Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2025-12-23
ECLI:NL:RBROT:2025:15534
RECHTBANK ROTTERDAM Team familie Zaak-/rekestnummer: C/10/707930 / FA RK 25-7580 Beschikking van 23 december 2025 betreffende een klacht als bedoeld in artikel 10:7 lid 1 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (hierna: Wvggz) tevens houdende de beslissing op het verzoek tot schadevergoeding als bedoeld in artikel 10:11 lid 2 Wvggz op verzoek van: [verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1992, [geboorteplaats] , hierna: verzoekster, wonende te [woonplaats] , advocaat mr. L.M. Deiman te Rotterdam. Als belanghebbenden worden aangemerkt: zorgaanbieder [naam instelling] te [plaatsnaam] (hierna: zorgaanbieder); en de zorgverantwoordelijke van verzoekster, [naam 1] , psychiater (hierna: zorgverantwoordelijke). 1 Procesverloop 1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit: het verzoekschrift van verzoekster met bijlagen, ingekomen op 6 oktober 2025; en het verweerschrift van de zorgaanbieder met bijlagen, ingekomen op 5 november 2025. 1.2. Op 18 november 2025 zijn namens verzoekster aanvullende producties bij de rechtbank ingediend. 1.3. De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden in de rechtbank te Rotterdam op 19 november 2025. Bij die gelegenheid zijn verschenen: verzoekster met haar hiervoor genoemde advocaat; de moeder van verzoekster; [naam 2] , jurist, [naam 1] , psychiater en zorgverantwoordelijke, en [naam 3] , arts, allen verbonden aan de zorgaanbieder. 1.4. De mondelinge behandeling is op enig moment geschorst om de zorgaanbieder in de gelegenheid te stellen om de aanvullende producties als bedoeld in rechtsoverweging 1.2. te lezen, nu deze niet aan de zorgaanbieder waren toegezonden. 1.5. De rechtbank heeft ambtshalve kennisgenomen van de beschikking van deze rechtbank van 25 juli 2025 met betrekking tot het verzoek om een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van verzoekster en de beschikking van deze rechtbank van 4 september 2025 met betrekking tot het verzoek om een zorgmachtiging aansluitend op een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel ten aanzien van verzoekster af te geven. 2 Feiten 2.1. Bij beschikking van 21 juli 2025 heeft de burgemeester van de gemeente Capelle aan den IJssel ten aanzien van verzoekster een crisismaatregel genomen. 2.2. Op 21 juli 2025 heeft de zorgverantwoordelijke besloten tot het verlenen van de volgende vormen van verplichte zorg door middel van een artikel 8:9 Wvggz beslissing: het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, het opnemen in een accommodatie en het insluiten. 2.3. Verzoekster is bij opname op 21 juli 2025 ingesloten en is op 22 juli 2025 gemobiliseerd naar de afdeling. 2.4. Bij voornoemde beschikking van 25 juli 2025 heeft deze rechtbank ten aanzien van verzoekster tot en met 15 augustus 2025 een machtiging tot voortzetting van de crisismaatregel verleend, waarin de volgende vormen van verplichte zorg zijn opgenomen: het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles, ter behandeling van een psychische stoornis; het beperken van de bewegingsvrijheid; het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, inhoudende het accepteren en nakomen van ambulante behandelafspraken; het opnemen in een accommodatie. 2.5. Op 25 juli 2025 heeft de zorgverantwoordelijke besloten tot het verlenen van de volgende vormen van verplichte zorg door middel van een artikel 8:9 Wvggz beslissing: het toedienen van medicatie, het beperken van de bewegingsvrijheid, en het opnemen in een accommodatie. 2.6. Op 29 juli 2025 heeft de zorgverantwoordelijke verzoekster in kennis gesteld van de beslissing tot het verlenen van tijdelijk verplichte zorg in de vorm van insluiten. Daarvoor heeft de zorgaanbieder een artikel 8:12 Wvggz-brief aan klaagster overhandigd. Op dezelfde dag is verzoekster weer gemobiliseerd naar de afdeling. 2.7. Verzoekster heeft op 18 augustus 2025 klachten vergezeld van een schadevergoedi In verband met de immateriële schade verzoekt zij de rechtbank haar een redelijke schadevergoeding toe te kennen bestaande uit € 100,- per dag voor de opname op de gesloten afdeling, € 50,- per dag voor het toedienen van depotmedicatie en de hoge dosering Quetapine en € 50,- per dag voor de separatie en het onvoldoende toezicht tijdens separatie. In verband met de materiële schade verzoekt verzoekster de zorgaanbieder te veroordelen tot het betalen van een vergoeding van ruim € 10.000,-. De materiële schade als gevolg van de toegepaste verplichte zorg bestaat volgens verzoekster uit het mislopen van inkomsten door kwijtraken van haar functie als beeldredacteur, inkomensverlies, reputatieschade en het mislopen van opdrachten en kansen. Ook stelt verzoekster als gevolg van de opname trauma’s te hebben opgelopen en verzoekt de rechtbank om de zorgaanbieder te veroordelen tot het betalen van een billijke vergoeding voor de kosten van een trauma-behandeling. 3.1.4. Tot slot stelt verzoekster tijdens de mondelinge behandeling dat het moeilijk was om de aanvullende producties als bedoeld in rechtsoverweging 1.2. te verzamelen en in het juiste format in het digitale portaal van de rechtbank in te dienen. Zij verzoekt de rechtbank deze producties te betrekken bij haar beslissing. 3.2. De zorgaanbieder stelt dat de rechtbank onbevoegd is om te oordelen over de klachten waarop de Wet kwaliteit, klachten en geschillen zorg (verder: Wkkgz) van toepassing is, in het bijzonder de klachten die zien op overplaatsing van [opnames] , de bejegening van medewerkers tijdens het toedienen van medicatie en de contactmomenten tijdens de separaties. 3.2.1. De zorgaanbieder stelt voorts dat de klachten met betrekking tot de Wvggz ongegrond zijn en dat het verzoek tot schadevergoeding, voor zowel de immateriële als de materiële schade, moet worden afgewezen. 3.2.2. De beslissingen om verplichte zorg toe te passen voldeden volgens de zorgaanbieder aan de wettelijke eisen. 3.2.3. Met betrekking tot de verzochte schadevergoeding stelt de zorgaanbieder primair dat er geen grond bestaat voor schadevergoeding, mede omdat de schadevergoedingsverzoeken voor inkomstenderving en traumabehandeling alsmede het causale verband tussen deze gestelde schades en de toegepaste verplichte zorg onvoldoende onderbouwd zijn en subsidiair dat voor de vaststelling van een eventuele schadevergoeding moet worden aangesloten bij de Oriëntatiepunten schadevergoeding in verplichte zorgzaken (LOVF, juli 2024). . 3.2.4. Tot slot voert de zorgaanbieder verweer op het in de procedure betrekken van de aanvullende producties als bedoeld in rechtsoverweging 1.2. die pas tijdens de mondeling behandeling ter kennis van de zorgaanbieder en de zorgverantwoordelijke zijn gebracht. Volgens de zorgaanbieder gaat het om een forse aanspraak op schadevergoeding en kan de zorgaanbieder, mede gelet op de omvang van die producties, niet binnen enkele minuten de relevantie daarvan beoordelen. Daarbij heeft verzoekster ruim de tijd gehad om eerder aanvullende producties in te dienen, omdat de mondelinge behandeling op verzoek van partijen eerder is uitgesteld. 4 Beoordeling Aanvullende producties De aanvullende producties als bedoeld in rechtsoverweging 1.2. zijn niet voorafgaand aan de mondelinge behandeling naar de zorgaanbieder gestuurd, waardoor deze aanbieder voorafgaand aan de zitting geen kennis heeft kunnen nemen van deze stukken. Deze producties dateren alle van voor 18 oktober 2025 en hadden dus veel eerder zowel aan de rechtbank als aan de zorgaanbieder kunnen worden aangeboden. Dat deze stukken pas ter zitting zijn aangeboden aan de zorgaanbieder acht de rechtbank, mede gelet op hun aard en omvang, in strijd met de eisen van een goede procesorde. e De rechtbank laat deze producties daarom buiten beschouwing. Bevoegdheid en ontvankelijkheid 4.1. Op grond van artikel 10:7 Wvggz kan een betrokkene, binnen zes weken na de dag waarop de beslissing van de klachtencommissie aan de verzoekster is mee De psychiater heeft toegelicht dat het ging om een discussie tussen verzoekster en twee medepatiënten, waarbij door één van hen is gezwaaid met een broodsmeermes. Het aanwezige zorgpersoneel heeft de discussie afgebroken en verzoekster kort apart genomen, maar verder is dit voorval door de instelling niet aangemerkt als een dreigend incident. Nadat verzoekster de dagen erna bleef aangeven een onveilig gevoel te hebben, is besloten om verzoekster alsnog over te plaatsen naar een andere afdeling. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat deze handelswijze getuigt van een onjuiste inschatting van de situatie. Verzoekster heeft niet kunnen duiden waardoor zij niet veilig was op de afdeling. Bij navraag van de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat geen sprake is geweest van concrete verbale of fysieke dreigementen; er is niets gezegd of gedaan. Gebleken is dat het gevoel van angst bij verzoekster kwam door de aanwezigheid van deze patiënten op de afdeling. Hoewel de rechtbank er begrip voor heeft dat verzoekster zelf het gevoel heeft gehad niet veilig te zijn, kan niet uitgesloten worden dat dit gevoel deel heeft uitgemaakt van het toestandsbeeld van verzoekster. Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende onderbouwd dat het laten voortduren van de opname in strijd was met het uitgangspunt van veiligheid. Klacht toedienen medicatie 4.9. Zoals de zorgaanbieder heeft aangevoerd, zal de rechtbank zich terughoudend opstellen bij het beoordelen van de klacht over het toedienen van medicatie. De keuze voor het type medicatie en de dosering is in beginsel een geneeskundig oordeel. De wettelijke criteria bieden echter wel een algemeen kader waaraan de rechter het verplicht toedienen van een bepaald type medicatie kan toetsen. Hierdoor wordt de rechtsbescherming van verzoekster in al de aspecten van haar behandeling gegarandeerd. 4.10. Het betoog van verzoekster dat de beslissing om medicatie toe te dienen niet is voldaan aan de uitgangspunten van proportionaliteit, subsidiariteit en doelmatigheid, volgt de rechtbank niet. De zorgaanbieder heeft toegelicht dat op het moment van opname er aanwijzingen waren die duidden op een acute psychiatrische stoornis waaruit op dat moment ernstig nadeel voortvloeide. Medicatie werd daarom noodzakelijk geacht. Verzoekster verzette zich meermaals tegen het innemen van de medicatie, waardoor het noodzakelijk was de medicatie te geven in een verplicht kader. Een gesprek over de medicatie was, anders dan verzoekster zelf heeft aangevoerd, op deze momenten niet mogelijk. Na het toedienen van de Haldol heeft verzoekster aan een verpleegkundige verteld dat zij de voorkeur gaf aan Quetapine. In een daaropvolgend gesprek kon verzoekster zich deze wens niet meer herinneren, maar niettemin is door de psychiater besloten hierop over te gaan. De psychiater licht tijdens de mondelinge behandeling toe dat zowel de Haldol als de Quetapine een positief effect hadden op het toestandsbeeld van verzoekster. Zij stabiliseerde, waarna separatie en intramusculaire medicatie niet meer nodig waren tijdens de verdere duur van de opname. 4.11. De rechtbank is van oordeel dat de zorgaanbieder zich voldoende heeft ingespannen om rekening te houden met de wensen en voorkeuren van verzoekster. Zo is rekening gehouden met het feit dat verzoekster geen Haldol wilde innemen en zijn vanwege de bijwerkingen aanpassingen gedaan. Het toedienen van de Haldol is in eerste instantie noodzakelijk geweest vanwege het toestandsbeeld. Verzoekster was op dat moment niet in staat haar bezwaren tegen Haldol te maken. Op het moment dat zij dat wel kon, is door de psychiater overgegaan op een ander middel. 4.12. Het is daarnaast voldoende gebleken dat de dosis Quetapine geen gevaarlijke of ongebruikelijke hoeveelheid was. De psychiater heeft toegelicht dat het een standaarddosering betreft bij psychotische decompensaties en dit is door verzoekster niet weersproken. De klachten die verzoekster momenteel nog ervaart