Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2025-11-04
ECLI:NL:RBROT:2025:15500
Rechtbank Rotterdam Meervoudige kamer strafzaken Parketnummer: 10-219256-25 Datum uitspraak: 4 november 2025 Datum zitting: 21 oktober 2025 Tegenspraak Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] , gedetineerd in het detentiecentrum [naam detentiecentrum] : [detentieadres] , [postcode 1] [detentieplaats] . Advocaat van de verdachte: mr. G.R. Stolk Officier van justitie: mr. N. Daalder 1 Tenlastelegging De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij twee pistolen met munitie, en een vuurwerkbom voorhanden heeft gehad. De volledige tenlastelegging houdt in dat 1 hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, van het merk CZ type M57 kaliber 9mm en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 1 kogelpatroon, kaliber 9mm voorhanden heeft gehad; 2 hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, van het merk CZ type Vzor 70 kaliber 7.65MM (.32) en/of (voor dit vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de Categorie III te weten 9 kogelpatronen, kaliber .32auto en/of .32 voorhanden heeft gehad; 3 hij op of omstreeks 17 juli 2025 te Rotterdam (een) wapen(s) als bedoeld in art. 2 lid 1 Categorie II onder 7º van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing namelijk een vuurwerk/brandstof-combinatiebom (te weten een cobra met daaraan vast getapet een fles gevuld met brandbare vloeistof) voorhanden heeft gehad. 2 Bewijs 2.1. Bewezenverklaring De bewezenverklaring is gebaseerd op de inhoud van de bewijsmiddelen. De verdachte heeft de feiten bekend en er is geen vrijspraak bepleit. Daarom worden voor deze feiten de bewijsmiddelen hieronder wel genoemd maar niet uitgeschreven. Bewezen is dat: 1 hij op 17 juli 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, van het merk CZ type M57 kaliber 9mm en voor dit vuurwapen geschikte munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten 1 kogelpatroon, kaliber 9mm, voorhanden heeft gehad; 2 hij op 17 juli 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie III onder 1º van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de vorm van een pistool, van het merk CZ type Vzor 70 kaliber 7.65MM (.32) en voor dit vuurwapen geschikte munitie in de zin van art. 1 onder 4º van de Wet wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art. 2 lid 2 van die wet, van de categorie III te weten 7 kogelpatronen, kaliber .32auto en 2 kogelpatronen, kaliber .32, voorhanden heeft gehad; 3 hij op 17 juli 2025 te Rotterdam een wapen als bedoeld in art. 2 lid 1 categorie II onder 7º van de Wet wapens en munitie, te weten een voorwerp bestemd voor het treffen van personen of zaken door vuur of door middel van ontploffing namelijk een vuurwerk/brandstof-combinatiebom (te weten een cobra met daaraan vast getapet een fles gevuld met brandbare vloeistof) voorhanden heeft gehad. 2.2. Bewijsmiddelen 1. Bekennende verklaring van de verdachte 2. Proces-verbaal van de politie, doorzoeking 3. Proces-verbaal van de politie, onderzoek vuurwapens en munitie Bij het bepalen van de duur van de gevangenisstraf houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd. Wel zal de rechtbank van deze gevangenisstraf vier maanden voorwaardelijk opleggen. Het voorwaardelijk strafdeel heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt. De rechtbank verbindt aan de voorwaardelijke straf de bijzondere voorwaarden die de reclassering heeft geadviseerd. De bijzondere voorwaarden zijn nodig om de kans op herhaling van het plegen van nieuwe strafbare feiten te verkleinen. De verdachte wil graag de kans krijgen om te laten zien wat hij wél kan. De bijzondere voorwaarden kunnen de verdachte daarbij helpen. De gevangenisstraf zal worden tenuitvoergelegd binnen de penitentiaire inrichting, totdat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma. 5 In beslag genomen voorwerpen De rechtbank beslist tot de teruggave van het in beslag genomen geldbedrag van € 1.700, aan de verdachte. 6 Wettelijke voorschriften De oplegging van deze straf is gebaseerd op de artikelen 14a, 14b, 14c, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie. 7 Beslissingen De rechtbank: verklaart bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 en 3, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd; stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 12 maanden ; beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de gevangenisstraf, voor zover deze tijd niet al op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat vier maanden v an deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zullen worden gelegd , tenzij de rechter later anders beslist; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte één van de onderstaande voorwaarden niet naleeft; stelt als algemene voorwaarde dat: 1. de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt; stelt als bijzondere voorwaarden dat: 2. de verdachte meldt zich op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt; 3. de verdachte laat zich behandelen door forensische polikliniek De Waag, Fivoor of een soortgelijke zorgverlener (te bepalen door de reclassering). De behandeling duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Indien blijkt dat diagnostisch onderzoek geïndiceerd is werkt de verdachte daaraan mee; 4. de verdachte verblijft in een instelling voor beschermd wonen, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld; 5. de verdachte is op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig op het verblijfadres, zolang het Openbaar Ministerie dat nodig vindt. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met betrokkene en afhankelijk van de dagbesteding. De verdachte werkt mee aan elektronische monitoring op dit locatiegebod. Het huidige verblijfadres is [verblijfadres] , [postcode 2] te [verblijfplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft. De verdachte gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische monitoring nodig is dat hij in Nederland blijft; 6. de verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van school, w