Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-02-05
ECLI:NL:RBROT:2025:1374
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
4,599 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/340419-24
Parketnummer vordering TUL VV: 10/215827-21
Datum uitspraak: 5 februari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
preventief gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting [naam PI] , locatie [detentielocatie] ,
raadsvrouw mr. B.V. Rafaela, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 22 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. S.I.E. de Graaff heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden met aftrek van voorarrest, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar, en de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering in het rapport van 9 januari 2025;
tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk opgelegde strafdeel in de zaak met parketnummer 10/215827-21.
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewezenverklaring zonder nadere motivering
Het ten laste gelegde is door de verdachte bekend en de verdediging heeft geen verweer tot vrijspraak gevoerd. Dit feit zal zonder nadere bespreking bewezen worden verklaard.
4.2.
Bewezenverklaring
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezen verklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 27 oktober 2024 te Rotterdam,
een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de
vorm van een revolver van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22LR en
(voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet
wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art 2 lid 2 van die wet, van de
Categorie III, te weten een kogelpatroon van het kaliber .22LR,
voorhanden heeft gehad.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
de eendaadse samenloop van:
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit
begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III,
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Motivering
7.1.
Algemene overweging
De straf die aan de verdachte wordt opgelegd, is gegrond op de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder het feit is begaan en de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Daarbij wordt in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
7.2.
Feit waarop de straf is gebaseerd
De verdachte heeft een vuurwapen met daarin één kogelpatroon voorhanden gehad terwijl hij in een drukke uitgaansgelegenheid in Rotterdam was. Het ongecontroleerd bezit van een vuurwapen en munitie brengt in het algemeen een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee, omdat het bezit van een vuurwapen kan leiden tot het gebruik ervan met alle gevolgen van dien. Dit geldt te meer in geval van de aanwezigheid van een vuurwapen in een openbare ruimte. Vuurwapens worden niet alleen gebruikt om ernstige misdrijven mee te plegen, maar worden ook steeds vader gebruikt om ruzies te beslechten, waarbij regelmatig (dodelijke) slachtoffers vallen.
7.3.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
7.3.1.
Strafblad
De rechtbank heeft acht geslagen op een uittreksel uit de justitiële documentatie van
23 december 2024 waaruit blijkt dat de verdachte eerder is veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen. Voor dit feit liep de verdachte ook nog in een proeftijd. Deze veroordeling heeft de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om wederom een soortgelijk strafbaar feit te plegen.
7.3.2.
Rapportage en verklaringen van deskundige op de terechtzitting
Reclassering Nederland heeft een rapport over de verdachte opgemaakt, gedateerd 9 januari 2025. Dit rapport houdt onder meer het volgende in.
Bij de verdachte is sprake van een patroon van gewelddadig gedrag, dat is ontstaan door een combinatie van factoren, zoals een verstandelijke beperking, gedragsproblematiek en middelengebruik. De verdachte is van jongs af aan bekend met gewelddadig (delict)gedrag, gedragsproblematiek, problematisch middelengebruik en heeft een lange geschiedenis van begeleiding en behandeling in diverse kaders. De eerdere begeleidingen hebben niet geleid tot blijvende gedragsverandering. Gezien de eerdergenoemde combinatie van factoren is de kans op herhaling groot. Bij een veroordeling adviseert de reclassering een (deels) voorwaardelijk straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een behandelverplichting met een mogelijkheid tot kortdurende klinische opname en begeleid wonen. Hierbij dient echter te worden opgemerkt dat het, op dit moment, zeer de vraag is of de structuren die binnen het reclasseringstoezicht beschikbaar zijn, voldoende houvast bieden om de benodigde gedragsverandering te realiseren. Er zijn enkele beschermende factoren, zoals zijn stabiele inkomen (Wajong-uitkering), de samenwerking met het Leger des Heils, het reclasseringscontact en de positieve steun van zijn zus. Indien de rechtbank van oordeel is dat de geadviseerde bijzondere voorwaarden onvoldoende zijn om het recidiverisico te beheersen, dan is er geen andere optie dan de strafzaak af te doen door middel van een onvoorwaardelijke straf. De reclassering ziet meerwaarde in het opleggen van een taakstraf, omdat een taakstraf de verdachte discipline bijbrengt en regelmaat en structuur biedt. Op deze manier kan een taakstraf fungeren als een stap richting een zinvolle dagbesteding.
Op de terechtzitting was de reclasseringsbegeleider van de verdachte, mevrouw [persoon A] , aanwezig en heeft zij als deskundige enkele vragen beantwoord. Zij heeft verklaard dat de begeleiding van de verdachte stap voor stap is ingezet om de verdachte niet te overvragen in verband met zijn licht verstandelijke beperking. De verdachte heeft baat bij structuur en regelmaat. De verdachte wil graag werken, maar dit is nog niet van de grond gekomen omdat andere probleemgebieden eerst moesten worden aangepakt.
7.4.
Conclusie
Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, komt zij tot de volgende conclusies.
Gezien de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan kan niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een gevangenisstraf. Bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf heeft de rechtbank acht geslagen op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en op de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). De richtlijn voor het voorhanden hebben van een vuurwapen in de openbare ruimte is een gevangenisstraf van 8 maanden. In strafverzwarende zin houdt de rechtbank rekening met de eerdere veroordeling van de verdachte.
De verdediging heeft verzocht een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen, eventueel in combinatie met een forse taakstraf. Voor het volledig achterwege laten van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank gezien de ernst van het feit geen aanleiding. Dit geldt temeer nu de verdachte eerder voor vuurwapenbezit en poging doodslag is veroordeeld en in een proeftijd liep van die veroordeling. Het opleggen van een taakstraf acht de rechtbank niet passend bij de feiten en gezien de voorgeschiedenis van de verdachte overigens ook een gepasseerd station.
De rechtbank zal een groot deel van de straf voorwaardelijk opleggen, gelet op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en omdat de rechtbank het van belang acht dat wordt voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw strafbare feiten gaat plegen. Met dit voorwaardelijke strafdeel geeft de rechtbank de verdachte een kans om gedurende de proeftijd met behulp van de reclassering zijn leven op een andere manier in te richten. Aan de proeftijd zullen de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden worden verbonden.
Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 13 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, conform de eis van de officier van justitie, passend en geboden.
8Vordering tenuitvoerlegging
8.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van 19 november 2021 van de meervoudige kamer van deze rechtbank is de verdachte ter zake van poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie veroordeeld tot een gevangenisstraf van 3 jaren, waarvan 1 jaar voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaren. De proeftijd is ingegaan op 4 december 2021.
8.2.
Beoordeling
Het hierboven bewezen verklaarde feit is na het wijzen van dit vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezen feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd. In beginsel kan daarom de volledige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde straf worden gelast. Gelet op hetgeen bij de stafmotivering is overwogen, ziet de rechtbank aanleiding de vordering gedeeltelijk toe te wijzen voor een periode van twee maanden en deze gevangenisstraf om te zetten in een taakstraf voor de duur van 160 uren subsidiair twee maanden hechtenis indien de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht. De vordering wordt voor het overige afgewezen, wat betekent dat de bij het vonnis van 19 november 2021 gestelde bijzondere voorwaarden gedurende de proeftijd van kracht blijven.
9Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 14a, 14b en 14c, en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie.
10Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 13 (dertien) maanden;
bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 6 (zes maanden) niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaren;
tenuitvoerlegging kan worden gelast als de veroordeelde de algemene voorwaarde niet naleeft en ook als de veroordeelde gedurende de proeftijd een bijzondere voorwaarde niet naleeft of een voorwaarde die daaraan van rechtswege is verbonden;
stelt als algemene voorwaarde:
- de veroordeelde zal zich vóór het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maken;
stelt als bijzondere voorwaarden:
de veroordeelde meldt zich bij Reclassering Nederland op het adres Marconistraat 2 te Rotterdam. De veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;
de veroordeelde laat zich behandelen door een forensische polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Bij excessief middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor detoxificatie en stabilisatie. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal de veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorginstelling dat nodig vindt;
de veroordeelde verblijft in een woonvorm van het Leger des Heils of een andere instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.
verstaat dat van rechtswege de volgende voorwaarden zijn verbonden aan de hierboven genoemde bijzondere voorwaarden
- de veroordeelde zal ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verlenen aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbieden;
- de veroordeelde zal medewerking verlenen aan reclasseringstoezicht, daaronder begrepen de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht;
geeft aan genoemde reclasseringsinstelling opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
beveelt dat de tijd die door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover deze tijd niet reeds op een andere vrijheidsstraf in mindering is gebracht;
gelast de gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in de zaak met parketnummer 10/215827-21 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf van 2 (twee) maanden, in die zin dat die straf wordt omgezet in een taakstraf van 160 uren, met bevel, voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 2 (twee) maanden;
wijst voor het overige af de vordering tot tenuitvoerlegging onder parketnummer 10/215827-21.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Flikweert, voorzitter,
en mrs. E.M. Havik en J. van de Klashorst, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.R. van Zaanen griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 27 oktober 2024 te Rotterdam,
een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1º van de Wet wapens en
munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º van die wet in de
vorm van een revolver van het merk BBM, model Olympic 38, kaliber .22LR en/of
(voor dat vuurwapen geschikte) munitie in de zin van art. 1 onder 4 van de Wet
wapens en munitie, te weten munitie als bedoeld in art 2 lid 2 van die wet, van de
Categorie III, te weten een kogelpatroon van het kaliber .22LR,
voorhanden heeft gehad.