Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2025-04-16
ECLI:NL:RBROT:2025:15482
voorlopige staat van verdeling RECHTBANK ROTTERDAM Team handel en haven zaaknummer / rekestnummer: C/10/691814 / HA RK 24-1184 Voorlopige staat van verdeling van het restant van de netto-verkoopopbrengst van de executoriale verkoop van het registergoed aan de [adres] te ( [postcode] ) Schiedam. 1 Het verloop van de procedure 1.1. Op 30 december 2024 is ter griffie van deze rechtbank ingekomen het verzoekschrift met bijlagen van Bouwmaterialenhandel De Heuning B.V. (hierna: Kebo), gevestigd te [vestigingsplaats] , advocaat [naam advocaat] te Zwolle, houdende een verzoek tot een gerechtelijke rangregeling van het restant van de netto-opbrengst van de executoriale verkoop van het registergoed aan de [adres] te ( [postcode] ) Schiedam (hierna: het registergoed), dat op 19 januari 2022 ten overstaan van notaris [naam notaris] (hierna: de notaris) executoriaal is verkocht ten laste van [persoon A] (hierna: de geëxecuteerde). 1.2. Bij beschikking van de voorzieningenrechter van 11 februari 2025 is W.P. Sprenger tot rechter-commissaris benoemd voor wie zal worden overgegaan tot de verzochte regeling van de voorrang en de verdeling van het restant van de netto-verkoopopbrengst van het registergoed. 1.3. Uit het Kadasteruittreksel van 13 januari 2022 (onderdeel van productie 2 bij het verzoekschrift) en de staat van schuldeisers van de notaris van 26 maart 2025 (die desgevraagd per e-mail van dezelfde dag door de advocaat van Kebo aan de rechtbank is gestuurd) blijkt dat Kebo en de Clustermanager Productie van de Regionale Belasting Groep (hierna: RBG) de enigen zijn die beslag hadden gelegd op het registergoed, dat er geen beslag is gelegd op de verkoopopbrengst en dat er geen schuldeisers bekend zijn die een vordering kunnen ontlenen aan artikel 3:264 lid 7 BW. 1.4. Het registergoed is op 19 januari 2022 executoriaal verkocht op verzoek van de hypotheekhouder. Volgens de e-mail van de notaris van 26 maart 2025 is het restant van de netto-opbrengst van de executoriale verkoop € 10.931,90 (hierna: restant netto-executieopbrengst). 1.5. Van de benoeming van de rechter-commissaris heeft de griffier bij brief van 11 februari 2025 aan Kebo en RBG mededeling gedaan, met vermelding dat de aanmelding van de vorderingen moest plaatsvinden uiterlijk op 28 februari 2025. 1.6. Bij brief van haar advocaat van 26 februari 2025 heeft Kebo haar vordering aangemeld. 1.7. Kebo heeft desgevraagd bij e-mail van haar advocaat van 14 maart 2025 nader toegelicht waarom haar vordering batig gerangschikt kan worden in de onderhavige rangregeling nadat de schuldsanering van de geëxecuteerde met een ‘schone-lei-verklaring’ is beëindigd. 2 De vorderingen 2.1. Bij de rechter-commissaris is (tijdig) één vordering ingediend, te weten door Kebo (zie onder 1.6). RBG heeft geen vordering ingediend. 2.2. Kebo heeft, onder verwijzing naar (aanvullende) bewijsstukken, de navolgende vordering bij de rechter-commissaris aangemeld en heeft verzocht dat deze vordering in de rangregeling wordt opgenomen: Hoofdsom (uit het verstekvonnis van 3 april 2019 en het vonnis van 13 mei 2020) € 194.857,62 kosten tot WSNP € 35.261,15 AF: ontvangst deurwaarder € -2.878,55 AF: uitkering WSNP € -6.094,17 Totaal € 221.146,05 Kebo heeft op 17 januari 2019 conservatoir beslag gelegd op het registergoed. Zij maakt geen aanspraak op voorrang. 3 De beoordeling De vordering van Kebo 3.1. In deze rangregeling doet zich een bijzondere situatie voor. Er is maar één vordering ingediend, zodat men op het eerste gezicht zou menen dat een rangregeling overbodig is. En die ene vordering is inmiddels gebaseerd op een natuurlijke verbintenis. De rechter-commissaris overweegt hierover als volgt. 3.1.1. Uit de dossierstukken, waaronder een brief van de bewindvoerder WSNP van 7 november 2024 (onderdeel van bijlage 7 bij de brief van de advocaat van Kebo van 26 februari 2025) en de in het Centraal Insolventieregister gepubliceerde informatie leidt de rechter-commissaris de volgende gege Om die voorwaarde in vervulling te doen gaan dient rechtens te worden vastgesteld dat de schuldeiser-deelgenoot een bepaalde vordering op de geëxecuteerde heeft en dient het beloop van die vordering rechtens te worden vastgesteld. Daarbij gaat het niet alleen om de verhouding tussen de ene schuldeiser en de geëxecuteerde, maar ook om die tussen de schuldeisers onderling. 3.1.6. Zoals onder 3.1.1 overwogen, heeft Kebo haar vordering in de schuldsanering ingediend, is op die vordering een uitkering in het kader van de schuldsanering gedaan en is de schuldsanering beëindigd met een schone-lei-verklaring. Ingevolge artikel 358 lid 1 F is een vordering ten aanzien waarvan de schuldsaneringsregeling werkt, zoals de vordering van Kebo, voor zover deze onvoldaan is gebleven, niet langer afdwingbaar. Het restant van de vordering wordt een natuurlijke verbintenis. 3.1.7. Een natuurlijke verbintenis is een rechtens niet-afdwingbare verbintenis (artikel 6:3-6.5 BW). In de literatuur wordt verdedigd dat een natuurlijke verbintenis niet kan worden toegelaten bij de verdeling van een executieopbrengst . Op het eerste gezicht zou men daarom kunnen menen dat de schuld van de geëxecuteerde aan Kebo, die door de schone-lei-verklaring van een gewone (civiele) vordering in een natuurlijke verbintenis is omgezet, niet kan worden toegelaten tot deze rangregeling en dat de opschortende voorwaarde – dat rechtens wordt vastgesteld dat en welk aandeel Kebo in de gemeenschap van het restant netto-executieopbrengst heeft – niet meer kan worden vervuld. 3.1.8. Echter, de vordering van Kebo op de geëxecuteerde was al vastgesteld voordat Kebo haar verzoek tot de rangregeling indiende, te weten in de vonnissen van deze rechtbank van 3 april 2019 en 13 mei 2020. Daarbij is de vordering van Kebo op geëxecuteerde vastgesteld op € 194.857,62. Die vaststelling werkt niet alleen ten opzichte van de geëxecuteerde, maar in beginsel ook ten opzichte van eventuele andere schuldeisers van de geëxecuteerde met wie Kebo gezamenlijk tot het restant netto-executieopbrengst is gerechtigd. Nu er in dit geval geen andere schuldeiser is die de vordering van Kebo betwist, dient in dit geval van die vaststelling te worden uitgegaan. De vordering van € 194.857,62 zal daarom in deze voorlopige staat van verdeling worden opgenomen. 3.1.9. Ten aanzien van de ‘kosten tot WSNP’ van € 35.261,15 die Kebo heeft opgevoerd die niet in de vonnissen van deze rechtbank van 3 april 2019 en 13 mei 2020 zijn vastgesteld, moet worden geoordeeld dat die als natuurlijke verbintenissen niet rechtens kunnen worden vastgesteld in deze rangregeling. 3.1.10. Op het aldus bepaalde beloop van de vordering van Kebo van € 194.857,62 komt in mindering hetgeen Kebo daarop heeft ontvangen. Het gaat daarbij om het door Kebo geïncasseerde bedrag van € 2.878,55 en het in het kader van de schuldsanering aan haar uitgekeerde bedrag van € 6.094,17, derhalve in totaal € 8.972,72. Dat brengt het beloop van de vastgestelde vordering van Kebo op (€ 194.857,62 – € 8.972,72=) € 185.884,90. Tot dat beloop kan de vordering van Kebo worden toegelaten in deze rangregeling. 3.1.11. Gelet op het geringe beloop van het restant netto-executieopbrengst, maakt het precieze beloop van de vastgestelde vordering van Kebo, overigens, weinig uit. Een surplus ten behoeve van (overige schuldeisers van) de geëxecuteerde zal in geen geval resteren. Uitwinningskosten 3.2. Wat betreft de kosten van uitwinning geldt dat aan Kebo het aan haar in rekening gebrachte griffierecht van € 458,00 voor vergoeding in aanmerking komt, alsmede één punt volgens het liquidatietarief II, namelijk een bedrag van € 614,00 voor het indienen van het verzoekschrift tot opening van de rangregeling. Nu de vordering van Kebo wordt toegelaten in de rangregeling, komt aan haar tevens een vergoeding toe voor het indienen van de vordering, te weten één punt volgens het liquidatietarief II, namelijk een bedrag van € 614,00. 4 De voorlopige staat van verdeling 4.1. De voor