Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-07
ECLI:NL:RBROT:2025:13795
Civiel recht; Insolventierecht
Voorlopige voorziening
1,207 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287b Faillissementswet: afwijzing
toepassing schuldsaneringsregeling: niet-ontvankelijk
rekestnummers: [nummers]
uitspraakdatum: 7 november 2025
[verzoeker]
,
wonende te [adres 1]
[postcode] [plaatsnaam],
verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 29 september 2025, met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 29 september 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 24 oktober 2025.
Ter zitting van 24 oktober 2025 zijn verschenen en gehoord:
mr. D.A. IJpelaar, advocaat van verzoeker;
mr. P.A.F. Kanters, werkzaam bij Active Collecting Control & Services B.V., namens Rotterdam Europoint II C.V., gevestigd te Amsterdam (hierna: verweerster).
Verzoeker is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, zonder bericht van verhindering, niet ter zitting verschenen.
De rechtbank heeft de uitspraak bepaald op heden.
Bij e-mailbericht met bijlagen van 29 oktober 2025 heeft mr. IJpelaar de ter zitting toegezegde stukken aan de rechtbank toegezonden.
Bij e-mailbericht met bijlagen van 3 november 2025 heeft mr. Kanters daarop gereageerd.
Beoordeling
Het verzoek strekt ertoe op grond van artikel 287b, eerste lid, Fw, gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen en verweerster te verbieden het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 12 augustus 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Artikel 287b Fw bevat geen criterium op grond waarvan kan worden beslist of de voorlopige voorziening dient te worden toegewezen dan wel afgewezen. De rechtbank zoekt daarom aansluiting bij de voorziening zoals genoemd in artikel 287, vierde lid, Fw waarbij een afweging dient plaats te vinden tussen het belang van verzoeker enerzijds en de schuldeiser, in dit geval verweerster, anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat erin dat hij in de huurwoning kan blijven wonen en dat het minnelijk schuldhulpverleningstraject door verzoeker kan worden doorlopen.
Het belang van verweerster bestaat erin dat zij het vonnis van 12 augustus 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende aannemelijk dat de lopen termijnen kunnen en zullen worden voldaan. Hoewel ter zitting is gebleken dat de huur over oktober 2025 is voldaan, heeft mr. Kanters in haar e-mailbericht van 3 november 2025 gesteld dat de huur voor de maand november niet (tijdig) is voldaan. Dit is nadien niet weersproken door of namens verzoeker.
Namens verweerster is verder aangevoerd dat verzoeker de woning aan de Galvanistraat 293 te Rotterdam huurt per april 2021, maar dat hij sinds 2022 woonachtig is op de [adres 1]. Verder blijkt uit het KvK-uittreksel dat het bedrijf van verzoeker vier handelsnamen heeft, waaronder House Rental Solutions, hetgeen doet vermoeden dat de woning aan de Galvanistraat voor andere doeleinden wordt gebruikt dan bewoning door verzoeker zelf.
De rechtbank stelt vast dat verzoeker geen BRP-uittreksel heeft overgelegd waaruit blijkt dat hij staat ingeschreven aan de [adres 2]. Ook is niet aangetoond dat hij daar feitelijk verblijft. Dat verzoeker een ‘woonbelang’ heeft, is dan ook niet komen vast te staan.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het belang van verweerster zwaarder dient te wegen dan het belang van verzoeker. De verzochte voorziening zal dan ook worden afgewezen.
Nu het minnelijk traject naar verwachting niet op korte termijn zal zijn afgerond, zal verzoeker gelet op het bepaalde in artikel 285, eerste lid, sub f, in samenhang met artikel 287, tweede lid, Fw, ten aanzien van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 284, tweede lid, Fw, niet-ontvankelijk worden verklaard. Zo nodig kan verzoeker te zijner tijd een nieuw verzoek indienen.
Dictum
De rechtbank:
- wijst het verzoek ex artikel 287b Fw af;
- verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in zijn verzoek ex artikel 284, tweede lid, Fw.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.A. Vroom, rechter, en in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier, in het openbaar uitgesproken op 7 november 2025.