Rechtspraak Rechtbank Rotterdam 2025-11-13
ECLI:NL:RBROT:2025:14879
RECHTBANK ROTTERDAM Locatie Dordrecht zaaknummer: 11588815 CV EXPL 25-1026 datum uitspraak: 13 november 2025 Vonnis van de kantonrechter in de zaak van [eiser] , woonplaats: [woonplaats] , eiser, gemachtigde: mr. C. Buitelaar, tegen Timing Flexgroep B.V. , vestigingsplaats: Dordrecht, gedaagde, vertegenwoordigd door mr. R. Sluimer. De partijen worden hierna ‘ [eiser] ’ en ‘Timing’ genoemd. 1 De procedure 1.1. Het dossier bestaat uit de volgende processtukken: de dagvaarding van 4 maart 2025, met bijlagen; het antwoord; de pleitaantekeningen van [eiser] . 1.2. Op 8 juli 2025 is de zaak tijdens een zitting besproken. [eiser] was daarbij aanwezig, bijgestaan door mr. C. Buitelaar en V. Saris, tolk in de Poolse taal. Namens Timing waren aanwezig [persoon A] , mr. R. Sluimer en [persoon B] . 2 De beoordeling Wat is er gebeurd? 2.1. [eiser] is vanaf 31 juli 2017 in dienst bij (de rechtsvoorganger van) Timing. Sinds 31 oktober 2021 werkt [eiser] bij Timing op basis van een uitzend/detacheringsovereenkomst Fase C voor onbepaalde tijd, met een arbeidsomvang van 144 uur per 4 weken (=36 uur per week). Op de uitzend/detacheringsovereenkomst is de ABU cao van toepassing verklaard. [eiser] wordt door Timing tewerkgesteld bij PostNL in Waddinxveen. 2.2. De overeengekomen arbeidsomvang van [eiser] is 36 uur per week. Als [eiser] meer werkt dan de overeengekomen 36 uur maar minder dan 39,25 uur, dan spreken partijen over meer-uren. Het aantal van 39,25 uur is gebaseerd op de arbeidsomvang dat een fulltime werknemer heeft bij de inlener PostNL. [eiser] kan per week dus maximaal 3,25 meer-uren werken. Overuren zijn volgens partijen alle uren boven de meer-uren (dus meer dan 39,25 uur per week). 2.3. [eiser] is arbeidsongeschikt geweest over de periode van week 2 tot en met week 20 van 2024 en over de periode van week 52 van 2024 tot en met week 10 van 2025. Timing heeft op basis van een arbeidsomvang van 36 uur het loon aan [eiser] doorbetaald. [eiser] stelt zich op het standpunt dat Timing met toepassing van artikel 25 lid 5 onder c van de ABU cao ook rekening had moeten houden met de door hem gewerkte gemiddelde meer-uren en overuren en daarom te weinig loon heeft betaald tijdens zijn twee periodes van ziekte. 2.4. Tegen deze achtergrond vordert [eiser] (na beperking van zijn eis ter zitting) dat Timing wordt veroordeeld om aan hem te betalen het achterstallig loon over de periode van week 2 tot en met week 20 van 2024 en over de periode van week 52 van 2024 tot en met week 10 van 2025, te vermeerderen met de wettelijke verhoging (artikel 7:625 BW) van 50% en de wettelijke rente over het achterstallig loon en wettelijke verhoging. Daarnaast vordert [eiser] dat Timing wordt veroordeeld aan hem te betalen de buitengerechtelijke incassokosten met wettelijke rente en dat Timing veroordeeld wordt tot overlegging van een correcte bruto/netto betalingsspecificatie voor alle voornoemde vorderingen, op straffe van een dwangsom. Tevens vordert [eiser] dat Timing wordt veroordeeld in de proceskosten met wettelijke rente. 2.5. Timing stelt zich op het standpunt dat de vorderingen van [eiser] moeten worden afgewezen. Artikel 25 van de ABU cao 2.6. Partijen zijn het erover eens dat [eiser] op grond van artikel 25 van de Abu cao tijdens de twee periodes van arbeidsongeschiktheid in beginsel recht heeft op doorbetaling van 90% van het naar tijdruimte vastgestelde loon en dat onder het naar tijdruimte vastgestelde loon wordt verstaan het loon overeenkomstig de overeengekomen arbeidsduur (in het geval van [eiser] 36 uur per week). Timing heeft op basis hiervan ook loon aan [eiser] betaald. 2.7. In artikel 25 lid 5 onder c van de ABU cao staat, voor zover hier van belang, dat wanneer de feitelijke arbeidsomvang in de periode van dertien kalenderweken voorafgaand aan de week van ziekmelding structureel afwijkt van de overeengekomen arbeidsomvang, het naar tijdruimte vastgestelde loon verschuldigd is over het gemiddelde van alle uren waarover loon is betaald in d Daaruit volgt – aansluitend bij wat hiervoor ten aanzien van de overuren over het woordje structureel is overwogen – dat geen sprake is van een structurele afwijking, omdat de meer-uren niet bijna elke week hebben plaatsgevonden. 2.14. In de dertien weken voorafgaand aan de tweede ziekmelding heeft [eiser] echter in twaalf van de dertien weken meer-uren gemaakt. Gelet op dit hoge aantal is de kantonrechter van oordeel dat in deze periode wel gesproken kan worden van het bijna altijd plaatsvinden van meer-uren, zodat in die periode wat betreft de meer-uren wel sprake is van een structurele afwijking van de overeengekomen arbeidsomvang. Het gevolg hiervan is dat gedurende de tweede periode van ziekte het naar tijdruimte vastgestelde loon verschuldigd is over het gemiddelde van alle uren (dus inclusief meer-uren, maar exclusief overuren) waarover loon is betaald in de afgelopen dertien kalenderweken. [eiser] heeft in de tweede periode van ziekte gemiddeld 38,63 uur per week gewerkt (conform productie 10 bij dagvaarding zonder rekening te houden met de overuren), zodat Timing [eiser] op basis daarvan had moeten uitbetalen. 2.15. Dat dit slechts een geringe overschrijding (2,63 uur) is van de overeengekomen arbeidsomvang, is naar het oordeel van de kantonrechter niet relevant. Voor de vraag of sprake is van een structurele afwijking is de omvang van de afwijking namelijk niet van belang, maar wel de blijvendheid en duurzaamheid ervan. Bovendien kan [eiser] slechts 3,25 meer-uren per week maken. Als Timing gevolgd wordt in haar standpunt dat een geringe overschrijding niet relevant is, dan zou bij meer-uren nooit sprake kunnen zijn van de situatie in artikel 25 lid 5 onder c van de ABU cao. Een dergelijke uitleg van de cao-bepaling kan niet de bedoeling zijn geweest. In dat geval zou het er immers niet toedoen hoeveel meer-uren [eiser] gemaakt heeft en zijn alleen structurele overuren van belang. 2.16. Op grond van het voorgaande heeft Timing gedurende de tweede periode van arbeidsongeschiktheid van [eiser] (week 52 van 2024 tot en met week 10 van 2025) te weinig loon aan [eiser] betaald. Timing had loon moeten betalen op basis van een feitelijke arbeidsomvang van 38,63 uur per week, maar heeft loon uitbetaald op basis van een arbeidsomvang van 36 uur per week. Aansluitend bij de berekening van [eiser] in zijn dagvaarding, die door Timing niet is betwist, betekent dat dat Timing over week 52 van 2024 2,1 uur te weinig heeft betaald en gedurende de weken 1 tot en met 10 van 2025 2,63 uur. Dit resulteert in een loonvordering van € 500,25 bruto (= 1 week x 2,1 uur x € 19,38 x 90% + 1 week x 2,63 uur x € 19,38 x 90% + 9 weken x 2,63 uur x € 19,61 x 90%). De kantonrechter gaat hierbij, gelet op het verhandelde ter zitting, ervan uit dat Timing over de weken 2 tot en met 10 wel 90% van het loon heeft uitbetaald berekend op basis van een arbeidsomvang van 36 uur per week. Timing wordt gelet hierop veroordeeld om een bedrag van € 500,25 bruto aan achterstallig loon aan [eiser] te betalen. Wettelijke verhoging en wettelijke rente 2.17. Omdat Timing, gelet op wat hiervoor is overwogen, een deel van het loon tijdens de tweede periode van arbeidsongeschiktheid niet (en dus te laat) heeft betaald aan [eiser] , moet zij op grond van artikel 7:625 BW de wettelijke verhoging aan [eiser] betalen. De kantonrechter ziet geen aanleiding om deze verhoging te matigen, omdat het verzuimprotocol waar Timing een beroep op doet niet op [eiser] van toepassing is. Timing wordt daarom veroordeeld om de wettelijke verhoging van 50% aan [eiser] te betalen, zijnde € 250,13 bruto. 2.18. De vordering tot betaling van de wettelijke rente over de loonvordering en de wettelijke verhoging (artikel 6:119 BW) wijst de kantonrechter als onbetwist en op de wet gegrond toe. Bruto/netto betalingsspecificatie 2.19. Tegen de door [eiser] gevorderde overlegging van een correcte bruto/netto betalingsspecificatie heeft Timing geen verweer gevoerd, zodat deze vordering wordt toegew