Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2025-11-27
ECLI:NL:RBROT:2025:15369
Rechtbank Rotterdam Team jeugd Parketnummer: 10/091616-25 Datum uitspraak: 27 november 2025 Tegenspraak Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte: [verdachte] , geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedatum 1] 2008, ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres: [adres] , [postcode] te [woonplaats] , raadsvrouw: mr. F. el Makhtari, advocaat te Rotterdam. 1 Onderzoek op de terechtzitting Gelet is op het onderzoek op de besloten terechtzitting van 27 november 2025. 2 Tenlastelegging Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht. 3 Eis officier van justitie De officier van justitie mr. A.H.A. de Bruijne heeft gevorderd: bewezenverklaring van het ten laste gelegde; veroordeling van de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 129 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 70 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar en met als bijzondere voorwaarden dat de verdachte zich houdt aan de aanwijzingen van de jeugdreclassering, zich inspant voor een positieve dagbesteding, zich inspant voor een zinvolle vrijetijdsbesteding, meewerkt aan de inzet van een jongerencoach, meewerkt aan behandeling en zich houdt aan het contactverbod met de medeverdachte; met opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden; veroordeling van de verdachte tot een taakstraf, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen vervangende jeugddetentie. 4 Waardering van het bewijs 4.1. Bewezenverklaring zonder nadere motivering – feit 2 en 3 Het onder 2 en 3 ten laste gelegde is door de verdachte bekend. Deze feiten zullen zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard. 4.2. Bewijswaardering – feit 1 4.2.1. Standpunt verdediging De verdediging heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde, omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte beschikkingsmacht heeft gehad over het vuurwapen dat is ten laste gelegd. Het vuurwapen is aangetroffen in het tasje van de medeverdachte met wie de verdachte in de auto zat. De verdachte had dit vuurwapen niet eerder gezien. Het wapen dat de verdachte vasthoudt op de foto die is gemaakt op de avond van de aanhouding betreft een ander (nep) vuurwapen. Als dit het vuurwapen zou zijn dat is ten laste gelegd, zouden er DNA-sporen van de verdachte op het vuurwapen aanwezig moeten zijn, maar dat is niet het geval. 4.2.2. Beoordeling De vraag die aan de rechtbank voorligt, is of de verdachte samen met de medeverdachte beschikkingsmacht heeft gehad over het wapen dat is ten laste gelegd. De rechtbank overweegt het volgende. Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat op 25 maart 2025 om 1:31 uur bij de medeverdachte in zijn tasje een vuurwapen is aangetroffen, terwijl hij samen met de verdachte in de auto zat. In de telefoon van de verdachte is vervolgens een foto gevonden die is gemaakt op 25 maart 2025 om 0:30 uur, dus vlak voor de aanhouding, waarop is te zien dat de verdachte in een auto zit en een vuurwapen vasthoudt, dat grote gelijkenissen vertoont met het vuurwapen dat bij de medeverdachte is aangetroffen. Uit het DNA-onderzoek aan het vuurwapen komt naar voren dat er op diverse plekken op het vuurwapen een DNA mengprofiel afkomstig van minimaal drie dan wel twee donoren is aangetroffen. Hieruit kon alleen het DNA profiel van de medeverdachte worden afgeleid. De overige DNA kenmerken waren onvoldoende voor vergelijkend onderzoek. Anders dan de verdediging heeft betoogd, sluiten de resultaten van het DNA-onderzoek dus niet uit dat de verdachte het wapen (ook) in handen heeft gehad. Gelet op voornoemde feiten en omstandigheden, in onderling samenhang bezien, gaat de rechtbank ervan ui Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, meermaals gepleegd. Feit 3: opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod. Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten. De feiten zijn dus strafbaar. 6 Strafbaarheid verdachte Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar. 7 Motivering straf 7.1. Algemene overweging De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. 7.2. Feiten waarop de straf is gebaseerd De verdachte heeft zich op zestienjarige leeftijd schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. Allereerst heeft hij zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie. Vervolgens zijn op diezelfde dag, tijdens de doorzoeking van de woning van de verdachte, ook twee andere vuurwapens met munitie en ruim 105 gram MDMA aangetroffen. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. De ervaring leert dat het bezit van vuurwapens, ook door en onder jongeren, gemakkelijk leidt tot het gebruik ervan met ernstig lichamelijk letsel of de dood tot gevolg. Daarnaast is algemeen bekend dat het gebruik van verdovende middelen gevaar oplevert voor de volksgezondheid en dat dit direct en indirect een oorzaak is van vele vormen van criminaliteit. Door zijn handelen heeft de verdachte bijgedragen aan het in stand houden van de hieraan verwante maatschappelijke problemen. De bewezenverklaarde feiten leiden tot gevoelens van onveiligheid in de samenleving. Daar komt bij dat er twee vuurwapens en een deel van de MDMA in de woning zijn gevonden in een doos met speelgoed, die open en bloot in de woonkamer stond. De verdachte heeft hierover verklaard dat de spullen daar kort hebben gelegen. Hij wilde de spullen verstoppen voor zijn moeder en diezelfde nacht zou er iemand langskomen om de spullen op te halen en te vernietigen. Wat daar ook van zij, dit neemt niet weg dat hiermee een groot gevaar voor de andere bewoners van de woning is veroorzaakt, in het bijzonder voor zijn negenjarige broertje. De rechtbank rekent dit de verdachte zwaar aan. 7.3. Persoonlijke omstandigheden van de verdachte 7.3.1. Strafblad De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van 12 november 2025, waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld, maar niet voor soortgelijke strafbare feiten. 7.3.2. Rapportages en verklaringen van deskundige op de terechtzitting De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 20 november 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in. De verdachte functioneert momenteel goed. Wel zijn er zorgen dat de verdachte afglijdt in een crimineel circuit. Om de kans op recidive te verkleinen en om de prille, positieve ontwikkelingen voort te zetten is het toezicht van de jeugdreclassering noodzakelijk. Verdachte is gebaat bij een strak en duidelijk kader als stok achter de deur. Geadviseerd wordt daarom om de verdachte een deels voorwaardelijke jeugddetentie op te leggen, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk dient te staan aan de periode van het voorarrest, onder de bijzondere voorwaarden dat hij meewerkt aan alle hulpverlening die de jeugdreclassering noodzakelijk acht, meewerkt aan een systeemgerichte behandeling, onderwijs volgt volgens het rooster, zich inspant voor een positieve vrijetijdsbesteding en zich houdt aan het contactverbod met zijn 10 Beslissing De rechtbank: verklaart bewezen dat de verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan; stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert de hiervoor vermelde strafbare feiten; verklaart de verdachte strafbaar; veroordeelt de verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van 129 (honderdnegenentwintig) dagen; beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht; bepaalt dat een gedeelte van de jeugddetentie groot 70 (zeventig) dagen , niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten; verbindt hieraan een proeftijd, die wordt vastgesteld op twee jaren ; tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden; stelt als algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van die proeftijd niet zal schuldig maken aan een strafbaar feit; stelt als bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde: - zich gedurende een door de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond, gevestigd te Rotterdam te bepalen periode (die loopt tot maximaal het einde van de proeftijd) en op door de jeugdreclassering te bepalen tijdstippen zal melden bij de reclassering, zo vaak en zo lang deze instelling dat noodzakelijk acht; - zich zal inzetten voor een zinvolle dagbesteding in de vorm van onderwijs en/of werk; - zich zal inzetten voor een positieve invulling van zijn vrije tijd, bijvoorbeeld in de vorm van sport; - zal meewerken aan de begeleiding van een jongerencoach, indien en zo lang de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht; - zal meewerken aan een behandeling bij Fivoor of een soortgelijke instelling, in de vorm van FACT of soortgelijke hulpverlening, en zich zal houden aan de aanwijzingen van deze instelling; - op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met de medeverdachte [medeverdachte] , geboren op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 2] ; verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden: - de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden; - de veroordeelde zal medewerking verlenen aan jeugdreclasseringstoezicht, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen en het zich melden bij de jeugdreclassering zo vaak en zolang als de jeugdreclassering dit noodzakelijk acht; geeft opdracht aan de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden; legt de verdachte een taakstraf op, bestaande uit een werkstraf voor de duur van 60 (zestig) uren; beveelt dat, voor het geval de veroordeelde de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende jeugddetentie zal worden toegepast voor de duur van 30 (dertig) dagen; heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; de voorlopige hechtenis is bij eerdere beslissing geschorst. Dit vonnis is gewezen door: mr. W.J. Loorbach, voorzitter, tevens kinderrechter, en mrs. S. Riege en C.C. Peterse, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B. de Pater, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank op 27 november 2025. De oudste en jongste rechter zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen. Bijlage I Tekst tenlastelegging Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat 1hij, op of omstreeks 25 maart 2