Rechtspraak
Rechtbank Rotterdam
2025-01-17
ECLI:NL:RBROT:2025:1353
Strafrecht
Eerste aanleg - meervoudig
3,168 tokens
Inleiding
Rechtbank Rotterdam
Team straf 1
Parketnummer: 10/277112-24
Parketnummer vordering TUL VV: 10-172852-23
Datum uitspraak: 17 januari 2025
Tegenspraak
Vonnis van de rechtbank Rotterdam, meervoudige kamer voor strafzaken, in de zaak tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987,
ingeschreven in de basisregistratie personen op het (detentie)adres:
[adres] , [postcode] te [woonplaats] ,
ten tijde van het onderzoek op de terechtzitting preventief gedetineerd in het [detentieafdeling] van de Penitentiaire Inrichting [naam PI] ,
raadsman mr. M. el Idrissi, advocaat te Rotterdam.
1Onderzoek op de terechtzitting
Gelet is op het onderzoek op de terechtzitting van 17 januari 2025.
2Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage I aan dit vonnis gehecht.
3Eis officier van justitie
De officier van justitie mr. M. Vollebregt heeft gevorderd:
bewezenverklaring van het ten laste gelegde;
veroordeling van de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met aftrek van voorarrest;
tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 jaren (de ISD-maatregel).
4Waardering van het bewijs
4.1.
Bewijswaardering
In bijlage II heeft de rechtbank een opgave gedaan van wettige bewijsmiddelen, houdende voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. Met deze opgave wordt volstaan, nu de verdachte het bewezenverklaarde heeft bekend en geen verweer is gevoerd dat strekt tot vrijspraak. Op grond daarvan is wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan op die wijze dat:
hij op 5 juli 2024 te Rotterdam een fiets (merk: Stella, type: e-bike), die aan [slachtoffer] , toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Hetgeen meer of anders is ten laste gelegd is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
5Strafbaarheid feit
Het bewezen feit levert op:
Diefstal.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
Het feit is dus strafbaar.
6Strafbaarheid verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit.
De verdachte is dus strafbaar.
7Toepassing artikel 9a van het Wetboek van strafrecht (Sr)
De verdachte heeft inbreuk gemaakt op het eigendomsrecht van de aangeefster door zich schuldig te maken aan diefstal van haar elektrische fiets. Fietsendiefstal is een ergerlijk feit, dat schade en hinder voor de benadeelde veroorzaakt, hetgeen ook daadwerkelijk is gebleken uit de overgelegde stukken en de verklaring van de aangeefster [slachtoffer] op de terechtzitting.
Bij onherroepelijk vonnis van deze rechtbank van 8 november 2023 is aan de
verdachte voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren opgelegd. De verdachte heeft in de proeftijd opnieuw een strafbaar feit gepleegd en heeft daarmee de algemene voorwaarde geen nieuwe strafbare feiten te plegen overtreden. De rechtbank zal hierna onder 9 oordelen dat deze vordering ten uitvoer moet worden gelegd en ziet hierin aanleiding om voor de diefstal van de fiets artikel 9a Sr toe te passen.
8Vordering benadeelde partij/schadevergoedingsmaatregel
Als benadeelde partij heeft zich in het geding gevoegd: [slachtoffer] ter zake van het ten laste gelegde strafbare feit. De benadeelde partij vordert een vergoeding van € 427,99 aan materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade en met € 150,- aan proceskosten.
8.1.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft behoudens de gevorderde proceskosten geconcludeerd tot toewijzing van de vordering.
8.2.
Standpunt verdediging
Behoudens de gevorderde proceskosten die moeten worden afgewezen, refereert de raadsman zich aan het oordeel van het rechtbank.
8.3.
Beoordeling
Nu is komen vast te staan dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks materiële schade is toegebracht en de vordering ten aanzien van de materiële kosten genoegzaam is onderbouwd zal dit deel van de vordering, te weten het bedrag van € 427,99 worden toegewezen. De rechtbank wijst het gevorderde bedrag voor vergoeding van proceskosten van € 150,- af omdat dit bedrag onvoldoende is onderbouwd.
De benadeelde partij heeft gevorderd het te vergoeden bedrag te vermeerderen met wettelijke rente. De rechtbank bepaalt dat het te vergoeden schadebedrag vermeerderd wordt met wettelijke rente vanaf 5 juli 2024.
Nu de vordering van de benadeelde partij zal worden toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.
8.4.
Conclusie
De verdachte moet de benadeelde partij een schadevergoeding betalen van € 427,99 vermeerderd met de wettelijke rente en kosten als hieronder in de beslissing vermeld.
Tevens wordt oplegging van de hierna te noemen maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht passend en geboden geacht.
9Vordering tenuitvoerlegging
9.1.
Vonnis waarvan tenuitvoerlegging wordt gevorderd
Bij vonnis van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 8 november 2023 is - voor zover van belang - gelast dat de verdachte ter zake van diefstal voorwaardelijk wordt geplaatst in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren met de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan het plegen van een strafbaar feit. De proeftijd is ingegaan op 23 november 2023 en loopt tot 27 februari 2026.
9.2.
Standpunt officier van justitie
De officier van justitie heeft toewijzing van de vordering bepleit.
9.3.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair afwijzing van de vordering en verlenging van de proeftijd bepleit en heeft daartoe aangevoerd dat de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke ISD prematuur is. De verdachte heeft aangegeven gemotiveerd te zijn voor de juiste hulpverlening maar heeft in het verleden niet de juiste hulpverlening ontvangen. Het lijkt nu beter te gaan met de verdachte in het PPC, waar hij medicijnen en psychische begeleiding krijgt. Gelet hierop dient de weg van de juiste hulpverlening, zoals het verstrekken van medicijnen en psychische begeleiding, in een ambulant kader eerst bewandeld te worden alvorens de ISD-maatregel ten uitvoer te leggen.
De raadsman heeft subsidiair bepleit indien de rechtbank alsnog beslist tot tenuitvoerlegging van de gevorderde ISD-maatregel om een tussentijdse herbeoordeling, omdat de verdachte heeft aangegeven dat hij gemotiveerd is voor hulpverlening.
9.4.
Beoordeling
Het hierboven bewezenverklaarde strafbare feit is na het wijzen van het vonnis en voor het einde van de proeftijd gepleegd. Door het plegen van het bewezenverklaarde feit heeft de verdachte de aan het vonnis verbonden algemene voorwaarde, dat hij voor het einde van de proeftijd geen nieuwe strafbare feiten zou plegen, niet nageleefd.
Uit het reclasseringsrapport van 6 juni 2024 blijkt dat de verdachte niet in gesprek wil met de reclassering en dat hij vermogensdelicten pleegt om aan verdovende middelen te komen. De reclassering ziet hierin een patroon. Op de terechtzitting heeft de deskundige Wolff onder meer verklaard dat de kans op herhaling hoog is als de gevorderde ISD-maatregel niet ten uitvoer wordt gelegd. De reclassering ziet geen alternatief voor een onvoorwaardelijke ISD.
De rechtbank onderschrijft de conclusie van de reclassering dat oplegging van de onvoorwaardelijke maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders is aangewezen. Er is een strenger kader nodig om stabilisatie, motivatie en onderzoek mogelijk te maken voor een plan van aanpak ter bescherming van de maatschappij tegen het aanhoudende delictgedrag van de verdachte. De rechtbank heeft geen vertrouwen dat behandeling van de verdachte in een ambulant kader afdoende zal zijn.
De rechtbank ziet thans geen aanleiding te bepalen dat een tussentijdse toetsing dient plaats te vinden en wijst dit verzoek af.
De rechtbank gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.
10Toepasselijke wettelijke voorschriften
Gelet is op de artikelen 38m en 38n en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
11Bijlagen
De in dit vonnis genoemde bijlagen maken deel uit van dit vonnis.
Dictum
De rechtbank:
verklaart bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit, zoals hiervoor omschreven, heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
stelt vast dat het bewezen verklaarde oplevert het hiervoor vermelde strafbare feit;
verklaart de verdachte strafbaar;
bepaalt dat ten aanzien van het bewezenverklaarde feit geen straf wordt opgelegd;
veroordeelt de verdachte om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan de benadeelde partij [slachtoffer], te betalen een bedrag van € 427,99 (zegge: vierhonderdzevenentwintig euro en negennegentig eurocent) aan materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 5 juli 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;
veroordeelt de verdachte in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden aan de zijde van de benadeelde partij begroot op nihil en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken;
legt aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van [slachtoffer] te betalen € 427,99 (hoofdsom, zegge: vierhonderdzevenentwintig euro en negennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 juli 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening; bepaalt dat indien volledig verhaal van de hoofdsom van € 427,77 niet mogelijk blijkt, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 8 dagen; de toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op;
gelast de tenuitvoerlegging van de bij vonnis van 8 november 2023 van de meervoudige kamer van deze rechtbank aan de veroordeelde voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van 2 (twee) jaren.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H. Kroon, voorzitter,
en mrs. J. de Lange en J.C. Oord, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. R. van Puffelen griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting op de datum die in de kop van dit vonnis is vermeld.
Bijlage I
Tekst tenlastelegging
Aan de verdachte wordt ten laste gelegd dat
hij op of omstreeks 5 juli 2024 te Rotterdam
een fiets (merk: Stella, type: e-bike), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele
aan [slachtoffer] , in elk geval aan een ander toebehoorde(n) heeft weggenomen
met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;