Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-11-12
ECLI:NL:RBROT:2025:13792
Civiel recht; Insolventierecht
Eerste aanleg - enkelvoudig
2,079 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team insolventie
voorlopige voorziening ex artikel 287, vierde lid, Faillissementswet
rekestnummer: [nummer]
uitspraakdatum: 12 november 2025
[verzoeker]
,
[adres]
[postcode] [woonplaats],
hierna: verzoeker.
Procesverloop
Verzoeker heeft op 13 oktober 2025 met een verzoekschrift ex artikel 284 Faillissementswet (Fw), een verzoekschrift ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend, waarin wordt gevraagd om een voorlopige voorziening bij voorraad.
In het vonnis van deze rechtbank van 14 oktober 2025 heeft de rechtbank de behandeling van het verzoekschrift bepaald op 5 november 2025.
Ter zitting van 5 november 2025 zijn verschenen en gehoord:
verzoeker (telefonisch);
mevrouw D. Ettalie, werkzaam bij Geldplein (hierna: schuldhulpverlening);
[naam], werkzaam bij Velthoven De Koning Gerechtsdeurwaarders, namens Nost B.V. (hierna: verweerster).
De uitspraak is bepaald op heden.
2Het verzoek
Het verzoek strekt ertoe gedurende een termijn van zes maanden bij uitspraak een voorlopige voorziening te treffen waarbij verweerster verboden wordt het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 tot ontruiming van de woonruimte van verzoeker ten uitvoer te leggen.
Naar aanleiding van het vonnis van deze rechtbank van 17 april 2025 (waarin een moratorium is toegewezen voor zes maanden) tracht verzoeker een minnelijke regeling met zijn schuldeisers tot stand te brengen. Deze regeling bevindt zich thans in het laatste stadium. Aangezien de afloscapaciteit van verzoeker recentelijk aanzienlijk is gestegen, is het aanbod aan schuldeisers op 13 oktober 2025 verhoogd van € 0 naar € 437 per maand. Om deze reden is het niet gelukt om de minnelijke regeling binnen zes maanden definitief af te ronden. Schuldhulpverlening is nu alleen nog in afwachting van een schriftelijke reactie van het UWV, maar telefonisch heeft het UWV al toegezegd dat wordt ingestemd met het gedane voorstel. Na ontvangst van de schriftelijke reactie van het UWV, die binnen enkele dagen wordt verwacht, is schuldhulpverlening voornemens om - indien verweerster blijft weigeren in te stemmen met het aanbod - alsnog een verzoek dwangakkoord in te dienen.
Nu de eerder toegewezen voorlopige voorziening op 12 september 2025 is verstreken heeft verweerster opnieuw de ontruiming aangezegd. Om verzoeker in de gelegenheid te stellen het minnelijk traject af te ronden en om te voorkomen dat tot ontruiming wordt overgegaan heeft verzoeker opnieuw een verzoek ex artikel 287b, eerste lid, Fw ingediend.
Ter zitting heeft schuldhulpverlening de rechtbank verzocht het verzoek aan te merken als een verzoek ex artikel 287, vierde lid, Fw.
3Het verweer
Verweerster stelt zich op het standpunt dat het moratorium op 12 september 2025 is verstreken en dat zij het vonnis van 11 februari 2025 wil effectueren. Verweerster heeft bevestigd dat de lopende huurtermijnen worden voldaan, maar zij stelt zich op het standpunt dat zij veel kosten heeft moeten maken en dat het niet haar ervaring is dat verzoeker zijn afspraken nakomt. Verweerster kan zich vinden in het treffen van een regeling, maar zij is niet bereid om een aanzienlijk deel van haar vordering kwijt te schelden.
Beoordeling
De rechtbank stelt vast dat verzoeker reeds eerder een verzoek ex artikel 287b Fw en ex artikel 284 Fw heeft ingediend, waarop bij uitspraak van 17 april 2025 door de rechtbank Rotterdam een beslissing is genomen. Daarbij is een moratorium voor de duur van zes maanden toegewezen. Dat betekent dat een verzoek ex artikel 287b Fw, op grond van het vijfde lid van dat artikel, niet langer openstaat.
Gelet op het tevens ingediende verzoek ex artikel 284 Fw, en mede gelet op de inhoud van de stukken en hetgeen ter zitting is besproken, zal het onderhavige verzoek om een voorlopige voorziening daarom worden beschouwd als een verzoek ex artikel 287, vierde lid, Fw.
Voor toewijsbaarheid van het verzoek is allereerst vereist dat door verzoeker is aangetoond dat sprake is van een spoedeisende situatie.
De spoedeisendheid van het verzoek is aangetoond, nu verzoeker een kopie van het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 11 februari 2025 tot ontruiming van zijn woonruimte heeft overgelegd. Tevens is door verzoeker een kopie van het exploot van 10 oktober 2025 overgelegd waarin wordt aangekondigd dat verweerster op 15 oktober 2025 zal overgaan tot ontruiming van de woning.
Met betrekking tot de verzochte voorlopige voorziening dient de rechtbank een belangenafweging te maken tussen de belangen van verzoeker enerzijds en de belangen van verweerster anderzijds.
Het belang van verzoeker bestaat eruit dat hij in afwachting van een beslissing van deze rechtbank op het door hem ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw in zijn huurwoning kan blijven wonen.
Het belang van verweerster bestaat eruit dat zij het vonnis van 11 februari 2025 ten uitvoer kan leggen.
Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de lopende huurtermijnen kunnen en zullen worden voldaan. Vanaf de start van het (eerdere) moratorium heeft verzoeker de huur steeds voldaan. Verzoeker ontvangt tot en met december 2026 een Ziektewet-uitkering en hij heeft daarmee voldoende inkomsten om de lopende huurtermijnen te voldoen. Verder heeft verzoeker sinds augustus 2025 een budgetbeheerder, waarmee wordt gewaarborgd dat verzoeker de lopende huurtermijnen zal blijven voldoen. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat op voorhand niet onaannemelijk is dat verzoeker tot een gedwongen schuldregeling zal kunnen komen dan wel tot de wettelijke schuldsaneringsregeling zal worden toegelaten.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat in onderhavig geval het belang van verzoeker zwaarder dient te wegen dan het belang van verweerster. Daarbij wordt betrokken dat het verzoek tot toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling (en indien dit tijdig alsnog wordt ingediend, het verzoek dwangakkoord) op 11 december 2025 te 14:00 uur zal worden behandeld, zodat voor partijen snel duidelijkheid zal ontstaan over de vraag of toepassing van de schuldsaneringsregeling in de weg zal staan aan ontruiming van het gehuurde conform artikel 305, tweede lid, Fw.
De verzochte voorziening zal worden toegewezen, waarbij in het belang van verweerster zal worden bepaald dat de voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen (tijdig) worden voldaan.
Dictum
De rechtbank:
- verbiedt verweerster, voor de duur van deze voorziening, over te gaan tot ontruiming van de woning van verzoeker, gelegen aan:
[adres]
[postcode] [woonplaats];
- bepaalt dat de genoemde voorziening slechts geldt zolang de lopende huurtermijnen tijdig en volledig worden voldaan;
- bepaalt dat de voorziening in ieder geval vervalt op het moment dat het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt ingetrokken, dan wel de beslissing daarop in kracht van gewijsde is gegaan;
- bepaalt dat het op 13 oktober 2025 door verzoeker ingediende verzoekschrift ex artikel 284 Fw wordt behandeld op 11 december 2025 te 14.00 uur.
Deze beschikking is op 12 november 2025 gegeven door mr. M. Aukema, rechter, in aanwezigheid van A. Vervoorn, griffier.
De griffier is buiten staat
dit vonnis mede te ondertekenen.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, gedurende drie maanden na de dag van deze uitspraak, hoger beroep instellen. Het hoger beroep kan uitsluitend door een advocaat worden ingesteld bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.