Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2025-11-21
ECLI:NL:RBROT:2025:14881
RECHTBANK ROTTERDAM locatie Rotterdam zaaknummer: 11812336 VZ VERZ 25-5314 datum uitspraak: 21 november 2025 Beschikking van de kantonrechter in de zaak van [verzoekster] , woonplaats: [woonplaats] , verzoekster, gemachtigde: mr. N.M. Fakiri. tegen Croissanterie de Snor B.V. , vestigingsplaats: Rotterdam, verweerster, gemachtigde: mr. R.F. van Emden. De partijen worden hierna ‘ [verzoekster] ’ en ‘de Snor’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: het verzoekschrift van [verzoekster] , met bijlagen; het verweerschrift van de Snor, met bijlagen; productie 15 van [verzoekster] ; productie 16 van [verzoekster] ; productie 17 van [verzoekster] ; productie 2 van de Snor; de pleitnota van [verzoekster] . 1.2. Op 24 oktober 2025 is de zaak tijdens een mondelinge behandeling besproken. [verzoekster] was hierbij aanwezig, bijgestaan door mr. N.M. Fakiri. Namens de Snor waren hierbij aanwezig [persoon A] , [persoon B] en [persoon C] (allen directeur/eigenaar), bijgestaan door mr. R.F. van Emden. 2 De beoordeling Waar gaat de zaak over? 2.1. [verzoekster] werkte sinds 27 mei 2024 op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd bij de Snor als medewerker catering/countermedewerker voor 30 uren per week. De Snor heeft per 1 september 2025 de arbeidsomvang van [verzoekster] gewijzigd in 20 uur per week. De arbeidsovereenkomst is vervolgens verlengd voor een arbeidsomgang van 24 uur per week met ingang van 1 december 2024 en eindigt op 30 mei 2025. Op 30 oktober 2024 heeft [verzoekster] zich ziek gemeld. De arbeidsovereenkomst is op 30 mei 2025 beëindigd, omdat deze door de Snor niet is verlengd. 2.2. [verzoekster] stelt zich op het standpunt dat de Snor ten onrechte de arbeidsomvang heeft gewijzigd van 30 uur naar 20 uur per week en dat de aanpassing van de arbeidsomvang in de tweede arbeidsovereenkomst naar 24 uur daarom ook niet kan. Ook is de Snor volgens [verzoekster] per januari 2025 ten onrechte uitgegaan van een minimumuurloon van € 13,68 bruto per uur in plaats van € 14,06 bruto per uur en heeft de Snor ten onrechte een bedrag van € 554,04 bruto verrekend voor min-uren Zij vraagt daarom betaling van het achterstallig loon vakantietoeslag en vakantiedagen over de periode van 1 september 2024 tot 1 juni 2025 ten bedrage van in totaal € 7.978,43 bruto inclusief wettelijke verhoging. Daarnaast verzoekt [verzoekster] om de Snor te veroordelen een billijk vergoeding van € 8.785,36 bruto aan haar te betalen, omdat het einde van de arbeidsovereenkomst is ingegeven door ernstig verwijtbaar handelen van de Snor. Subsidiair, voor het geval de billijke vergoeding wordt afgewezen, vraagt [verzoekster] om de Snor te veroordelen aan haar een schadevergoeding te betalen van € 5.000,-. Voorts vraagt [verzoekster] om de Snor te veroordelen een bedrag van € 165,83 aan haar te betalen, omdat de Snor een te laag bedrag aan transitievergoeding aan haar heeft uitbetaald. [verzoekster] verzoekt tevens om de Snor te veroordelen in de proceskosten en de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De loonvordering en vakantiedagen op basis van een arbeidsomvang van 30 uur worden afgewezen 2.3. [verzoekster] wordt niet gevolgd in haar standpunt dat zij aanspraak heeft op loon over 30 uur per week en dat de Snor daarom te weinig loon heeft betaald en zij te weinig vakantiedagen heeft ontvangen. Hierna wordt toegelicht waarom. 2.4. Op 9 augustus 2024 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekster] en de Snor. Tussen partijen is toen afgesproken om de arbeidsomvang van [verzoekster] te wijzigen van 30 uur naar 20 uur per week, omdat [verzoekster] had aangegeven vanwege migraine en prikkels niet in de winkel kon werken en ook niet vroeg te kunnen beginnen in de catering. [verzoekster] heeft onvoldoende onderbouwd dat zij met de urenvermindering niet heeft ingestemd, want zij is niet opgekomen tegen het verslag van het gesprek van 9 augustus 2024 waarin de urenvermindering is opgenomen en heeft daarnaast De Snor beroept zich daarom op verrekening van een bedrag van € 16,62 bruto aan te weinig ingehouden min-uren met het bedrag dat zij aan [verzoekster] moet betalen. [verzoekster] heeft hiertegen geen verweer gevoerd, zodat de kantonrechter dit bedrag zal verrekenen met het bedrag dat de Snor aan [verzoekster] moet betalen. De Snor wordt daarom veroordeeld om een bedrag van € 128,43 bruto (= € 145,06 - € 16,62) aan [verzoekster] . [verzoekster] heeft geen recht op een billijke vergoeding 2.11. Het besluit van de Snor om de arbeidsovereenkomst met [verzoekster] niet voort te zetten houdt geen verband met ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de Snor, zodat niet aan de door [verzoekster] verzochte billijke vergoeding wordt toegekomen (artikel 7:673 lid 9 BW). Hierna wordt toegelicht waarom. 2.12. Op 25 oktober 2024 heeft er een incident plaatsgevonden op de werkvloer tussen [verzoekster] en een aantal werknemers. [verzoekster] is toen door een collega bij de keel is vastgepakt. Volgens [verzoekster] is zij vervolgens ook door twee collega’s gediscrimineerd. De Snor betwist dat van discriminatie sprake is geweest, want zij heeft dit na onderzoek (onder andere door het bekijken van de camerabeelden) niet kunnen vaststellen. Volgens de Snor is er tijdens het incident ook tussen de werknemers over en weer gescholden, is [verzoekster] ook zelf handtastelijk geweest en heeft [verzoekster] een andere werknemer met een bezem geslagen. 2.13. De kantonrechter stelt voorop dat het aan de Snor is om ervoor te kiezen of zij de arbeidsovereenkomst voor bepaalde met [verzoekster] wel of niet verlengd. In dit geval stelt de Snor na het incident van 25 oktober 2024 niet voor verlenging te hebben gekozen, omdat er ook al eerder spanningen waren tussen [verzoekster] en de andere werknemers. De Snor is een klein bedrijf en kan het er niet bij hebben dat er onder de paar werknemers die er werken te veel spanningen zijn. Omdat de andere werknemers al langer in dienst zijn met vaste contracten, heeft de Snor ervoor gekozen om de overeenkomst met [verzoekster] niet te verlengen. Dit alleen is niet ernstig verwijtbaar. 2.14. Daarnaast kan [verzoekster] niet worden gevolgd in haar standpunt dat de Snor haar zorgplicht heeft geschonden door niet te zorgen voor een veilige (discriminatievrije) werkvloer. Dat sprake is geweest van discriminatie is volgens de Snor niet komen vast te staan. Zij heeft hier onderzoek naar gedaan door onder andere de camerabeelden te bekijken en betrokkenen erover te horen. In wat [verzoekster] hiertegen heeft aangevoerd ziet de kantonrechter geen aanleiding om te twijfelen aan het onderzoek van de Snor. Dit betekent dat de discriminatie niet is komen vast te staan, dus dat de Snor wat dat betreft haar zorgplicht niet heeft geschonden. Wat betreft het incident dat heeft plaatsgevonden, kan ook niet geoordeeld worden dat de Snor haar zorgplicht heeft geschonden. Daarbij weegt mee dat de Snor voor het incident meerdere keren met [verzoekster] heeft gesproken over spanningen op de werkvloer. Dit is door [verzoekster] niet, althans onvoldoende, betwist. Ook heeft de Snor na het incident met de werknemers erover gesproken en heeft één van de bij het incident betrokken werknemers een officiële waarschuwing gekregen van de Snor. Gelet hierop kan niet geoordeeld worden de Snor haar zorgplicht heeft geschonden waardoor geen sprake is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten aan de zijde van de Snor. 2.15. De Snor heeft ook niet ernstig verwijtbaar gehandeld of nagelaten door niet te zorgen voor re-integratie, nazorg en mediation. De arbeidsovereenkomst van [verzoekster] liep op 1 december 2024 af, maar was door de Snor al kort voor het incident verlengd tot en met 30 mei 2025. Volgens de Snor heeft zij gezocht naar een praktische oplossing, maar wilde. [verzoekster] niet instemmen met een eerdere beëindiging van de arbeidsovereenkomst. De Snor heeft vervolgens ervoor gekozen om de tweede arbeidsovereenkomst uit te zitten en niets