025 / C/10/711448 / JE RK 25-2545 ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/711448 / JE RK 25-2545 Datum uitspraak: 19 december 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Rotterdam-Dordrecht , hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 9 december 2025; het rapport van de Raad, ontvangen op15 december 2025; de geboorteakte van [voornaam minderjarige] , ontvangen op 15 december 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 december 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ; - een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] . 1.3. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.2. [voornaam minderjarige] woont bij de moeder. 2.3. Bij beschikking van 8 oktober 2025 is [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 8 januari 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 5 november 2025. Het overig verzochte is aangehouden. 2.4. Bij beschikking van 16 oktober 2025 heeft de kinderrechter een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met aansluitend een plaatsing in het netwerk, verleend tot 8 januari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin dan wel een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De Raad handhaaft het verzoek ter zitting voor zover dit ziet op de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de Raad ter zitting om aanhouding, dan wel afwijzing. Het verzoek om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen is ingediend omdat zij werd geslagen in de thuissituatie bij de moeder. Dit mag niet gebeuren en de moeder is het hiermee eens. Hoewel de moeder openstaat voor hulpverlening komt dit niet van de grond, omdat zij vijf dagen per week werkt. Het is voor de Raad belangrijk dat de moeder heeft geleerd van de afgelopen periode en dat de thuissituatie bij de moeder is veranderd. Er moet meer zicht zijn op [voornaam minderjarige] en zij moet de kans krijgen om met haar vriendinnen af te spreken. Nu ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] weer bij de moeder verblijft en [voornaam minderjarige] en de moeder beide willen dat dit zo blijft, ziet de Raad geen effect in het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing. Wel dient er hulpverlening te worden ingezet in de thuissituatie bij de moeder. 4.2. De GI maakt ter zitting kenbaar achter het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing te staan als er snel wordt teruggewerkt naar huis. Ter zitting is echter gebleken dat [voornaam minderjarige] al terug is naar huis. De GI acht de thuissituatie bij de moeder goed genoeg voor [voornaam minderjarige] indien hulpverlening vanuit ASH of SPAM wordt ingezet. De GI heeft contact gehad met Jeugd op Zuid (hierna: JOZ). Zij kennen het gezin en kunnen hulpverlening inzetten voor [voornaam minderjarige] . Ook kunnen zij helpen bij de fysieke opvang van [voornaam minderjarige] , zodat zij minder alleen is. Het contact met de moeder is tot nu toe goed verlopen en de komende periode wordt gebruikt om de samenwerking met de moeder verder aan te gaan. 4.3. Door en namens de moeder wordt ter zitting ingestemd met het verzoek om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] wordt namens en door de moeder verweer gevoerd. De moeder ziet in dat zij [voornaam minderjarige] niet moet slaan en wil hier graag aan werken. De moeder heeft daarom zelf contact opgenomen met de wijkagent en de school van [voornaam minderjarige] om hulp te vragen. Hulpverlening komt echter niet van de grond omdat de moeder niet beschikbaar is tijdens kantooruren. Ondertussen is [voornaam minderjarige] weer terug in de thuissituatie bij de moeder en gaat het beter. [voornaam minderjarige] heeft andere vriendinnen en sindsdien zijn er geen problemen meer. De moeder gaat graag met de GI in gesprek om te kijken welke hulpverlening wel kan worden ingezet. Ook gaat de moeder kijken of zij iets kan regelen met haar werk. 5 De beoordeling Ten aanzien van de ondertoezichtstelling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] groeit op in de thuissituatie bij haar moeder. Langere tijd waren er spanningen tussen [voornaam minderjarige] en de moeder, waarbij fysiek geweld vanuit de moeder richting [voornaam minderjarige] heeft plaatsgevonden. [voornaam minderjarige] is vervolgens in oktober 2025 uit huis geplaatst bij haar oudere zus. Ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] de afgelopen periode niet bij haar zus heeft verbleven, maar nog steeds woonachtig is bij haar moeder. In de weekenden verblijft [voornaam minderjarige] wel bij haar oudere zus, maar dit deed zij voor de uithuisplaatsing al. [voornaam minderjarige] en de moeder zien graag dat de huidige woonsituatie wordt voortgezet. Dit neemt niet weg dat er zorgen zijn over de veiligheid van [voornaam minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. Het is belangrijk dat er rust komt in de thuissituatie en dat de moeder op een passende wijze op [voornaam minderjarige] leert reageren. Hoewel de moeder bereid is om mee te werken en de situatie graag wil verbeteren, is hulpverlening tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling onvoldoende van de grond gekomen. Dit maakt langere betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer, om hierin de regie te voeren, noodzakelijk. Met behulp van een vaste jeugdbeschermer kan de benodigde hulpverlening, bijvoorbeeld vanuit JOZ, worden opgestart om de thuissituatie blijvend te verbeteren. 5.3. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. 5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing 5.5.
Volledig
ECLI:NL:RBROT:2025:15710 text/xml public 2026-03-13T14:02:07 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl Rechtbank Rotterdam 2025-12-19 C/10/711448 / JE RK 25-2545 Uitspraak Beschikking NL Rotterdam Civiel recht; Personen- en familierecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBROT:2025:15710 text/html public 2026-03-13T14:01:33 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:RBROT:2025:15710 Rechtbank Rotterdam , 19-12-2025 / C/10/711448 / JE RK 25-2545 ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing RECHTBANK ROTTERDAM Team Jeugd Zaaknummer: C/10/711448 / JE RK 25-2545 Datum uitspraak: 19 december 2025 Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling en afwijzing machtiging tot uithuisplaatsing in de zaak van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Rotterdam-Dordrecht , hierna te noemen: de Raad, gevestigd te Rotterdam, over [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2013 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] . De kinderrechter merkt als belanghebbende aan: [naam moeder] , hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats] , advocaat: mr. W.R. Arema, kantoorhoudende in Rotterdam, de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond , hierna te noemen: de GI, gevestigd te Rotterdam. 1 Het verloop van de procedure 1.1. De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling: het verzoekschrift met bijlagen van de Raad, ontvangen op 9 december 2025; het rapport van de Raad, ontvangen op15 december 2025; de geboorteakte van [voornaam minderjarige] , ontvangen op 15 december 2025. 1.2. De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 19 december 2025. Daarbij waren aanwezig: - de moeder met haar advocaat; - een vertegenwoordiger van de Raad, [persoon A] ; - een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] . 1.3. De kinderrechter heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [voornaam minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren. 2 De feiten 2.1. De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] . 2.2. [voornaam minderjarige] woont bij de moeder. 2.3. Bij beschikking van 8 oktober 2025 is [voornaam minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 8 januari 2026. Bij diezelfde beschikking heeft de kinderrechter een spoedmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder verleend tot 5 november 2025. Het overig verzochte is aangehouden. 2.4. Bij beschikking van 16 oktober 2025 heeft de kinderrechter een trajectmachtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, met aansluitend een plaatsing in het netwerk, verleend tot 8 januari 2026. 3 Het verzoek 3.1. De Raad verzoekt [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] in een pleeggezin dan wel een gezinsgerichte voorziening te verlenen voor de duur van zes maanden. De Raad verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. 4 De standpunten 4.1. De Raad handhaaft het verzoek ter zitting voor zover dit ziet op de ondertoezichtstelling. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing verzoekt de Raad ter zitting om aanhouding, dan wel afwijzing. Het verzoek om [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen is ingediend omdat zij werd geslagen in de thuissituatie bij de moeder. Dit mag niet gebeuren en de moeder is het hiermee eens. Hoewel de moeder openstaat voor hulpverlening komt dit niet van de grond, omdat zij vijf dagen per week werkt. Het is voor de Raad belangrijk dat de moeder heeft geleerd van de afgelopen periode en dat de thuissituatie bij de moeder is veranderd. Er moet meer zicht zijn op [voornaam minderjarige] en zij moet de kans krijgen om met haar vriendinnen af te spreken. Nu ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] weer bij de moeder verblijft en [voornaam minderjarige] en de moeder beide willen dat dit zo blijft, ziet de Raad geen effect in het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing. Wel dient er hulpverlening te worden ingezet in de thuissituatie bij de moeder. 4.2. De GI maakt ter zitting kenbaar achter het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing te staan als er snel wordt teruggewerkt naar huis. Ter zitting is echter gebleken dat [voornaam minderjarige] al terug is naar huis. De GI acht de thuissituatie bij de moeder goed genoeg voor [voornaam minderjarige] indien hulpverlening vanuit ASH of SPAM wordt ingezet. De GI heeft contact gehad met Jeugd op Zuid (hierna: JOZ). Zij kennen het gezin en kunnen hulpverlening inzetten voor [voornaam minderjarige] . Ook kunnen zij helpen bij de fysieke opvang van [voornaam minderjarige] , zodat zij minder alleen is. Het contact met de moeder is tot nu toe goed verlopen en de komende periode wordt gebruikt om de samenwerking met de moeder verder aan te gaan. 4.3. Door en namens de moeder wordt ter zitting ingestemd met het verzoek om [voornaam minderjarige] onder toezicht te stellen. Tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] wordt namens en door de moeder verweer gevoerd. De moeder ziet in dat zij [voornaam minderjarige] niet moet slaan en wil hier graag aan werken. De moeder heeft daarom zelf contact opgenomen met de wijkagent en de school van [voornaam minderjarige] om hulp te vragen. Hulpverlening komt echter niet van de grond omdat de moeder niet beschikbaar is tijdens kantooruren. Ondertussen is [voornaam minderjarige] weer terug in de thuissituatie bij de moeder en gaat het beter. [voornaam minderjarige] heeft andere vriendinnen en sindsdien zijn er geen problemen meer. De moeder gaat graag met de GI in gesprek om te kijken welke hulpverlening wel kan worden ingezet. Ook gaat de moeder kijken of zij iets kan regelen met haar werk. 5 De beoordeling Ten aanzien van de ondertoezichtstelling 5.1. De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom. 5.2. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] ernstig in haar ontwikkeling wordt bedreigd. [voornaam minderjarige] groeit op in de thuissituatie bij haar moeder. Langere tijd waren er spanningen tussen [voornaam minderjarige] en de moeder, waarbij fysiek geweld vanuit de moeder richting [voornaam minderjarige] heeft plaatsgevonden. [voornaam minderjarige] is vervolgens in oktober 2025 uit huis geplaatst bij haar oudere zus. Ter zitting is gebleken dat [voornaam minderjarige] de afgelopen periode niet bij haar zus heeft verbleven, maar nog steeds woonachtig is bij haar moeder. In de weekenden verblijft [voornaam minderjarige] wel bij haar oudere zus, maar dit deed zij voor de uithuisplaatsing al. [voornaam minderjarige] en de moeder zien graag dat de huidige woonsituatie wordt voortgezet. Dit neemt niet weg dat er zorgen zijn over de veiligheid van [voornaam minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder. Het is belangrijk dat er rust komt in de thuissituatie en dat de moeder op een passende wijze op [voornaam minderjarige] leert reageren. Hoewel de moeder bereid is om mee te werken en de situatie graag wil verbeteren, is hulpverlening tijdens de voorlopige ondertoezichtstelling onvoldoende van de grond gekomen. Dit maakt langere betrokkenheid van een vaste jeugdbeschermer, om hierin de regie te voeren, noodzakelijk. Met behulp van een vaste jeugdbeschermer kan de benodigde hulpverlening, bijvoorbeeld vanuit JOZ, worden opgestart om de thuissituatie blijvend te verbeteren. 5.3. De ondertoezichtstelling is daarom in dit geval nodig. De kinderrechter stelt [voornaam minderjarige] onder toezicht voor de duur van een jaar. 5.4. De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat. Ten aanzien van de machtiging tot uithuisplaatsing 5.5.